Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezechiël 16:1-63

16  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde:  „Mensenzoon, maak Jeru̱zalem haar verfoeilijkheden+ bekend.+  En gij moet zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah tot Jeru̱zalem gezegd: „Uw oorsprong en uw geboorte waren uit het land van de Kanaäniet.+ Uw vader was de Amoriet+ en uw moeder was een Hethitische.+  En wat uw geboorte aangaat, op de dag dat gij werdt geboren,+ werd uw navelstreng niet afgesneden, en in water werdt gij niet gewassen ter reiniging en met zout werdt gij in het geheel niet afgewreven, en gij werdt geenszins in windsels gewikkeld.  Geen oog gevoelde leed over u om voor u een van deze dingen te doen uit mededogen met u,+ maar gij werdt op de oppervlakte van het veld geworpen omdat men een afschuw had van uw ziel op de dag dat gij werdt geboren.  Toen kwam ik voorbij u en kreeg u te zien, trappelend in uw bloed, en vervolgens zei ik tot u in uw bloed: ’Blijf leven!’,+ ja, ik zei tot u in uw bloed: ’Blijf leven!’  Tot een zeer grote menigte* gelijk het uitspruitsel van het veld maakte ik u, zodat gij opgroeide+ en groot werdt en met de voortreffelijkste versiering binnentradt.+ De beide borsten zelf waren stevig ontwikkeld en uw eigen haar groeide weelderig, terwijl gij naakt en bloot* waart geweest.”’  ’Toen kwam ik voorbij u en kreeg u te zien, en zie! uw tijd was de tijd voor liefkozingen.+ Derhalve spreidde ik toen mijn [mantel]slip over u uit+ en bedekte uw naaktheid en deed u een beëdigde verklaring en trad met u in een verbond,’+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’en zo werdt gij de mijne.+  Bovendien waste ik u met water+ en spoelde uw bloed van u af en wreef u in met olie.+ 10  En vervolgens kleedde ik u in een geborduurd gewaad+ en schoeide u met robbenvel+ en wikkelde u in fijn linnen+ en bedekte u met kostbaar weefsel. 11  Voorts tooide ik u met sieraden en deed armbanden+ om uw handen en een halsketting+ om uw hals. 12  Verder deed ik een neusring+ in uw neusgat en oorringen aan uw oren+ en een luisterrijke kroon op uw hoofd.+ 13  En gij bleeft u tooien met goud en zilver, en uw kledij was fijn linnen en kostbaar weefsel en een geborduurd gewaad.+ Meelbloem en honing en olie+ at gij en gij werdt zeer, zeer schoon, en geleidelijk werdt gij geschikt voor een koninklijke positie.’”+ 14  „’Toen ging er een naam voor u uit onder de natiën wegens uw schoonheid, want ze was volmaakt vanwege mijn pracht, die ik op u gelegd had’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.” 15  „’Maar gij zijt op uw schoonheid gaan vertrouwen+ en werdt wegens uw naam een prostituee+ en zijt uw daden van prostitutie over elke voorbijganger gaan uitstorten;+ van hem werd het. 16  Vervolgens hebt gij sommige van uw kleren genomen en u veelkleurige hoge plaatsen gemaakt+ en gij placht uzelf erop te prostitueren+ — dergelijke dingen komen niet te pas, en het dient niet te gebeuren.* 17  En gij placht uw luisterrijke voorwerpen van mijn goud en van mijn zilver, dat ik u gegeven had, te nemen+ en u mansbeelden+ te maken en u ermee te prostitueren.*+ 18  En gij placht uw geborduurde gewaden te nemen en ze te bedekken; en mijn olie en mijn reukwerk+ placht gij werkelijk voor ze neer te zetten. 