Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Daniël 9:1-27

9  In het eerste jaar van Dari̱us,+ de zoon van Ahasve̱ros,* uit het zaad der Meden,+ die koning was gemaakt over het koninkrijk der Chaldeeën,+  in het eerste jaar van zijn regering, onderscheidde ik, Da̱niël, zelf aan de hand van de boeken het getal der jaren waarover het woord van Jehovah* tot de profeet Jeremi̱a was gekomen,+ om de verwoestingen van Jeru̱zalem te vervullen,+ [namelijk] zeventig jaar.+  Toen richtte ik mijn aangezicht+ op Jehovah,* de [ware] God,* ten einde [hem] te zoeken met gebed+ en met smekingen, met vasten en zak en as.+  Ik bad dan tot Jehovah, mijn God, en deed belijdenis en zei:+ „Ach Jehovah,* de [ware] God,* de grote+ en de vrees inboezemende [God], die het verbond en de liefderijke goedheid*+ in acht neemt+ jegens hen die hem liefhebben en jegens hen die zijn geboden onderhouden,+  wij hebben gezondigd+ en onrecht gedaan en goddeloos gehandeld en zijn weerspannig geweest;+ en er is van uw geboden en van uw rechterlijke beslissingen afgeweken.+  En wij hebben niet geluisterd naar uw knechten, de profeten,+ die in uw naam tot onze koningen, onze vorsten en onze voorvaders en tot heel het volk van het land* hebben gesproken.+  Aan u, o Jehovah,* behoort de rechtvaardigheid, maar aan ons de schaamte van aangezicht, zoals op deze dag,+ aan de mannen* van Ju̱da en aan de inwoners van Jeru̱zalem en aan allen van I̱sraël, degenen die dichtbij zijn en degenen die ver weg zijn in alle landen waarheen gij hen verdreven hebt wegens hun ontrouw waarmee zij tegen u gehandeld hebben.+  O Jehovah,* aan ons behoort de schaamte van aangezicht, aan onze koningen, aan onze vorsten en aan onze voorvaders, want wij hebben tegen u gezondigd.+  Aan Jehovah,* onze God,* behoren de barmhartigheden+ en de daden van vergeving,+ want wij zijn weerspannig tegen hem geweest.+ 10  En wij hebben de stem van Jehovah, onze God, niet gehoorzaamd* door in zijn wetten te wandelen die hij ons heeft voorgelegd door de hand van zijn knechten, de profeten.+ 11  En allen van I̱sraël hebben uw wet overtreden, en men is afgeweken door uw stem niet te gehoorzamen,+ zodat gij over ons hebt uitgestort de vloek en de gezworen eed+ die geschreven staat in de wet van Mo̱zes, de knecht van de [ware] God, want wij hebben tegen Hem* gezondigd. 12  Vervolgens heeft hij zijn woorden gestand gedaan die hij tegen ons+ en tegen onze rechters die ons richtten, gesproken had,+ door over ons grote rampspoed te brengen, zodat er zich onder de ganse hemel niet iets dergelijks heeft voorgedaan als zich in Jeru̱zalem voorgedaan heeft.+ 13  Juist zoals het in de wet van Mo̱zes geschreven staat,+ heel deze rampspoed — die is over ons gekomen,+ en wij hebben het aangezicht van Jehovah, onze God,* niet vermurwd door ons van onze dwaling af te keren+ en door inzicht te tonen in uw waarachtigheid.+ 14  En Jehovah bleef wakker ten aanzien van de rampspoed en bracht die ten slotte over ons,+ want Jehovah, onze God, is rechtvaardig in al zijn werken die hij gedaan heeft; en wij hebben zijn stem niet gehoorzaamd.*+ 15  Nu dan, o Jehovah* onze God, gij die uw volk met een sterke hand uit het land Egy̱pte hebt geleid+ en u vervolgens een naam hebt gemaakt, zoals op deze dag,+ wij hebben gezondigd,+ wij hebben goddeloos gehandeld. 