Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

2 Kronieken 5:1-14

5  Ten slotte kwam al het werk dat Sa̱lomo voor het huis van Jehovah moest doen, tot voltooiing,+ en Sa̱lomo bracht nu alles wat zijn vader Da̱vid geheiligd had+ erin; en het zilver en het goud en al het gerei legde hij bij de schatten van het huis van de [ware] God.+  In die tijd riep Sa̱lomo voorts de oudere mannen* van I̱sraël+ en alle stamhoofden,+ de oversten van de vaderlijke+ huizen van de zonen van I̱sraël, te Jeru̱zalem bijeen, om de ark+ van het verbond van Jehovah op te voeren+ uit de Stad van Da̱vid,+ dat wil zeggen Si̱on.+  Zo kwamen alle mannen van I̱sraël samen bij de koning op het feest, dat van de zevende maand.+  Alle oudere mannen van I̱sraël kwamen dus,+ en de levieten gingen de Ark dragen.+  Zij dan voerden de Ark+ en de tent der samenkomst+ en al het heilige gerei+ dat in de tent was op. De priesters, de levieten,* voerden ze op.+  En koning Sa̱lomo en de gehele vergadering van Israëlieten die hun afspraak met hem nakwamen vóór de Ark, brachten schapen en runderen ten slachtoffer+ die vanwege de grote hoeveelheid niet berekend of geteld konden worden.  Toen brachten de priesters de ark van het verbond van Jehovah op haar plaats, in het binnenste+ vertrek van het huis, in het Allerheiligste,+ onder de vleugels van de cherubs.+  Aldus hielden de cherubs hun vleugels voortdurend uitgespreid over de plaats van de Ark, zodat de cherubs de Ark en haar draagbomen+ van boven af bedekten.+  Maar de draagbomen waren lang, zodat de uiteinden van de draagbomen zichtbaar waren in het Heilige* vóór het binnenste vertrek, maar buiten waren ze niet zichtbaar, en ze* zijn daar nog steeds, tot op deze dag.+ 10  Er was niets in de Ark dan de twee tafelen+ die Mo̱zes in Ho̱reb+ had gegeven, toen Jehovah [een verbond] sloot+ met de zonen van I̱sraël bij hun uittocht uit Egy̱pte.+ 11  Nu geschiedde het toen de priesters uit de heilige plaats naar buiten traden (want alle priesters die men kon vinden, hadden zich hunnerzijds geheiligd+ — de afdelingen+ hoefden niet in acht genomen te worden); 12  en de levieten+ die zangers waren, behorende tot hen allen, namelijk tot A̱saf,+ tot He̱man,+ tot Jedu̱thun+ en tot hun zonen en tot hun broeders, in fijn weefsel gekleed, met cimbalen+ en met snaarinstrumenten+ en harpen,+ ten oosten van het altaar stonden, en samen met hen priesters [ten getale van] honderd twintig die op de trompetten bliezen+ 13  het geschiedde nu dat zodra de trompetters en de zangers als één [man]+ één geluid lieten horen om Jehovah te loven en te danken, en zodra zij het geluid aanhieven met de trompetten en met de cimbalen en met de instrumenten voor de zang+ en met het loven+ van Jehovah, „want hij is goed,+ want tot onbepaalde tijd duurt zijn liefderijke goedheid”,*+ het huis zelf vervuld werd met een wolk,+ ja, het huis van Jehovah,+ 14  en de priesters konden vanwege de wolk niet blijven staan om dienst te verrichten;+ want de heerlijkheid+ van Jehovah vervulde het huis van de [ware] God.

Voetnoten

Of: „oudsten.”
„De priesters, de levieten”, M; TLXXSy en 24 Hebr. hss.: „De priesters en de levieten”; Vg: „De priesters met de levieten.”
„Het Heilige”, LXX, vijf Hebr. hss. en 1Kon 8:8; M: „de Ark.”
„Ze”, mv., TLXXSy, veel Hebr. hss. en 1Kon 8:8; M: „ze”, enk.
Of: „loyale liefde.”