Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 24:1-27

24  Zeven jaar oud was Jo̱as* toen hij begon te regeren,+ en hij heeft veertig jaar lang te Jeru̱zalem geregeerd.+ En de naam van zijn moeder was Zi̱bja, uit Berse̱ba.+  En Jo̱as+ bleef doen wat recht was in Jehovah’s ogen,+ al de dagen van de priester Jo̱jada.+  Voorts nam Jo̱jada voor hem twee vrouwen, en hij werd de vader van zonen en dochters.+  Nu gebeurde het daarna dat het Jo̱as na aan het hart kwam te liggen, het huis van Jehovah te renoveren.+  Bijgevolg bracht hij de priesters+ en de levieten bijeen en zei tot hen: „Gaat uit naar de steden van Ju̱da en brengt uit heel I̱sraël geld bijeen om van jaar tot jaar het huis van UW God te herstellen;+ en GIJ, van UW kant, dient snel te handelen in deze zaak.” En de levieten handelden niet snel.+  Daarom riep de koning Jo̱jada, het hoofd, en zei tot hem:+ „Waarom hebt gij geen rekenschap geëist van de levieten voor het inbrengen van de door Mo̱zes, de knecht van Jehovah, voorgeschreven heilige belasting+ uit Ju̱da en Jeru̱zalem, ja, die van de gemeente van I̱sraël, voor de tent der Getuigenis?+  Want wat Atha̱lia betreft, die goddeloze vrouw, haar eigen zonen+ hadden in het huis van de [ware] God ingebroken,+ en zelfs al de heilige+ dingen van het huis van Jehovah hadden zij aan de Ba̱äls opgedragen.”+  Toen gaf de koning bevel, en zij maakten daarop een kist+ en zetten die buiten aan de poort van het huis van Jehovah.  Daarna lieten zij in Ju̱da en Jeru̱zalem omroepen dat men Jehovah de heilige belasting+ moest brengen die Mo̱zes, de knecht van de [ware] God,* in de wildernis aan I̱sraël had opgelegd.+ 10  Toen verheugden zich+ alle vorsten+ en heel het volk, en zij bleven brengen en wierpen het in de kist+ totdat zij allen hadden gegeven. 11  Nu gebeurde het dat hij op de juiste tijd gewoon was de kist door de hand van de levieten+ onder de hoede van de koning te stellen, en zodra zij zagen dat er veel geld was,+ kwamen de secretaris+ van de koning en de gemachtigde van de overpriester en ledigden dan de kist en namen haar op en zetten haar weer op haar plaats. Zo deden zij van dag tot dag, zodat zij geld in overvloed inzamelden. 12  Vervolgens gaven de koning en Jo̱jada het dan aan degenen die het werk van de dienst van Jehovah’s huis verrichtten,+ en zij huurden dan de steenhouwers+ en de handwerkslieden+ voor het renoveren van Jehovah’s huis,+ en ook de werklieden in ijzer en koper voor het herstellen van Jehovah’s huis.+ 13  En degenen die het werk verrichtten, gingen aan de slag,+ en het herstellingswerk bleef vorderen door hun hand, en ten slotte maakten zij dat het huis van de [ware] God stond zoals het structureel diende te zijn en maakten het sterk. 14  En zodra zij klaar waren, brachten zij de rest van het geld voor de koning en Jo̱jada, en zij maakten vervolgens allerlei gerei voor het huis van Jehovah, gerei voor de dienst+ en voor het brengen van offers en bekers+ en gouden+ en zilveren gerei; en zij werden offeraars die voortdurend brandoffers brachten+ in het huis van Jehovah, al de dagen van Jo̱jada. 15  En Jo̱jada werd oud en verzadigd van jaren+ en ten slotte stierf hij; hij was honderd dertig jaar oud bij zijn dood. 16  Men begroef hem derhalve in de Stad van Da̱vid bij de koningen,+ omdat hij goed had gedaan in I̱sraël+ en jegens de [ware] God en Zijn huis. 17  En na Jo̱jada’s dood kwamen de vorsten+ van Ju̱da en bogen zich vervolgens voor de koning neer. In die tijd luisterde de koning naar hen.