Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Daniël 3:1-30

3  Koning Nebukadne̱zar maakte een beeld+ van goud, waarvan de hoogte zestig el [en] waarvan de breedte zes el was. Hij richtte het op in de vlakte van Du̱ra, in het rechtsgebied Ba̱bylon.+  En Nebukadne̱zar zelf als koning liet de satrapen, de prefecten+ en de stadhouders, de raadslieden, de schatmeesters, de rechters, de politiemagistraten+ en alle bestuurders van de rechtsgebieden bijeenroepen om naar de inwijding+ te komen van het beeld dat koning Nebukadne̱zar had opgericht.  Terstond kwamen de satrapen,+ de prefecten en de stadhouders, de raadslieden, de schatmeesters, de rechters, de politiemagistraten en alle bestuurders van de rechtsgebieden bijeen voor de inwijding van het beeld dat koning Nebukadne̱zar had opgericht, en zij stonden vóór het beeld dat Nebukadne̱zar had opgericht.  En de heraut*+ riep luidkeels: „Tot U wordt gezegd, o volken, nationale groepen en talen,+  dat GIJ op het moment dat GIJ het geluid van de hoorn, de schalmei, de citer, de driehoekige harp, het snaarinstrument, de doedelzak en allerlei muziekinstrumenten hoort,+ neervalt en het gouden beeld aanbidt dat koning Nebukadne̱zar heeft opgericht.  En al wie niet neervalt en aanbidt,+ zal op hetzelfde ogenblik+ in de brandende vuuroven geworpen worden.”+  Hierom vielen, terzelfder tijd dat alle volken het geluid van de hoorn, de schalmei, de citer, de driehoekige harp, het snaarinstrument en allerlei muziekinstrumenten hoorden, alle volken,+ nationale groepen en talen neer [en] aanbaden het gouden beeld dat koning Nebukadne̱zar had opgericht.  Hierom traden terzelfder tijd zekere Chaldeeën* naderbij en beschuldigden de joden.*+  Zij namen het woord, en zij zeiden tot koning Nebukadne̱zar: „O koning, blijf in leven, ja, voor onbepaalde tijden.+ 10  Gijzelf, o koning, hebt het gebod uitgevaardigd dat iedereen die het geluid van de hoorn, de schalmei, de citer, de driehoekige harp, het snaarinstrument, en de doedelzak en allerlei muziekinstrumenten hoort,+ dient neer te vallen en het gouden beeld dient te aanbidden; 11  en dat al wie niet zou neervallen en aanbidden, in de brandende vuuroven geworpen dient te worden.+ 12  Er zijn zekere joden* die gij hebt belast met het bestuur van het rechtsgebied Ba̱bylon,+ Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go; deze fysiek sterke mannen hebben geen aandacht aan u geschonken, o koning, zij dienen úw goden* niet, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, aanbidden zij niet.”+ 13  Terstond zei Nebukadne̱zar in woede en verbolgenheid,+ Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go+ te halen. Dientengevolge werden deze fysiek sterke mannen voor de koning gebracht. 14  Nebukadne̱zar nam het woord en zei tot hen: „Is het werkelijk zo, o Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go, dat GIJ míȷ́n goden*+ niet dient en het gouden beeld dat ik heb opgericht, niet aanbidt?+ 15  Nu, indien GIJ bereid zijt, zodat GIJ zodra GIJ het geluid van de hoorn, de schalmei, de citer, de driehoekige harp, het snaarinstrument, en de doedelzak en allerlei muziekinstrumenten hoort,+ neervalt en het beeld aanbidt dat ik gemaakt heb, [goed]. Maar indien GIJ niet aanbidt, zult GIJ op datzelfde ogenblik in de brandende vuuroven worden geworpen. En wie is die god* die U uit mijn handen kan verlossen?”+ 16  Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go antwoordden, en zij zeiden tot de koning: „O Nebukadne̱zar, het is voor ons niet noodzakelijk u hieromtrent een woord terug te zeggen.+ 17  Als het moet, kan onze God* die wij dienen, ons verlossen. Uit de brandende vuuroven en uit uw hand, o koning, zal hij [ons] verlossen.+ 18  Maar zo niet, het worde u bekend, o koning, dat wij úw goden* niet dienen, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, zullen wij stellig niet aanbidden.”+ 19  Toen was het dat Nebukadne̱zar zelf vervuld werd met verbolgenheid, en zelfs de uitdrukking van zijn gezicht veranderde ten aanzien van Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go. Hij nam het woord en zei dat men de oven zevenmaal meer moest verhitten dan men gewoon was hem te verhitten. 20  En tot zekere fysiek sterke mannen met vitale kracht+ die in zijn krijgsmacht waren, zei hij Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go te binden ten einde [hen] in de brandende vuuroven te werpen.+ 21  Toen was het dat deze fysiek sterke mannen gebonden werden in hun mantels, hun kleren en hun mutsen en hun andere kleding en in de brandende vuuroven werden geworpen. 22  Louter omdat het woord van de koning streng was en de oven bovenmatig verhit was, werden deze fysiek sterke mannen die Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go naar boven brachten, zelf door de vuurvlam gedood. 23  Maar deze [andere] fysiek sterke mannen, die drie, Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go, vielen gebonden midden in de brandende vuuroven.*+ 24  Terstond sloeg koning Nebukadne̱zar zelf de schrik om het hart en hij stond ijlings op. Hij nam het woord en zei tot zijn hoge koninklijke beambten: „Hebben wij niet dríé fysiek sterke mannen gebonden midden in het vuur geworpen?”+ Zij antwoordden en zeiden tot de koning: „Ja, o koning.” 25  Hij antwoordde en zei: „Ziet! Ik aanschouw vier fysiek sterke mannen die midden in het vuur vrij rondlopen, en er is geen letsel aan hen, en het uiterlijk van de vierde gelijkt op dat van een zoon der goden.”*+ 26  Toen was het dat Nebukadne̱zar op de deur van de brandende vuuroven toetrad.+ Hij nam het woord en zei: „Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go, GIJ dienaren van de Allerhoogste God,*+ treedt naar buiten en komt hier!” Terstond traden Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go vanuit het midden van het vuur naar buiten. 27  En de satrapen, de prefecten en de stadhouders en de hoge beambten+ van de koning die bijeen waren, aanschouwden deze fysiek sterke mannen, dat het vuur geen macht had gehad over hun lichaam+ en geen haar van hun hoofd+ geschroeid was en zelfs hun mantels niet veranderd waren en niet eens de reuk van het vuur aan hen was gekomen. 28  Nebukadne̱zar nam het woord en zei: „Gezegend zij de God van Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go,+ die zijn engel heeft gezonden+ en zijn dienaren heeft verlost, die op hem vertrouwden+ en die zelfs het woord van de koning veranderden* en hun lichaam overgaven, omdat zij geen enkele god wilden dienen+ en aanbidden+ behalve hun eigen God.*+ 29  En door mij wordt een bevel uitgevaardigd+ dat welk volk, welke nationale groep of welke taal maar ook die iets miszegt tegen de God van Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go, in stukken gehouwen dient te worden+ en zijn huis in een openbaar privaat veranderd dient te worden,+ aangezien er geen andere god* bestaat die zo kan bevrijden als deze.”+ 30  Terstond zorgde de koning er zelf voor dat het Sa̱drach, Me̱sach en Abedne̱go goed ging in het rechtsgebied Ba̱bylon.*+

