Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Thessalonicenzen 1:1-12

1  Pa̱u̱lus en Silva̱nus* en Timo̱theüs+ aan de gemeente van de Thessalonicenzen in eendracht met God, onze Vader, en [de] Heer Jezus Christus:  Mogen onverdiende goedheid en vrede U ten deel vallen van God, de Vader, en [de] Heer Jezus Christus.+  Wij zijn verplicht God altijd voor U te danken,+ broeders, zoals gepast is, omdat UW geloof op buitengewone wijze groeit+ en de liefde jegens elkaar van een ieder van U zonder uitzondering, toeneemt.+  Vandaar dat wijzelf trots op U zijn+ onder de gemeenten van God wegens UW volharding en geloof in al UW vervolgingen en de verdrukkingen die GIJ verdraagt.+  Dit is een bewijs van het rechtvaardige oordeel van God,+ hetgeen ertoe leidt dat U het koninkrijk Gods waardig wordt geacht,+ waarvoor GIJ ook lijdt.+  Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het van Gods zijde rechtvaardig is verdrukking te vergelden* aan hen die voor U verdrukking veroorzaken,+  maar aan U die verdrukking lijdt, verlichting te zamen met ons bij de openbaring*+ van de Heer Jezus vanuit de hemel met zijn krachtige engelen,+  in een vlammend vuur, wanneer hij wraak* oefent+ over hen die God niet kennen+ en over hen die het goede nieuws omtrent onze Heer Jezus niet gehoorzamen.+  Dezen zullen de gerechtelijke straf+ van eeuwige vernietiging+ ondergaan, ver van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van zijn sterkte,+ 10  wanneer hij komt om verheerlijkt te worden in verband met zijn heiligen+ en om op die dag met verbazing beschouwd te worden in verband met allen die geloof hebben geoefend, omdat het getuigenis* dat wij hebben gegeven, bij U geloof heeft gevonden. 11  Ja, juist met dat doel bidden wij altijd voor U, dat onze God U [zijn] roeping+ waardig moge achten en al het goede dat hem behaagt en het werk des geloofs met kracht volledig moge volbrengen, 12  opdat de naam van onze Heer Jezus in U verheerlijkt moge worden+ en GIJ in eendracht+ met hem, overeenkomstig de onverdiende goedheid+ van onze God en van de Heer Jezus Christus.*

Voetnoten

Of: „Silas.”
Lett.: „in plaats [daarvan] terug te geven.”
Of: „onthulling.” Gr.: a·po·ka·luʹpsei.
„Wraak.” Gr.: ek·di·keʹsin; Lat.: vin·dicʹtam.
„Getuigenis.” Gr.: mar·tuʹri·on; Lat.: te·sti·moʹni·um.
Zie App. 6E.