Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 25:1-28

25  Op de leeftijd van vijfentwintig jaar werd Ama̱zia+ koning, en hij heeft negenentwintig jaar lang te Jeru̱zalem geregeerd. En de naam van zijn moeder was Jo̱addan,+ uit Jeru̱zalem.  En hij bleef doen wat recht was in Jehovah’s ogen,+ alleen niet met een onverdeeld+ hart.  Nu gebeurde het dat zodra het op hem [rustende] koningschap sterk geworden was, hij prompt zijn dienaren+ doodde+ die de koning, zijn vader, neergeslagen hadden.+  En hun zonen bracht hij niet ter dood, maar [deed] naar wat geschreven staat in de wet, in het boek van Mo̱zes,+ hetgeen Jehovah geboden had, toen hij zei: „Vaders dienen niet te sterven wegens zonen,+ noch dienen zonen zelf te sterven wegens vaders;+ maar zij dienen ieder om hun eigen zonde te sterven.”+  En Ama̱zia bracht voorts Ju̱da bijeen en stelde hen op naar het huis van de voorvaders,+ volgens de oversten van duizend+ en volgens de oversten van honderd,+ voor heel Ju̱da en Be̱njamin; en vervolgens schreef hij hen in van twintig+ jaar oud en daarboven, en ten slotte bevond hij dat er driehonderdduizend uitgelezen mannen [waren] die in het leger uittrokken, die de lans+ en het grote schild+ hanteerden.  Verder huurde hij van I̱sraël voor honderd talenten* zilver honderdduizend dappere, sterke mannen.  En een zeker man van de [ware] God+ kwam tot hem en zei: „O koning, laat het leger van I̱sraël niet met u meegaan, want Jehovah is niet met I̱sraël,+ [dat wil zeggen] alle zonen van E̱fraïm.  Maar kom zelf, handel, wees moedig tot de strijd.+ De [ware] God zou u voor een vijand kunnen doen struikelen; want God* is bij machte om te helpen+ en om te doen struikelen.”+  Hierop zei Ama̱zia+ tot de man van de [ware] God: „Maar wat dan te doen met het oog op de honderd talenten die ik aan de troepen van I̱sraël heb gegeven?”+ Hierop zei de man van de [ware] God: „Bij Jehovah bestaat het middel u veel meer te geven dan dit.”+ 10  Bijgevolg zonderde Ama̱zia hen af, namelijk de troepen die uit E̱fraïm tot hem gekomen waren, om naar hun eigen plaats te gaan. Maar hun toorn ontbrandde zeer tegen Ju̱da, zodat zij in laaiende toorn+ naar hun eigen plaats terugkeerden. 11  Wat Ama̱zia betreft, hij vatte moed en leidde nu zijn eigen volk en ging naar het Zoutdal;+ en hij sloeg voorts de zonen van Se̱ïr+ neer, tienduizend [van hen].+ 12  En tienduizend namen de zonen van Ju̱da er levend gevangen. Zij dan brachten hen naar de top van de steile rots en wierpen hen vervolgens van de top van de steile rots; en zij barstten allen zonder uitzondering uiteen.+ 13  Wat de leden betreft van de troepenmacht die Ama̱zia had teruggestuurd, zonder hen met zich ten strijde te laten trekken,+ zij gingen overvallen plegen op de steden van Ju̱da, van Sama̱ria+ helemaal tot Beth-Ho̱ron,+ en sloegen er toen drieduizend van hen neer en namen veel als roofgoed mee. 14  Maar het geschiedde nadat Ama̱zia van het verslaan van de Edomieten [terug]kwam, dat hij nu de goden+ van de zonen van Se̱ïr meebracht en die voor zichzelf als goden opstelde,+ en daarvoor ging hij zich neerbuigen+ en daaraan ging hij offerrook brengen.