Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 29:1-36

29  Hizki̱a*+ zelf werd koning op de leeftijd van vijfentwintig jaar, en hij heeft negenentwintig jaar lang te Jeru̱zalem geregeerd. En de naam van zijn moeder was Abi̱a, de dochter van Zachari̱a.+  En hij bleef doen wat recht was in Jehovah’s ogen,+ naar alles wat zijn voorvader Da̱vid gedaan had.+  Hijzelf opende in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van Jehovah en ging ze herstellen.+  Toen liet hij de priesters en de levieten komen en vergaderde hen op de open plaats+ tegen het oosten.  En hij zei nu tot hen: „Luistert naar mij, levieten. Heiligt+ nu UZELF en heiligt het huis van Jehovah, de God van UW voorvaders, en brengt het onreine uit de heilige plaats naar buiten.+  Want onze vaderen hebben ontrouw gehandeld+ en hebben gedaan wat kwaad was in de ogen van Jehovah, onze God,+ zodat zij hem hebben verlaten+ en hun aangezicht van de tabernakel van Jehovah hebben afgewend+ en [die] de nek hebben toegekeerd.  Ook hebben zij de deuren+ van de voorhal gesloten en de lampen uitgeblust gelaten+ en geen reukwerk gebrand+ en geen brandoffer in de heilige plaats gebracht aan de God van I̱sraël.+  En Jehovah’s verontwaardiging+ kwam over Ju̱da en Jeru̱zalem, zodat hij hen tot een voorwerp van beving maakte,+ een voorwerp van ontzetting+ en tot een aanfluiting,+ juist zoals GIJ met UW eigen ogen ziet.  En ziet, hierom zijn onze voorvaders gevallen door het zwaard,+ en waren onze zonen en onze dochters en onze vrouwen in gevangenschap.+ 10  Nu ligt het mij na aan het hart een verbond+ te sluiten met Jehovah, de God van I̱sraël, opdat zijn brandende toorn van ons moge wijken. 11  Mijn zonen, gunt U nu geen rust,+ want GÍJ́ zijt door Jehovah uitgekozen om voor zijn aangezicht te staan om hem te dienen+ en om voortaan zijn dienaren+ en degenen die offerrook brengen, te zijn.”+ 12  Toen stonden de levieten+ op: Ma̱hath, de zoon van Ama̱sai, en Jo̱ël, de zoon van Aza̱rja, uit de zonen van de Kehathieten;+ en uit de zonen van Mera̱ri:+ Kis, de zoon van A̱bdi, en Aza̱rja, de zoon van Jeha̱llelel; en uit de Gersonieten:+ Jo̱ah, de zoon van Zi̱mma, en E̱den, de zoon van Jo̱ah; 13  en uit de zonen van Eliza̱fan:+ Si̱mri en Jeü̱ël; en uit de zonen van A̱saf:+ Zachari̱a en Matta̱nja; 14  en uit de zonen van He̱man:+ Jehi̱ël en Si̱meï; en uit de zonen van Jedu̱thun:+ Sema̱ja en U̱zziël. 15  Toen vergaderden zij hun broeders en heiligden+ zich en kwamen overeenkomstig het gebod van de koning volgens de woorden+ van Jehovah om het huis van Jehovah te reinigen.+ 16  De priesters gingen nu het huis van Jehovah binnen om de reiniging te verrichten en brachten alle onreinheid die zij in de tempel van Jehovah vonden naar buiten, in het voorhof+ van het huis van Jehovah. De levieten op hun beurt namen het in ontvangst om het naar buiten, naar het stroomdal van de Ki̱dron,+ te brengen. 17  Zo begonnen zij op de eerste [dag] van de eerste maand met de heiliging, en op de achtste dag van de maand waren zij tot aan de voorhal+ van Jehovah gekomen, zodat zij het huis van Jehovah in acht dagen heiligden; en op de zestiende dag van de eerste+ maand waren zij gereed. 18  Daarna traden zij bij Hizki̱a, de koning, binnen en zeiden: „Wij hebben het gehele huis van Jehovah, het brandofferaltaar+ en al het daarbij behorende gerei+ en de tafel+ van het stapelbrood en al het daarbij behorende gerei,+ gereinigd. 19  En al het gerei+ dat koning A̱chaz+ tijdens zijn regering in zijn ontrouw*+ buiten gebruik heeft gesteld, hebben wij in gereedheid gebracht, en wij hebben het geheiligd;+ en zie, het is vóór het altaar van Jehovah.” 20  Toen stond Hizki̱a,+ de koning, vroeg op+ en vergaderde de vorsten+ van de stad en ging op naar het huis van Jehovah. 