Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 9:1-31

9  En de koningin van Sche̱ba+ zelf hoorde het bericht omtrent Sa̱lomo, en zij kwam toen te Jeru̱zalem om Sa̱lomo met ingewikkelde vragen op de proef te stellen,+ samen met een zeer indrukwekkend gevolg en kamelen+ die beladen waren met balsemolie,+ en een grote hoeveelheid goud,+ en edelstenen.+ Ten slotte kwam zij bij Sa̱lomo en sprak met hem over alles wat haar na aan het hart lag.+  Sa̱lomo op zijn beurt verklaarde haar voorts al haar zaken,+ en geen zaak was voor Sa̱lomo verborgen die hij haar niet verklaarde.+  Toen nu de koningin van Sche̱ba Sa̱lomo’s wijsheid+ zag, alsmede het huis dat hij had gebouwd,+  en het voedsel van zijn tafel+ en het aanzitten van zijn dienaren en de tafeldienst* van zijn bedienden en hun kledij+ en zijn schenkers+ en hun kledij, en zijn brandoffers+ die hij geregeld bracht in het huis van Jehovah,+ bleek er voorts geen geest meer in haar te zijn.  Zij zei dan tot de koning: „Het woord was waar dat ik in mijn eigen land over uw zaken en over uw wijsheid heb gehoord.+  En ik stelde geen geloof+ in hun woorden totdat ik gekomen was opdat ik het met eigen ogen kon zien;+ en zie! men heeft mij nog niet de helft verteld van de overvloed van uw wijsheid.+ Gij hebt het bericht dat ik heb gehoord, overtroffen.+  Gelukkig+ zijn uw mannen, en gelukkig zijn deze dienaren van u, die voortdurend vóór u staan en naar uw wijsheid luisteren.+  Moge Jehovah, uw God, gezegend worden,+ die behagen in u heeft gehad,+ zodat hij u op zijn troon heeft geplaatst+ als koning voor Jehovah, uw God;+ want uw God heeft I̱sraël liefgehad,+ om het tot onbepaalde tijd staande te houden, zodat hij u tot koning+ over hen heeft aangesteld om recht+ en rechtvaardigheid+ te oefenen.”  Toen gaf zij de koning honderd twintig talenten* goud+ en balsemolie+ in zeer grote hoeveelheid en edelstenen;+ en die balsemolie welke de koningin van Sche̱ba aan koning Sa̱lomo gaf, had haar weerga nog niet gevonden.+ 10  En bovendien brachten de knechten van Hi̱ram+ en de knechten van Sa̱lomo die goud uit O̱fir haalden,+ stammen van algummimbomen+ en edelstenen+ mee. 11  Voorts maakte de koning van de stammen van de algummimbomen trappen+ voor het huis van Jehovah en voor het huis van de koning+ en ook harpen+ en snaarinstrumenten+ voor de zangers,+ en nog nooit tevoren waren er zulke in het land van Ju̱da gezien. 12  En van zijn kant gaf koning Sa̱lomo aan de koningin+ van Sche̱ba al haar welbehagen waarom zij gevraagd had, benevens [de waarde van] wat zij de koning gebracht had. Zij dan keerde zich om en ging naar haar eigen land, zij met haar dienaren.+ 13  En het gewicht van het goud dat in één jaar bij Sa̱lomo inkwam, bedroeg zeshonderd zesenzestig talenten* goud,+ 14  afgezien van [wat] de reizende mannen* en de kooplieden+ inbrachten en van [wat] alle koningen van de Arabieren+ en de stadhouders van het land aan goud en zilver bij Sa̱lomo brachten. 15  Vervolgens maakte koning Sa̱lomo tweehonderd grote schilden van gelegeerd goud+ (zeshonderd [sikkelen] gelegeerd goud legde hij voorts op elk groot schild),+ 16  en driehonderd beukelaars van gelegeerd goud (drie minen* goud legde hij voorts op elke beukelaar).+ Toen plaatste de koning ze in het Huis van het Libanonwoud.+ 17  Verder maakte de koning een grote ivoren troon en bekleedde die met zuiver goud.+ 18  En de troon had zes treden, en de troon had een gouden voetbank (ze zaten aan elkaar vast), en er waren armleuningen aan weerskanten van de zitplaats, en twee leeuwen+ stonden naast de armleuningen.+ 19  En er waren twaalf leeuwen+ die daar aan weerskanten op de zes treden stonden. Geen enkel ander koninkrijk had er een die precies als deze was gemaakt.+ 20  En alle drinkvaten+ van koning Sa̱lomo waren van goud,+ en alle vaten van het Huis van het Libanonwoud+ waren van zuiver goud. Er was niets van zilver; dat werd in de dagen van Sa̱lomo als volkomen niets geacht.+ 21  Want schepen behorend aan de koning voeren met de knechten van Hi̱ram+ naar Ta̱rsis.+ Eens in de drie jaar kwamen er doorgaans schepen van Ta̱rsis binnen, beladen met goud en zilver,+ ivoor,+ en apen en pauwen.+ 22  Zo was koning Sa̱lomo in rijkdom+ en wijsheid+ groter dan alle andere koningen der aarde. 23  En alle koningen der aarde zochten+ het aangezicht van Sa̱lomo om zijn wijsheid te horen,+ die de [ware] God in zijn hart had gelegd.+ 24  En zij brachten dan ieder hun geschenk:+ zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen+ en klederen,+ wapentuig en balsemolie, paarden en muildieren als een jaarlijks terugkerende zaak.+ 25  En Sa̱lomo kwam in het bezit van vierduizend stalboxen voor paarden+ en wagens+ en twaalfduizend rijpaarden,* en hij hield ze gestationeerd in de wagensteden+ en dicht bij de koning in Jeru̱zalem. 26  En hij werd heerser over alle koningen vanaf de Rivier* tot aan het land van de Filistijnen en tot aan de grens van Egy̱pte.+ 27  Voorts maakte de koning het zilver in Jeru̱zalem als de stenen; en cederhout maakte hij zo overvloedig+ als de sycomoorbomen+ die in de Sjefe̱la* zijn.+ 28  En er waren er die voor Sa̱lomo paarden+ haalden uit Egy̱pte+ en uit alle andere landen. 29  Wat de rest van de aangelegenheden van Sa̱lomo betreft,+ de eerste en de laatste, zijn die niet beschreven in de woorden van de profeet Na̱than+ en in de profetie van de Siloniet+ Ahi̱a+ en in het bericht van de visioenen van de visionair I̱ddo*+ over Jero̱beam,+ de zoon van Ne̱bat?+ 30  En Sa̱lomo bleef veertig jaar te Jeru̱zalem over heel I̱sraël regeren. 31  Ten slotte legde Sa̱lomo zich neer bij zijn voorvaders. Men begroef hem derhalve in de Stad van Da̱vid, zijn vader;+ en zijn zoon Reha̱beam+ begon in zijn plaats te regeren.+

Voetnoten

Lett.: „het staan.”
Zie App. 8A.
Zie App. 8A.
Of: „de handelaars.” Mogelijk, door een correctie van M: „de schepen van Tarsis.”
„Drie minen”, Sy en 1Kon 10:17; M: „driehonderd.”
Of: „ruiters.”
D.w.z. de Eufraat.
Of: „het laagland.”
Lett.: „Jedi”, M; Mmarge: „Jedo.” Zie 12:15.