19  En mijn brood dat ik u had gegeven — meelbloem en olie en honing die ik u had doen eten+ — gij hebt het ook werkelijk voor ze neergezet als een rustig stemmende* geur,+ en het bleef geschieden’, is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.” 20  „’En gij placht uw zonen en uw dochters te nemen, die gij mij gebaard hadt,+ en dezen aan ze te offeren om verslonden te worden+ — is dat niet genoeg met betrekking tot uw daden van prostitutie? 21  En gij placht mijn zonen* te slachten,+ en door hen door [het vuur] te laten gaan, placht gij hen aan ze te geven.+ 22  En bij al uw verfoeilijkheden en uw daden van prostitutie dacht gij niet aan de dagen van uw jeugd, toen gij naakt en bloot bleekt te zijn; trappelend in uw bloed bleekt gij te zijn.+ 23  Het geschiedde dan na al uw slechtheid („wee, wee u”,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah), 24  dat gij u een verhoging* zijt gaan bouwen en u een hoogte zijt gaan maken op elk openbaar plein.+ 25  Aan elk boveneinde van de weg hebt gij uw hoogte gebouwd+ en gij hebt uw schoonheid vervolgens tot iets verfoeilijks gemaakt+ en uw voeten vaneengespreid voor elke voorbijganger+ en uw daden van prostitutie vermenigvuldigd.+ 26  En gij zijt u gaan prostitueren met de zonen van Egy̱pte,+ uw buren groot van vlees,*+ en gij bleeft uw prostitutie overvloedig maken om mij te krenken. 27  En zie! ik zal stellig mijn hand tegen u uitstrekken+ en ik zal het u toegewezen deel verminderen+ en u overgeven aan de ziel[sbegeerte]+ van de vrouwen die u haten,+ de dochters van de Filistijnen,+ de vrouwen die wegens uw losbandige gedrag te schande gemaakt zijn.+ 28  En gij hebt u vervolgens geprostitueerd met de zonen van Assy̱rië, omdat gij niet te verzadigen waart,+ en gij bleeft u met hen prostitueren en werdt ook niet verzadigd. 29  Dus bleeft gij uw prostitutie overvloedig maken tegenover het land Ka̱naän,+ tegenover de Chaldeeën;+ en zelfs hierin werdt gij niet verzadigd. 30  O hoe ben ik van woede+ vervuld tegen u’,* is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’doordat gij al deze dingen doet, het werk van een vrouw,+ een heerszuchtige prostituee!+ 31  Toen gij uw verhoging aan het boveneinde van elke weg bouwde en gij uw eigen hoogte maakte op elk openbaar plein, werdt gij toch anders dan een prostituee, doordat gij hoerenloon versmaadde. 32  Wat de vrouw betreft die overspel pleegt,* zij neemt vreemden in plaats van haar eigen echtgenoot.+ 33  Aan alle prostituees pleegt men een geschenk te geven,+ maar gij — gij hebt uw geschenken gegeven aan al degenen die u hartstochtelijk liefhebben,+ en gij biedt hun steekpenningen aan om van rondom tot u te komen, tot uw daden+ van prostitutie. 34  En in uw geval vindt het omgekeerde plaats als bij andere vrouwen in uw daden van prostitutie, en naar uw trant is er geen prostitutie gepleegd, ja, doordat gij hoerenloon geeft terwijl u geen hoerenloon is gegeven, en zo geschiedt het op de omgekeerde wijze.’ 35  Daarom, o prostituee,+ hoor het woord van Jehovah.+ 36  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat uw wellust* is uitgestort+ en uw schaamdelen+ ontbloot worden bij uw daden van prostitutie tegenover degenen die u hartstochtelijk liefhebben+ en tegenover al uw verfoeilijke drekgoden,+ zelfs met het bloed van uw zonen die gij aan hen gegeven hebt,+ 37  daarom, zie, ik breng al degenen die u hartstochtelijk liefhadden, voor wie gij aangenaam waart, bijeen, en al degenen die gij hebt liefgehad te zamen met al degenen die gij hebt gehaat, en ik wil hen van rondom tegen u bijeenbrengen en uw schaamdelen voor hen ontbloten, en zij moeten al uw schaamdelen zien.