21  En men kwam zeven stieren brengen+ en zeven rammen en zeven mannetjeslammeren en zeven geitenbokken als zondeoffer+ voor het koninkrijk en voor het heiligdom en voor Ju̱da. Hij zei derhalve tot de zonen van Aä̱ron, de priesters,+ ze te offeren op het altaar van Jehovah. 22  Bijgevolg slachtten+ zij de runderen en de priesters vingen het bloed op+ en sprenkelden+ het op het altaar, waarna zij de rammen+ slachtten en het bloed op het altaar sprenkelden,+ en zij slachtten de mannetjeslammeren en sprenkelden het bloed op het altaar. 23  Toen brachten zij de geitenbokken+ van het zondeoffer naderbij, vóór de koning en de gemeente, en legden er de handen op.+ 24  De priesters slachtten ze nu en droegen een zondeoffer op met het bloed ervan op het altaar, om verzoening te doen voor geheel I̱sraël;+ want de koning had gezegd dat het brandoffer en het zondeoffer voor geheel I̱sraël+ [zouden+ zijn]. 25  Intussen had hij de levieten+ opgesteld bij het huis van Jehovah, met cimbalen,+ met snaarinstrumenten+ en met harpen,+ volgens het gebod van Da̱vid+ en van Gad,+ de visionair van de koning, en van de profeet Na̱than,+ want het gebod was door de hand van Jehovah door bemiddeling van zijn profeten.+ 26  De levieten bleven dus staan met de instrumenten+ van Da̱vid, en ook de priesters met de trompetten.+ 27  Toen zei Hizki̱a het brandoffer te offeren op het altaar; en op het ogenblik dat het brandoffer begon, zette het lied+ voor Jehovah in, alsook de trompetten, en wel onder begeleiding van de instrumenten van Da̱vid, de koning van I̱sraël. 28  En de hele gemeente* boog+ zich neer terwijl het lied weerklonk+ en de trompetten schalden — dit alles totdat het brandoffer voleindigd was. 29  En zodra zij gereed waren met het offeren ervan, bogen de koning en allen die zich bij hem bevonden zich diep en wierpen zich neer.+ 30  Hizki̱a, de koning, en de vorsten+ zeiden de levieten nu, Jehovah te loven met de woorden van Da̱vid+ en van de visionair A̱saf.+ Zij gingen dus lof brengen, ja, met vreugdebetoon,+ en zij bleven zich buigen en neerwerpen.+ 31  Ten slotte nam Hizki̱a het woord en zei: „Nu hebt GIJ UW hand gevuld+ met macht voor Jehovah. Komt naderbij en brengt slachtoffers+ en dankoffers+ voor het huis van Jehovah.” Toen bracht de gemeente slachtoffers en dankoffers, en ook iedereen die gewillig van hart was, [bracht] brandoffers.+ 32  En het aantal brandoffers dat de gemeente bracht, bedroeg zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd mannetjeslammeren — al deze als een brandoffer voor Jehovah;+ 33  en ook de heilige offergaven, zeshonderd runderen en drieduizend stuks kleinvee. 34  Alleen bleken er priesters+ te weinig te zijn, en zij waren niet in staat alle brandoffers te villen.+ Daarom werden zij geholpen door hun broeders,+ de levieten, totdat het werk gereed was+ en totdat de priesters zich konden heiligen,+ want de levieten waren oprechter+ van hart om zich te heiligen dan de priesters. 35  En ook waren er brandoffers+ in overvloed met de vette+ stukken van de gemeenschapsoffers+ en met de drankoffers+ voor de brandoffers. Zo werd de dienst van het huis van Jehovah gereedgemaakt.+ 36  Dientengevolge verheugden Hizki̱a en heel het volk zich over het feit dat de [ware] God voorbereidingen had getroffen voor het volk,+ want de zaak was plotseling geschied.+

Voetnoten

Zie 2Kon 20:10 vtn.
„Ontrouw”, M; Gr.: a·po·staʹsi·ai, „afval”, van het ww. a·fi·steʹmi, „afstand nemen van”; het zn. betekent ook „verlating; verzaking; opstand”. Zie Joz 22:22 vtn., „Weerspannigheid”; Han 21:21 vtn.; 2Th 2:3 vtn., „Afval”.
„De . . . gemeente.” Hebr.: haq·qa·halʹ; Gr.: he ek·kleʹsi·a.