16  O Jehovah,* mogen, naar al uw daden van rechtvaardigheid,+ uw toorn en uw woede zich alstublieft afwenden van uw stad Jeru̱zalem, uw heilige berg;+ want wegens onze zonden en wegens de dwalingen van onze voorvaders+ zijn Jeru̱zalem en uw volk een voorwerp van smaad voor allen rondom ons.+ 17  Nu dan, o onze God,* luister naar het gebed van uw knecht en naar zijn smekingen, en doe uw aangezicht lichten+ over uw heiligdom, dat woest en verlaten ligt,+ ter wille van Jehovah.* 18  Neig uw oor, o mijn God, en hoor.+ Open toch uw ogen en zie onze desolate toestanden en de stad die naar uw naam genoemd is;*+ want niet op grond van onze rechtvaardige daden laten wij onze smekingen voor u neervallen,+ maar op grond van uw vele barmhartigheden.+ 19  O Jehovah,* hoor toch.+ O Jehovah,* vergeef toch.+ O Jehovah,* schenk toch aandacht en handel.+ Stel niet uit,+ ter wille van uzelf, o mijn God, want uw eigen naam is over uw stad en over uw volk uitgeroepen.”+ 20  Terwijl ik nog sprak en bad en mijn zonde+ en de zonde van mijn volk I̱sraël beleed+ en mijn verzoek om gunst voor Jehovah, mijn God, liet neervallen betreffende de heilige berg+ van mijn God, 21  en [terwijl] ik nog sprak in het gebed, zie, daar kwam de man* Ga̱briël,*+ die ik in het begin in het visioen gezien had,+ uitgeput geraakt van vermoeidheid,* bij mij aan ten tijde van de avondoffergave.+ 22  Vervolgens verleende hij mij verstand en sprak met mij en zei: „O Da̱niël, nu ben ik uitgegaan om u inzicht met verstand te verlenen.+ 23  Bij het begin van uw smekingen is er een woord uitgegaan, en ikzelf ben gekomen om verslag uit te brengen, want gij zijt een zeer begeerd [man].+ Geef dus acht+ op de zaak en heb verstand met betrekking tot het gezicht. 24  Zeventig weken* zijn vastgesteld* over uw volk+ en over uw heilige stad,+ om de overtreding te doen eindigen+ en aan zonde een eind te maken+ en verzoening te doen* voor dwaling+ en om voor onbepaalde tijden rechtvaardigheid in te voeren+ en een zegel te drukken+ op* visioen en profeet,* en om het Heilige der Heiligen* te zalven.+ 25  En gij dient te weten en het inzicht te hebben [dat] er vanaf het uitgaan van [het] woord+ om Jeru̱zalem te herstellen en te herbouwen+ tot op Messi̱as*+ [de] Leider,+ zeven weken, alsook tweeënzestig weken, zullen zijn.+ Ze zal terugkeren en werkelijk herbouwd worden, met een openbaar plein en een gracht, maar in de druk der tijden. 26  En na de tweeënzestig weken zal [de] Messi̱as* worden afgesneden,+ met niets* voor zichzelf.+ En de stad en de heilige plaats+ zullen door het volk van een leider die komt, ten verderve worden gebracht.+ En het einde ervan* zal door de vloed zijn. En tot [het] einde zal er oorlog zijn; datgene waartoe besloten is, is verwoestingen.+ 27  En hij moet [het] verbond+ voor de velen* één week lang van kracht laten blijven;*+ en op de helft van de week zal hij slachtoffer en offergave doen ophouden.+ En op de vleugel* van walgelijkheden zal degene komen die verwoesting veroorzaakt;+ en totdat een verdelging [voltrokken is], zal zich dan juist datgene waartoe besloten is, ook over degene die woest ligt,* uitstorten.”*+

Voetnoten

„Ahasveros”, MLXXBagsterSyVg; LXX: „Xerxes.”