+ 18  En langzamerhand verlieten zij het huis van Jehovah, de God van hun voorvaders, en gingen de heilige palen+ en de afgodsbeelden dienen,+ zodat er verontwaardiging kwam tegen Ju̱da en Jeru̱zalem wegens deze schuld van hen.+ 19  En hij zond steeds maar weer profeten+ onder hen om hen terug te brengen tot Jehovah; en zij bleven getuigenis tegen hen afleggen,* maar zij leenden het oor niet.+ 20  En Gods géést+ omhulde*+ Zachari̱a,+ de zoon van Jo̱jada,+ de priester, zodat hij opstond boven het volk uit en tot hen zei: „Dit heeft de [ware] God gezegd: ’Waarom overschrijdt GIJ de geboden van Jehovah, zodat GIJ niet succesvol bevonden kunt worden?+ Omdat GIJ Jehovah hebt verlaten, zal hij, op zijn beurt, U verlaten.’”+ 21  Ten slotte spanden zij tegen hem samen+ en wierpen hem op bevel van de koning met stenen,+ in het voorhof van Jehovah’s huis. 22  En Jo̱as, de koning, dacht niet aan de liefderijke goedheid die zijn vader Jo̱jada jegens hem had betracht,+ zodat hij zijn zoon doodde, die, toen hij op het punt stond te sterven, zei: „Jehovah moge het zien en het terugeisen.”+ 23  Nu geschiedde het bij de jaarwisseling,+ dat er een krijgsmacht van Sy̱rië+ tegen hem optrok,+ en zij drongen voorts Ju̱da en Jeru̱zalem binnen. Toen stortten zij onder het volk alle vorsten+ van het volk in het verderf, en al hun buit zonden zij naar de koning van Dama̱skus.+ 24  Want met een klein aantal mannen deed de krijgsmacht van de Syriërs een inval,+ en Jehovah zelf gaf een zeer talrijke krijgsmacht in hun hand,+ omdat zij Jehovah, de God van hun voorvaders, hadden verlaten; en aan Jo̱as voltrokken zij strafgerichten.+ 25  En toen zij van hem wegtrokken (want zij lieten hem met vele kwalen+ achter), spanden zijn eigen dienaren tegen hem samen+ wegens het bloed+ van de zonen* van de priester Jo̱jada;+ en zij doodden hem ten slotte op zijn eigen rustbed, zodat hij stierf.+ Toen begroeven zij hem in de Stad van Da̱vid,+ maar zij begroeven hem niet in de grafsteden van de koningen.+ 26  En dit waren degenen die tegen hem hadden samengespannen: Za̱bad,+ de zoon van Si̱meath, de Ammonitische, en Jo̱zabad, de zoon van Si̱mrith, de Moabitische. 27  Wat zijn zonen betreft en de volheid van de formele uitspraak tegen hem+ en de fundering+ van het huis van de [ware] God, zie, dat is beschreven in de uiteenzetting* van het Boek+ der koningen. En zijn zoon Ama̱zia+ begon in zijn plaats te regeren.

Voetnoten

Hebr.: Jo·ʼasjʹ. Zie 2Kon 11:21 vtn.
Knecht van de [ware] God.” Hebr.: ʽe·vedh-ha·ʼElo·himʹ; Sy: „knecht van Jehovah.” Zie App. 1F.
„Bleven getuigenis . . . afleggen.” Lat.: pro·te·stanʹtes.
Lett.: „bekleedde.”
„Zonen”, MSy; LXXVg: „zoon.” Mogelijk gebruikt M hier het mv. ter aanduiding van de uitnemendheid en waardigheid van Jojada’s zoon Zacharia, de profeet-priester.
Of: „midrasj.” Hebr.: midh·rasjʹ. De enige andere keer dat dit Hebr. woord in M voorkomt, is in 13:22; zie vtn. aldaar.