+ 15  Dientengevolge ontbrandde Jehovah’s toorn tegen Ama̱zia, en daarom zond hij hem een profeet en zei tot hem: „Waarom hebt gij de goden van het volk+ gezocht,+ die hun eigen volk niet uit uw hand hebben bevrijd?”+ 16  Nu geschiedde het terwijl hij tot hem sprak, dat [de koning] onmiddellijk tot hem zei: „Hebben wij u soms tot raadsman van de koning aangesteld?+ Houd ter wille van uzelf op.+ Waarom zou men u neerslaan?” Bijgevolg hield de profeet op, maar hij zei: „Ik weet zeker dat God besloten heeft u in het verderf te storten,+ omdat gij dit hebt gedaan+ en niet hebt geluisterd naar mijn raad.”+ 17  Toen beraadslaagde Ama̱zia, de koning van Ju̱da, en zond [boden] naar Jo̱as, de zoon van Jo̱ahaz, de zoon van Je̱hu, de koning van I̱sraël,+ en liet [aan hem] zeggen: „Kom! Laten wij elkaar in het aangezicht zien.”+ 18  Daarop liet Jo̱as, de koning van I̱sraël, aan Ama̱zia, de koning van Ju̱da, zeggen:+ „Het doornige onkruid zelf dat op de Li̱banon was, liet aan de ceder die op de Li̱banon was+ zeggen: ’Geef uw dochter toch als vrouw aan mijn zoon.’+ Maar een wild dier+ van het veld dat op de Li̱banon was, kwam voorbij en vertrapte het doornige onkruid. 19  Gij hebt bij uzelf gezegd: Zie, gij hebt E̱dom verslagen.+ En uw hart+ heeft u verheven om verheerlijkt te worden.+ Blijf nu toch in uw eigen huis wonen.+ Waarom zoudt gij de strijd aanbinden in een slechte positie+ en ten val moeten komen, gij en Ju̱da met u?”+ 20  Maar Ama̱zia luisterde niet; want het was vanwege de [ware] God+ met het doel hen in zijn hand te geven, omdat zij de goden van E̱dom hadden gezocht.+ 21  Jo̱as, de koning van I̱sraël, trok dus op,+ en zij zagen elkaar vervolgens in het aangezicht,+ hij en Ama̱zia, de koning van Ju̱da, bij Beth-Se̱mes,+ dat tot Ju̱da behoort. 22  En Ju̱da leed ten slotte de nederlaag voor I̱sraël,+ zodat zij op de vlucht sloegen, ieder naar zijn tent.*+ 23  En het was Ama̱zia, de koning van Ju̱da, de zoon van Jo̱as, de zoon van Jo̱ahaz, die door Jo̱as, de koning van I̱sraël, bij Beth-Se̱mes werd gegrepen,+ waarna hij hem naar Jeru̱zalem bracht+ en een bres in de muur van Jeru̱zalem maakte, van de Efraïmpoort+ helemaal tot aan de Hoekpoort,+ vierhonderd el.* 24  En [hij nam*] al het goud en het zilver en alle voorwerpen die in het huis van de [ware] God bij O̱bed-E̱dom te vinden waren,+ en de schatten van het huis van de koning+ en de gijzelaars, en keerde toen naar Sama̱ria terug.+ 25  En Ama̱zia,+ de zoon van Jo̱as, de koning van Ju̱da, leefde na de dood van Jo̱as,+ de zoon van Jo̱ahaz, de koning van I̱sraël, nog vijftien jaar.+ 26  Wat de rest van de aangelegenheden van Ama̱zia betreft, de eerste en de laatste,+ zie! is dat niet beschreven in het Boek+ van de koningen van Ju̱da en I̱sraël?+ 27  En vanaf de tijd dat Ama̱zia zich van het volgen van Jehovah afkeerde, ging men in Jeru̱zalem een samenzwering+ tegen hem smeden. Ten slotte vluchtte hij naar La̱chis;+ maar zij lieten hem achternazetten naar La̱chis en brachten hem daar ter dood.+ 28  Zij vervoerden hem derhalve op paarden+ en begroeven hem bij zijn voorvaders in de stad van Ju̱da.*+

Voetnoten

Zie App. 8A.
„God”, MVg; LXX: „Jehovah.”
Lett.: „tenten.”
Ca. 178 m.
„Hij nam”, Sy; MLXXVg laten het weg.
„Juda”, M; LXXSyVg, 12 Hebr. hss. en 2Kon 14:20: „David.”