+ 38  En ik wil met u in het gericht treden met de oordelen van overspeelsters+ en vrouwen die bloed vergieten,+ en ik wil u het bloed van woede en jaloezie geven.+ 39  En ik wil u in hun hand geven, en zij zullen stellig uw verhoging omverhalen+ en uw hoogten zullen stellig geslecht worden,+ en zij moeten u uw kleren uittrekken+ en uw luisterrijke voorwerpen nemen+ en u naakt en bloot achterlaten. 40  En zij moeten een vergadering tegen u doen opkomen+ en u met stenen werpen+ en u met hun zwaarden afslachten.+ 41  En zij moeten uw huizen met vuur verbranden+ en aan u strafgerichten voltrekken voor de ogen van vele vrouwen;+ en ik zal stellig uw prostituee[schap] doen ophouden+ en ook zult gij geen hoerenloon meer geven. 42  En ik wil mijn woede tot bedaren brengen in u,+ en mijn jaloezie moet van u wijken;+ en ik zal mij stellig rustig houden en ik zal mij niet meer gekrenkt voelen.’ 43  ’Omdat gij niet aan de dagen van uw jeugd hebt gedacht+ en gij mij wegens al deze dingen telkens in beroering hebt gebracht,+ ja, zie, zal ook ik van mijn kant stellig uw eigen gedrag op [uw] hoofd zelf doen neerkomen’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’en gij zult stellig geen losbandig gedrag blijven bedrijven naast al uw verfoeilijkheden. 44  Zie! Iedereen die een spreuk+ tegen u gebruikt, zal de spreuk gebruiken die luidt: „Zo moeder, zo dochter!”+ 45  Gij zijt de dochter van uw moeder,+ iemand die haar echtgenoot+ en haar zonen verafschuwt. En gij zijt de zuster van uw zusters, die hun echtgenoten en hun zonen verafschuwden. De moeder van U, vrouwen, was een Hethitische,+ en UW vader was een Amoriet.’”+ 46  „’En uw oudste zuster is Sama̱ria,+ zij met haar onderhorige plaatsen,*+ die links van u woont, en uw zuster jonger dan gij, die rechts van u woont, is So̱dom+ met haar onderhorige plaatsen.+ 47  En niet hun wegen hebt gij bewandeld, noch overeenkomstig hun verfoeilijkheden gedaan.+ Binnen heel korte tijd zijt gij zelfs verderfelijker gaan handelen dan zij op al uw wegen.+ 48  Zo waar ik leef,’ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’So̱dom, uw zuster, zij met haar onderhorige plaatsen, heeft niet gedaan naar wat gij hebt gedaan, gij en uw onderhorige plaatsen.+ 49  Zie! Dit bleek de dwaling van So̱dom, uw zuster, te zijn: Trots,+ verzadigdheid van brood+ en zorgeloze+ rust bleken haar en haar onderhorige plaatsen+ eigen te zijn, en de hand van de ellendige+ en de arme sterkte zij niet.+ 50  En zij* bleven hoogmoedig+ en bedreven voortdurend iets verfoeilijks voor mijn aangezicht,+ en ten slotte verwijderde ik hen, juist zoals het mij [goed] toescheen.*+ 51  En wat Sama̱ria+ aangaat, zij heeft nog niet de helft van uw zonden bedreven, maar gij bleeft uw verfoeilijkheden overvloediger maken dan zij, zodat gij uw zusters rechtvaardig deedt schijnen wegens al uw verfoeilijkheden die gij hebt bedreven.+ 52  Gij dan, draag uw schande wanneer gij moet pleiten ten gunste van uw zusters. Wegens uw zonden, waarin gij verfoeilijker hebt gehandeld dan zij, zijn zij rechtvaardiger dan gij.