Voetnoten

„En de heraut.” Aram.: wekha·rō·zaʼʹ, afgeleid van het Oud-Perzische zn. xrausa, „roeper”; Gr.: keʹrux; Lat.: praeʹco. Zie 5:29 vtn., „Af”.
Lett.: „fysiek sterke mannen, Chaldeeën.” Aram.: goev·rinʹ Kas·da·ʼinʹ.
Of: „lasterden de joden.” Lett.: „aten de stukken [van het lijf gescheurd vlees] van de joden.”
Lett.: „fysiek sterke mannen, joden.” Aram.: goev·rinʹ Jehoe·dhaʼ·jinʹ.
„Úw goden.” Aram.: leʼ·la·haikhʹ; LXXBagster(Gr.): theʹois; Lat.: deʹos.
„Míȷ́n goden.” Aram.: leʼ·la·haiʹ.
„God.” Aram.: ʼelahʹ.
„Onze God.” Aram.: ʼEla·haʹnaʼ.
„Úw goden.” Aram.: leʼ·la·haikhʹ.
Hier bevatten LXXVg een lange inlassing, en pas in hun vs. 91 nemen ze de weergave van M weer op.
„Gelijkt op dat van een zoon der goden.” Aram.: da·mehʹ levar-ʼela·hinʹ; Gr.: theʹou; Syr.: ʼa·la·hin.
„De Allerhoogste God.” Aram.: ʼEla·haʼʹ ʽIl·lai·ʼaʹ. Zie 5:18 vtn.
Of: „tenietdeden.”
„Hun eigen God.” Aram.: lEʼ·la·hahōnʹ.
„God.” Aram.: ʼelahʹ.
In Sy eindigt hier hfdst. 3; in MLXXBagsterVg loopt hfdst. 3 nog drie vss. door.