Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Efeziërs 5:1-33

5  Wordt daarom navolgers van God,+ als geliefde kinderen,  en blijft in liefde wandelen,+ zoals ook de Christus U heeft liefgehad+ en zich voor U heeft overgeleverd als een offergave+ en een slachtoffer, tot een welriekende geur voor God.+  Laat hoererij+ en allerlei onreinheid of hebzucht*+ onder U zelfs niet ter sprake komen,+ zoals het heiligen past;+  ook geen schandelijk gedrag+ noch dwaas gepraat noch ontuchtig+ gescherts, dingen die niet welvoeglijk zijn, doch veeleer dankzegging.+  Want dit weet en erkent GIJ, dat geen hoereerder+ of onreine of hebzuchtige+ — hetgeen wil zeggen een afgodendienaar [te zijn] — enig erfdeel heeft in het koninkrijk van de Christus en van God.*+  Laat niemand U met ijdele woorden bedriegen,+ want wegens de voornoemde* dingen komt de gramschap van God over de zonen der ongehoorzaamheid.+  Wordt daarom niet hun deelgenoten;+  want eens waart GIJ duisternis,+ maar nu zijt GIJ licht+ in verband met [de] Heer. Blijft als kinderen van het licht wandelen,  want de vrucht van het licht bestaat in elke soort van goedheid en rechtvaardigheid en waarheid.+ 10  Blijft U ervan vergewissen wat de Heer welgevallig is,+ 11  en hebt niet langer met [hen] deel+ aan de onvruchtbare werken die tot de duisternis behoren,+ maar wijst [ze] veeleer zelfs terecht,+ 12  want de dingen die door hen in het geheim worden gedaan, zijn te schandelijk om zelfs ook maar te vertellen.+ 13  Alle dingen nu die worden terechtgewezen,+ worden door het licht openbaar gemaakt, want alles wat openbaar gemaakt wordt,+ is licht. 14  Daarom zegt hij:* „Ontwaak,+ o slaper, en sta op uit de doden,+ en de Christus zal over u schijnen.”+ 15  Ziet er daarom nauwlettend op toe hoe GIJ wandelt,+ niet als onwijzen, maar als wijzen, 16  de gelegen tijd voor UZELF uitkopend,+ omdat de dagen goddeloos zijn.+ 17  Wordt daarom niet langer onredelijk, maar blijft inzien+ wat de wil+ van Jehovah* is. 18  Bedrinkt+ U ook niet aan wijn, waarin losbandigheid is,+ maar blijft vervuld worden met geest,+ 19  en spreekt tot elkaar met psalmen+ en lofzangen+ voor God en geestelijke liederen, waarbij GIJ zingt+ en UZELF begeleidt met muziek+ in UW hart voor Jehovah,* 20  terwijl GIJ altijd voor alle dingen onze* God en Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus dankzegt.+ 21  Weest aan elkaar onderworpen+ in de vrees van Christus. 22  Laten vrouwen onderworpen zijn+ aan hun man als aan de Heer, 23  want de man is het hoofd van zijn vrouw,+ evenals ook de Christus het hoofd van de gemeente is,+ hij als redder van [dit] lichaam. 24  Ja, evenals de gemeente onderworpen is aan de Christus, zo moeten ook vrouwen het zijn aan hun man, in alles.+ 25  Mannen, blijft UW vrouw liefhebben,+ evenals ook de Christus de gemeente heeft liefgehad en zich voor haar heeft overgeleverd+ 26  om haar te heiligen,+ haar reinigend met het bad des waters door middel van het woord,+ 27  opdat hij de gemeente in haar luister aan zich zou kunnen aanbieden,+ zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar dat ze heilig zou zijn en zonder smet.+ 28  Aldus behoren mannen hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief, 29  want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het,+ zoals ook de Christus dit doet ten aanzien van de gemeente, 30  want wij zijn leden van zijn lichaam.+ 31  „Daarom zal een man [zijn] vader en [zijn] moeder verlaten en hij zal zich hechten aan zijn vrouw, en de twee zullen één vlees worden.”+ 32  Dit heilige geheim+ is groot. Nu spreek ik met betrekking tot Christus en de gemeente.+ 33  Laat niettemin ook een ieder van U afzonderlijk zijn vrouw zo liefhebben+ als zichzelf; de vrouw daarentegen moet diepe achting+ voor haar man hebben.

Voetnoten

Of: „begerigheid.” Lett.: „meer-hebben”, d.w.z. een meer-willen-hebben; onverzadigbaarheid. Gr.: ple·o·neʹxi·a.
Zie App. 6E.
Of: „wegens deze.”
Of: „Daarom staat er.”
„Van Jehovah”, J7,8; אD(Gr.): tou Kuʹri·ou; AVgcSyp: „van God”; B: „van onze Heer”; P46: „van de Christus.” Zie App. 1D.
Zie App. 1D.
Lett.: „de.”