„Jehovah.” Hebr.: Jehwahʹ; Gr.: tei gei, „tot de aarde”. In een korte, in Journal of Biblical Literature, Jg. 40, 1921, blz. 86, verschenen mededeling schreef James A. Montgomery „dat τῃ γῃ [tei gei] een overblijfsel van het Hebreeuwse Tetragrammaton is, d.w.z. ΤΗΓΗ = ΓΙΓΙ, in de patristische overlevering de transliteratie van יהוה. De afwijking is waarschijnlijk ontstaan door een nieuwe verdeling van de verticale lijnen . . . . In de vorm ΤΗΓΗ was de transliteratie enigermate zinnig en is ze dus bewaard gebleven.”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„De [ware] God.” Hebr.: ha·ʼElo·himʹ, met het bep. lw. ha, „de”, vóór ʼElo·himʹ voor nadruk; Gr.: ton Theʹon; Lat.: Deʹum. Zie App. 1F.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
„De [ware] God.” Hebr.: ha·ʼElʹ; Gr.: ho Theʹos; Lat.: Deʹus. Zie App. 1G.
Of: „en de loyale liefde.” Hebr.: weha·cheʹsedh.
Zie Ez 7:27 vtn.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
Of: „aan een ieder.” Hebr.: leʼisjʹ.
„Jehovah”, L.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
„Onze God.” Hebr.: ʼElo·hēʹnoe, mv.
Of: „niet naar de stem . . . geluisterd.”
„Hem”, MLXXSyVg; veel Hebr. hss.: „u.”
Zie vs. 9 vtn., „God”.
Of: „niet naar zijn stem geluisterd.”
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
Zie vs. 9 vtn., „God”.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
Lett.: „waarover uw naam is uitgeroepen.”
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
Zie vs. 3 vtn., „Jehovah”.
„Zie, . . . de man.” Hebr.: weha·ʼisjʹ; Gr.: kai iʹdou ho aʹner; Lat.: ecʹce vir.
Zie 8:16 vtn., „Gabriël”.
Volgens M; LXX: „ijlings meegevoerd”; Vg: „ijlings gevlogen.”
„Zeventig weken.” Hebr.: sja·voe·ʽimʹ sjiv·ʽimʹ; d.w.z. 70 jaarweken ofte wel in totaal 490 jaar. Van „jaarweek” wordt gesproken in de joodse misjna in Baba Metzia 9,10 en in Sanhedrin 5,1. Vgl. Le 25:8 vtnn.
Of: „zijn bepaald (verordend).” Lett.: „zijn gesneden (afgesneden).” Hebr.: nech·takhʹ.
Of: „en [dwaling] te verzoenen.” Hebr.: oe·lekhap·perʹ.
Of: „en [visioen . . .] te bevestigen”; of: „en aan . . . autoriteit (gezag; volmacht; machtiging) te geven.” Lett.: „en . . . te verzegelen.” Hebr.: welach·tomʹ.
„Profeet”, d.w.z. de profetie.
Of: „het Allerheiligste.” Hebr.: Qoʹdhesj Qo·dha·sjimʹ. Vgl. Nu 18:10; 1Kon (6:16; 7:50; 8:6).
Of: „Gezalfde.” Hebr.: Ma·sjiʹach; LXXBagster(Gr.): Chriʹstou; Syr.: Mesji·chaʼ, „de Messias”; Lat.: Chriʹstum.
Zie vs. 25 vtn.
Of: „niemand.”
Of: „van hem”, in het Hebr. mnl.; niet doelend op de „stad”, vr.
Of: „voor de groten.” Hebr.: la·rab·bimʹ; LXXBagster(Gr.): polʹlois; Lat.: mulʹtis.
Lett.: „En hij moet een verbond . . . sterk maken.”
Of: „het uiteinde.” Hebr.: kenafʹ.
Mogelijk: „degene die verwoesting veroorzaakt.” Hebr.: sjo·memʹ, een deelwoord dat ontstaan is uit het eerder in dit vs. voorkomende poʹʽel-deelwoord mesjo·memʹ, „degene . . . die verwoesting veroorzaakt”. Zie 8:13 vtn.
Of: „zal dan . . . worden uitgestort.”