Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezechiël 13:1-23

13  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde:  „Mensenzoon, profeteer betreffende de profeten van I̱sraël die profeteren,+ en gij moet zeggen tot degenen die uit hun eigen hart profeteren:+ ’Hoort het woord van Jehovah.+  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Wee de verstandeloze+ profeten, die hun eigen geest* volgen,+ terwijl er niets is dat zij gezien hebben!+  Gelijk vossen in de verwoeste plaatsen zijn uw eigen profeten geworden, o I̱sraël.+  Gijlieden zult stellig niet in de bressen klimmen,+ noch zult GIJ een stenen muur optrekken+ ten behoeve van het huis van I̱sraël, om stand te houden in de strijd* op de dag van Jehovah.”+  „Zij hebben iets wat onwaar is en een leugenachtige waarzegging geschouwd,+ zij die zeggen: ’De uitspraak van Jehovah is’, terwijl Jehovah zelf hen niet heeft gezonden, en zij hebben gewacht op het uitkomen van een woord.+  Is het niet een onwaar visioen dat gijlieden hebt geschouwd, en een leugenachtige waarzegging die GIJ hebt gesproken, door te zeggen: ’De uitspraak van Jehovah is’, terwijl ikzelf niets heb gesproken?”’+  ’Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „’Omdat gijlieden onwaarheid hebt gesproken en GIJ een leugen hebt geschouwd, daarom, ziet, ben ik tegen U’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.”  En mijn hand is gekomen tegen de profeten die onwaarheid schouwen en die een leugen waarzeggen.+ In de intieme+ groep van mijn volk zullen zij niet blijven, en in het register* van het huis van I̱sraël zullen zij niet geschreven worden,+ en op I̱sraëls bodem zullen zij niet komen;+ en gijlieden* zult moeten weten dat ik de Soevereine Heer Jehovah ben,+ 10  omdat, ja, omdat zij mijn volk op een dwaalspoor gebracht hebben, door te zeggen: „Er is vrede!”, terwijl er geen vrede is,+ en er is iemand die een scheidsmuur bouwt, maar tevergeefs+ zijn er die hem met witkalk bepleisteren.’+ 11  Zeg tot degenen die met witkalk pleisteren, dat hij zal vallen. Een overstromende stortregen zal stellig plaatsvinden en GIJ, o hagelstenen, zult vallen,* en zelfs het geblaas* van stormwinden zal [hem] doen splijten.+ 12  En zie! de muur moet vallen. Zal niet tot ulieden worden gezegd: ’Waar is de pleisterlaag* waarmee GIJ gepleisterd hebt?’+ 13  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Ik wil ook een geblaas van stormwinden doen losbreken in mijn woede, en in mijn toorn zal er een overstromende stortregen plaatsvinden, en in woede zullen er hagelstenen zijn ter verdelging.+ 14  En ik wil de muur die gijlieden met witkalk hebt bepleisterd, omverhalen en hem in aanraking brengen met de aarde, en zijn fundament moet blootgelegd worden.+ En ze* zal stellig vallen en GIJ moet midden in haar UW einde vinden; en GIJ zult moeten weten dat ik Jehovah ben.’+ 15  ’En ik wil mijn woede tot voltooiing brengen tegen de muur en tegen degenen die hem met witkalk bepleisteren, en ik zal tot ulieden zeggen: „De muur is niet meer en degenen die hem bepleisteren zijn niet meer,+ 16  de profeten van I̱sraël die tot Jeru̱zalem profeteren en die voor haar een visioen van vrede schouwen,+ terwijl er geen vrede is”’, is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.+ 17  En wat u betreft, o mensenzoon, richt uw aangezicht+ tegen de dochters van uw volk die uit hun eigen hart als profetessen+ optreden,+ en profeteer tegen hen. 18  En gij moet zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Wee de vrouwen die banden aaneennaaien op alle ellebogen* en sluiers maken op hoofden van elke grootte om op zielen* te jagen!+ Zijn de zielen waarop GIJ vrouwen jaagt die welke mijn volk toebehoren, en de zielen welke U toebehoren die welke GIJ in het leven houdt? 19  En zult GIJ mij tegenover mijn volk ontheiligen voor de handen vol gerst en voor de stukken brood,+ om de zielen ter dood te brengen die niet behoorden te sterven+ en om de zielen in het leven te houden die niet behoorden te leven, door UW leugen tegen mijn volk, de hoorders van een leugen?”’+ 20  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Ziet, ik ben tegen de banden van U, vrouwen, waarmee GIJ op de zielen jaagt alsof het vliegende dingen waren,* en ik wil ze van UW armen afscheuren en de zielen laten gaan* waarop GIJ jaagt, zielen* alsof het vliegende dingen waren.+ 21  En ik wil UW sluiers wegscheuren en mijn volk uit UW hand bevrijden, en zij zullen in UW hand niet meer iets blijken te zijn dat op de jacht gevangen is; en GIJ zult moeten weten dat ik Jehovah ben.+ 22  Omdat GIJ met leugen+ het hart van een rechtvaardige moedeloos hebt gemaakt, terwijl ikzelf hem geen smart had aangedaan, en omdat GIJ de handen van een goddeloze hebt gesterkt,+ zodat hij niet zou terugkeren van zijn slechte weg, opdat hij in het leven gehouden zou worden,+ 23  daarom zult GIJ, vrouwen, geen onwaarheid blijven schouwen+ en zult GIJ niet langer waarzeggerij+ bedrijven;+ en ik wil mijn volk uit UW hand bevrijden,+ en GIJ zult moeten weten dat ik Jehovah ben.’”+

Voetnoten

„Hun eigen geest.” Hebr.: roe·chamʹ; Lat.: spiʹri·tum; Gr.: karʹdi·as, „hart”.
Of: „oorlog.”
Lett.: „geschrift.”
„Gijlieden”, MTSyVg; LXX: „zij”, mv.
Volgens M; LXX: „en ik zal slingerstenen tegen hun voegen geven, en ze zullen vallen”; Vg: „en ik zal zeer grote stenen van boven af doen neerstorten.”
„En . . . het geblaas van.” Hebr.: weroeʹach; Gr.: pneuʹma; Lat.: venʹtum, „wind”.
Of: „pleisterkalk.”
„Ze”, in het Hebr. vr. enk.; niet doelend op de „muur”, in het Hebr. mnl., maar mogelijk op de stad.
Lett.: „handgewrichten.”
„Zielen.” Hebr.: nefa·sjōthʹ, vr. mv.; Gr.: psuʹchas; Lat.: aʹni·mas.
Of: „als op vliegen.”
„Laten gaan.” Lett.: „wegzenden.”
„Zielen.” Hebr.: nefa·sjimʹ, mnl., mv. van neʹfesj, vr. De enige keer dat het in M voorkomt; derhalve waarschijnlijk als chof·sjimʹ, „vrijgelatenen”, te lezen.