Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 22:1-12

22  Toen maakten de inwoners van Jeru̱zalem Aha̱zia,*+ zijn jongste zoon, koning in zijn plaats (want de roversbende die met de Arabieren+ in de legerplaats was gekomen, had al de ouderen gedood+), en Aha̱zia, de zoon van Jo̱ram, begon als koning van Ju̱da te regeren.  Tweeëntwintig* jaar oud was Aha̱zia toen hij begon te regeren,+ en hij heeft één jaar te Jeru̱zalem geregeerd. En de naam van zijn moeder was Atha̱lia,+ de kleindochter* van O̱mri.+  Hijzelf bewandelde eveneens de wegen van het huis van A̱chab,+ want zijn eigen moeder+ werd zijn raadgeefster in het doen van goddeloosheid.  En hij ging voort te doen wat kwaad was in Jehovah’s ogen, net als het huis van A̱chab, want zijzelf werden na de dood van zijn vader raadslieden+ voor hem, tot zijn verderf.  Ook wandelde hij in hun raad,+ zodat hij met Jo̱ram,+ de zoon van A̱chab, de koning van I̱sraël, ten strijde trok tegen Ha̱zaël,+ de koning van Sy̱rië, bij Ra̱moth-Gi̱lead,+ waarop de schutters ten slotte Jo̱ram* troffen.+  Daarom keerde hij terug om in Ji̱zreël+ genezing te zoeken van de wonden die men hem bij Ra̱ma had toegebracht+ toen hij streed tegen Ha̱zaël, de koning van Sy̱rië. Wat Aza̱rja+ betreft,* de zoon van Jo̱ram,+ de koning van Ju̱da, hij daalde af om Jo̱ram,+ de zoon van A̱chab, te Ji̱zreël te bezoeken, want hij was ziek.+  Maar het was van Godswege+ dat de ondergang+ van Aha̱zia geschiedde doordat [deze] naar Jo̱ram kwam; en toen hij [daar] gekomen was, trok hij met Jo̱ram uit+ naar Je̱hu,+ de kleinzoon* van Ni̱msi,+ die door Jehovah was gezalfd+ om het huis van A̱chab af te snijden.+  Nu geschiedde het dat zodra Je̱hu met het huis van A̱chab in het gericht was getreden,+ hij voorts de vorsten van Ju̱da en de zonen van de broers van Aha̱zia aantrof,+ dienaren van Aha̱zia, en hij doodde hen vervolgens.+  Toen ging hij op zoek naar Aha̱zia, en ten slotte namen zij hem gevangen,+ terwijl hij zich schuilhield in Sama̱ria,+ en brachten hem naar Je̱hu. Toen brachten zij hem ter dood en begroeven hem,+ want zij zeiden: „Hij is de kleinzoon van Jo̱safat,+ die Jehovah met geheel zijn hart gezocht heeft.”+ En er was niemand van het huis van Aha̱zia die kracht behield voor het koninkrijk. 10  Wat Atha̱lia+ betreft, de moeder van Aha̱zia, zij zag dat haar zoon gestorven was. Derhalve stond zij op en verdelgde heel het koninklijke nageslacht van het huis van Ju̱da.+ 11  Maar Jo̱sabath,+ de dochter van de koning, nam Jo̱as,*+ de zoon van Aha̱zia, en stal hem uit het midden van de koningszonen die ter dood gebracht moesten worden en bracht hem en zijn voedster in de binnenkamer voor de rustbedden. En Jo̱sabath, de dochter van koning Jo̱ram,+ de vrouw van de priester Jo̱jada+ (want het geval wilde, dat zijzelf de zuster van Aha̱zia was), hield hem verborgen wegens Atha̱lia, en zij bracht hem niet ter dood.+ 12  En hij bleef zes jaar lang bij hen verborgen in het huis van de [ware] God,+ terwijl Atha̱lia als koningin+ over het land regeerde.+

Voetnoten

„Ahazia.” Hebr.: ʼAchaz·jaʹhoe. Dezelfde als „Joahaz” in 21:17. Beide namen betekenen „Jehovah heeft vastgegrepen (vastgehouden)”, alleen komt hier Gods naam, in de verkorte vorm Jaʹhoe, na „Ahaz” in plaats van ervoor.
„Tweeëntwintig”, LXXLSy en 2Kon 8:26; MVg: „Tweeënveertig”; LXX: „Twintig.”
Lett.: „dochter.”
Hebr.: Jō·ramʹ.
„Wat Azarja betreft.” Hebr.: wa·ʽAzar·jaʹhoe; in vs. 1, 2, 7-11: „Ahazia.”
Lett.: „zoon.”
Hebr.: Jō·ʼasjʹ. Zie 2Kon 11:21 vtn.