+ En gij dan, schaam u en draag uw schande doordat gij uw zusters rechtvaardig doet schijnen.’ 53  ’En ik wil hun gevangenen vergaderen,+ de gevangenen van So̱dom en van haar onderhorige plaatsen, en de gevangenen van Sama̱ria en van haar onderhorige plaatsen; ik wil ook uw gevangenen te midden van hen vergaderen,*+ 54  opdat gij uw schande moogt dragen;+ en gij moet u te schande gemaakt voelen wegens alles wat gij gedaan hebt, aangezien gij hen hebt vertroost.+ 55  En uw eigen zusters, So̱dom en haar onderhorige plaatsen, zullen tot hun vroegere staat terugkeren, en Sama̱ria en haar onderhorige plaatsen zullen tot hun vroegere staat terugkeren, en gijzelf en uw eigen onderhorige plaatsen, [GIJ] zult tot UW vroegere staat terugkeren.+ 56  En So̱dom, uw zuster, bleek niet iets te zijn dat het waard was er uit uw mond over te horen op de dag van uw trots,+ 57  voordat uw eigen slechtheid werd blootgelegd,+ net als in de tijd van de smaad van de dochters van Sy̱rië*+ en van allen rondom haar, de dochters van de Filistijnen,+ degenen die u van alle kanten met verachting bejegenden.+ 58  Uw losbandig gedrag+ en uw verfoeilijkheden, gij moet ze zelf dragen’,+ is de uitspraak van Jehovah.” 59  „Want dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Ik moet ook met u doen net zoals gij hebt gedaan,+ omdat gij de eed hebt veracht door [mijn] verbond* te verbreken.+ 60  En ik, ikzelf, moet gedachtig zijn aan mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd,+ en ik moet voor u een voor onbepaalde tijd durend verbond oprichten.+ 61  En gij zult stellig terugdenken aan uw wegen+ en u te schande gemaakt voelen wanneer gij uw zusters ontvangt, degenen ouder dan gij zowel als degenen jonger dan gij, en ik zal hen stellig aan u geven als dochters,+ maar niet op grond van uw verbond.’+ 62  ’En ik, ikzelf, wil mijn verbond met u oprichten;+ en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben, 63  opdat gij de herinnering bewaart en u werkelijk schaamt+ en gij geen enkele reden meer krijgt om [uw] mond te openen+ wegens uw schande, wanneer ik verzoening voor u doe+ voor alles wat gij hebt gedaan’, is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.”

Voetnoten

Lett.: „een myriade; tienduizend.”
Lett.: „naaktheid en blootheid.”
De betekenis van deze Hebr. uitdr. is onzeker. LXX: „en gij zult geenszins binnengaan, noch zal het ooit geschieden”; Vg: „zoals het niet geschied is, noch geschieden zal.”
Of: „en er trouweloze gemeenschap mee te hebben.” Hebr.: wat·tiz·ni·vamʹ; Lat.: et for·ni·caʹta es in eʹis.
Of: „kalmerende; rustgevende.”
„Mijn zonen”, MSyVg; LXX en acht Hebr. hss.: „uw zonen (kinderen).”
Of: „torus; verhevenheid”, aan de voet van een altaar, kennelijk voor immorele doeleinden.
Of: „geslachtsorgaan.” Vgl. Le 15:2, 3.
Mogelijk: „O hoe week is uw hart!”
Of: „die in het huwelijk (seksueel) ontrouw is.” Hebr.: ham·mena·ʼaʹfeth; Gr.: he moi·choʹme·ne; Lat.: a·dulʹte·ra. Zie Mt 5:32 vtn., „Overspel”.
Mogelijk: „menstruatie.”
„Onderhorige plaatsen.” Lett.: „dochters.”
„Zij”, in het Hebr. vr., doelend op „Sodom” en haar „onderhorige plaatsen [lett.: dochters]”.
„Het mij [goed] toescheen”, MLXX; Vg: „gij gezien hebt.”
„Ik wil ook . . . vergaderen”, TLXXSyVg.
„Syrië (Aram)”, MTLXXVg; Sy en veel Hebr. hss. en gedrukte uitg.: „Edom.”
„Mijn verbond”, LXXSy.