Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

2 Kronieken 7:1-22

7  Zodra Sa̱lomo nu geëindigd had te bidden,+ daalde er vúúr uit de hemel neer+ en verteerde vervolgens het brandoffer+ en de slachtoffers, en Jehovah’s heerlijkheid+ vervulde het huis.  En de priesters konden het huis van Jehovah niet binnengaan,+ omdat Jehovah’s heerlijkheid het huis van Jehovah had vervuld.  En alle zonen van I̱sraël waren toeschouwers toen het vuur neerdaalde en de heerlijkheid van Jehovah op het huis was, en zij bogen+ zich onmiddellijk diep met hun aangezicht ter aarde op het plaveisel en wierpen zich neer+ en dankten Jehovah, „want hij is goed,+ want zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd”.+  En de koning en heel het volk brachten een slachtoffer voor het aangezicht van Jehovah.+  En koning Sa̱lomo offerde vervolgens het slachtoffer bestaande uit tweeëntwintigduizend runderen en honderd twintig duizend schapen.+ Zo werd het huis van de [ware] God door de koning en heel het volk ingewijd.+  En de priesters+ stonden op hun dienstposten, alsook de levieten+ met de instrumenten voor de zang+ ter ere van Jehovah, die koning Da̱vid+ gemaakt had om Jehovah te danken, „want zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde tijd”, zo dikwijls Da̱vid door hun hand lof bracht; en tegenover hen bliezen de priesters luid op de trompetten,+ terwijl alle Israëlieten stonden.  Toen heiligde+ Sa̱lomo het middengedeelte van het voorhof dat vóór het huis van Jehovah was, omdat hij daar de brandoffers+ en de vette stukken van de gemeenschapsoffers opdroeg, want het koperen altaar+ dat Sa̱lomo gemaakt had, kon het brandoffer en het graanoffer+ en de vette stukken+ zelf niet bevatten.  Sa̱lomo dan vierde in die tijd het feest,+ zeven dagen lang, en heel I̱sraël met hem,+ een zeer grote gemeente,*+ vanaf de toegang van Ha̱math+ tot aan het stroomdal van [de beek van] Egy̱pte.+  Maar op de achtste dag hielden zij een plechtige vergadering,+ want de inwijding van het altaar hadden zij zeven dagen lang gevierd en het feest zeven dagen. 10  En op de drieëntwintigste dag van de zevende maand zond hij het volk heen naar hun huizen, verheugd+ en vrolijk van hart om het goede+ dat Jehovah jegens Da̱vid en jegens Sa̱lomo en jegens zijn volk I̱sraël had verricht.+ 11  Zo voltooide Sa̱lomo het huis van Jehovah+ en het huis van de koning;+ en in alles wat in Sa̱lomo’s hart opgekomen was om het met betrekking tot het huis van Jehovah en zijn eigen huis te doen, bleek hij succesvol te zijn. 12  Jehovah verscheen+ nu ’s nachts aan Sa̱lomo en zei tot hem: „Ik heb uw gebed gehoord,+ en ik heb mij deze plaats uitgekozen+ als een huis van slachtoffer.+ 13  Wanneer ik de hemel toesluit opdat er geen regen valt+ en wanneer ik de sprinkhanen gebied het land kaal te vreten+ en indien ik een pestilentie onder mijn volk zend,+ 14  en mijn volk+ waarover mijn naam+ is uitgeroepen, verootmoedigt+ zich en zij bidden+ en zoeken mijn aangezicht+ en keren van hun slechte wegen terug,+ dan zal ík vanuit de hemel horen+ en hun zonde vergeven,+ en ik zal hun land genezen.+ 15  Nu zullen mijn eigen ogen+ geopend blijken te zijn en mijn oren+ opmerkzaam op het gebed in deze plaats. 16  En nu heb ik dit huis uitgekozen+ en geheiligd, opdat mijn naam+ daar tot onbepaalde tijd moge blijken te zijn,+ en mijn ogen en mijn hart zullen daar stellig altijd blijken te zijn.+ 17  En wat u betreft, indien gij voor mijn aangezicht zult wandelen, juist zoals uw vader Da̱vid+ heeft gewandeld, ja, door te doen naar alles wat ik u geboden heb,+ en gij mijn voorschriften+ en mijn rechterlijke beslissingen in acht zult nemen,+ 18  dan wil ik de troon van uw koningschap bevestigen,+ juist zoals ik met uw vader Da̱vid [een verbond] heb gesloten,+ toen ik zei: ’Geen man van u zal ervan worden afgesneden over I̱sraël te regeren.’+ 19  Maar indien gijlieden van UW kant U afwendt+ en mijn inzettingen en mijn geboden die ik U voorgehouden heb, werkelijk verlaat+ en werkelijk andere goden gaat dienen+ en U voor die neerbuigt,+ 20  dan zal ik hen stellig wegrukken uit mijn grond die ik hun gegeven heb;+ en dit huis dat ik voor mijn naam geheiligd heb,+ zal ik van voor mijn aangezicht wegwerpen+ en ik zal het tot een spreekwoord+ en een spotrede maken onder alle volken.+ 21  Wat dit huis betreft dat tot puinhopen* geworden was,+ iedereen die er voorbijgaat, zal star zijn van ontzetting+ en zal stellig zeggen: ’Waarom heeft Jehovah zo met dit land en met dit huis gedaan?’+ 22  En men zal moeten zeggen: ’Het was omdat zij Jehovah, de God van hun voorvaders, die hen uit het land Egy̱pte had geleid,+ hebben verlaten+ en zich vervolgens aan andere goden hebben gehouden+ en zich voor die hebben neergebogen en die hebben gediend.+ Daarom heeft hij al deze rampspoed over hen gebracht.’”+

Voetnoten

„Gemeente.” Hebr.: qa·hal′; Gr.: ek·kle′si·a; Lat.: ec·cle′si·a.
Zie 1Kon 9:8 vtn.