Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 8:1-18

8  Nu geschiedde het na verloop van twintig jaar,+ waarin Sa̱lomo het huis van Jehovah+ en zijn eigen huis had gebouwd,+  dat de steden die Hi̱ram*+ aan Sa̱lomo had gegeven — Sa̱lomo herbouwde ze en liet toen de zonen van I̱sraël daarin wonen.  Bovendien trok Sa̱lomo naar Ha̱math-Zo̱ba en overweldigde het.  Toen herbouwde hij Ta̱dmor* in de wildernis en alle voorraadsteden+ die hij in Ha̱math+ had gebouwd.  Voorts bouwde hij Hoog-Beth-Ho̱ron+ en Laag-Beth-Ho̱ron,+ versterkte steden met muren,+ deuren en grendels,+  en Ba̱älath+ en alle voorraadsteden die van Sa̱lomo waren geworden en alle wagensteden+ en de steden voor de ruiters+ en al het door Sa̱lomo begeerde+ dat hij begeerd had te bouwen in Jeru̱zalem en op de Li̱banon+ en in heel het land van zijn heerschappij.  Wat al het volk betreft dat overgebleven was van de Hethieten+ en de Amorieten+ en de Ferezieten+ en de Hevieten+ en de Jebusieten,+ die geen deel uitmaakten van I̱sraël,+  van hun zonen die na hen overgebleven waren in het land, die door de zonen van I̱sraël niet waren uitgeroeid,+ bleef Sa̱lomo mannen* voor dwangarbeid oproepen,+ tot op deze dag.+  Maar uit de zonen van I̱sraël maakte Sa̱lomo niemand tot slaaf voor zijn werk;+ want zij waren krijgslieden+ en oversten van zijn adjudanten en oversten van zijn wagenmenners+ en van zijn ruiters.+ 10  Dit waren de oversten van de gevolmachtigden+ die tot koning Sa̱lomo behoorden, tweehonderd vijftig, de voormannen over het volk.+ 11  En Farao’s dochter+ werd door Sa̱lomo uit de Stad van Da̱vid opgehaald+ [en gebracht] naar het huis dat hij voor haar had gebouwd,+ want hij zei: „Ofschoon zij een vrouw van mij is, dient zij niet in het huis van Da̱vid, de koning van I̱sraël, te wonen, want de plaatsen waar de ark van Jehovah gekomen is, zijn iets heiligs.”+ 12  Het was toen dat Sa̱lomo brandoffers+ aan Jehovah offerde op het altaar+ van Jehovah dat hij vóór de voorhal had gebouwd,+ 13  ja, als een dagelijks terugkerende+ zaak, om offers te brengen overeenkomstig het gebod van Mo̱zes voor de sabbatten+ en voor de nieuwe manen+ en voor de vastgestelde feesten+ driemaal in het jaar,+ op het feest van de ongezuurde broden+ en op het wekenfeest+ en op het loofhuttenfeest.+ 14  Verder stelde hij de afdelingen+ van de priesters over hun diensten overeenkomstig de regel van zijn vader Da̱vid,+ en de levieten+ op hun dienstposten, om te loven+ en te dienen+ onder het oog van de priesters, als een dagelijks terugkerende zaak,+ en de poortwachters in hun afdelingen voor de verschillende poorten,+ want zo luidde het gebod van Da̱vid, de man van de [ware] God.* 15  En zij weken niet af van het gebod van de koning aan de priesters en de levieten betreffende enige zaak en betreffende de voorraden.+ 16  Zo was al het werk van Sa̱lomo in een gereedgemaakte+ toestand vanaf de dag van de grondlegging van het huis van Jehovah totdat het voltooid was.+ [Zo] was het huis van Jehovah af.+ 17  Het was toen dat Sa̱lomo naar E̱zeon-Ge̱ber+ ging en naar E̱loth+ aan de oever van de zee in het land E̱dom.+ 18  En Hi̱ram+ zond hem door toedoen van zijn knechten geregeld schepen en knechten die de zee kenden,+ en zij gingen dan met Sa̱lomo’s knechten naar O̱fir+ en haalden vandaar vierhonderd vijftig talenten*+ goud+ en brachten dat bij koning Sa̱lomo.+

Voetnoten

„Hiram”, LXXSyVg; M: „Huram.”
„Tadmor”, MLXXSy; Vg: „Palmyra.”
Lett.: „hen.”
„De man van de [ware] God.” Hebr.: ʼisj-ha·ʼElo·himʹ. Zie App. 1F.
Zie App. 8A.