Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 18:1-34

18  En Jo̱safat kreeg rijkdom en heerlijkheid in overvloed;+ hij verzwagerde zich+ echter met A̱chab.+  Daarom daalde hij jaren later af naar A̱chab te Sama̱ria;+ en A̱chab offerde voorts schapen+ en runderen in overvloed voor hem en voor het volk dat bij hem was. Hij dan verlokte+ hem ertoe, op te trekken tegen Ra̱moth-Gi̱lead.+  En A̱chab, de koning van I̱sraël, zei vervolgens tot Jo̱safat, de koning van Ju̱da: „Wilt gij met mij meegaan naar Ra̱moth-Gi̱lead?”+ Hierop zei hij tot hem: „Ik ben net als gij, en mijn volk is als uw volk en met u in de strijd.”+  Maar Jo̱safat zei tot de koning van I̱sraël: „Raadpleeg+ alstublieft eerst het woord van Jehovah.”  De koning van I̱sraël bracht derhalve de profeten+ bijeen, vierhonderd man, en zei tot hen: „Zullen wij tegen Ra̱moth-Gi̱lead ten strijde trekken, of zal ik het laten?”+ Zij zeiden nu: „Trek op, en de [ware] God zal [het] in de hand van de koning geven.”  Maar Jo̱safat zei: „Is er hier niet nog een profeet van Jehovah?+ Laten wij dan door bemiddeling van hem navraag doen.”+  Daarop zei de koning van I̱sraël tot Jo̱safat:+ „Er is nog één man+ door bemiddeling van wie wij Jehovah kunnen raadplegen, maar ik voor mij haat hem stellig,+ want hij profeteert over mij niet ten goede maar, al zijn dagen, ten kwade.+ Het is Micha̱ja,* de zoon van Ji̱mla.”+ Jo̱safat zei echter: „Laat de koning zo iets niet zeggen.”+  Bijgevolg riep de koning van I̱sraël een hofbeambte+ en zei: „Haal vlug Micha̱ja, de zoon van Ji̱mla.”+  Nu zaten de koning van I̱sraël en Jo̱safat, de koning van Ju̱da, gekleed in [hun] gewaden,+ ieder op zijn troon, en zij zaten op de dorsvloer bij de ingang van de poort van Sama̱ria; en alle profeten gedroegen zich vóór hen als profeten.+ 10  Toen maakte Zedeki̱a, de zoon van Kena̱äna, zich ijzeren hoorns+ en zei: „Dit heeft Jehovah gezegd:+ ’Hiermee zult gij de Syriërs stoten totdat gij hen uitroeit.’”+ 11  En alle andere profeten profeteerden hetzelfde en zeiden: „Trek op naar Ra̱moth-Gi̱lead en word succesvol bevonden,+ en Jehovah zal [het] stellig in de hand van de koning geven.”+ 12  En de bode die Micha̱ja ging roepen, sprak tot hem en zei: „Zie! De woorden van de profeten zijn eenstemmig* goed wat de koning betreft; en laat uw woord alstublieft als [dat van] een hunner worden+ en gij moet iets goeds spreken.”+ 13  Maar Micha̱ja* zei: „Zo waar Jehovah leeft,+ wat mijn God zal zeggen, dat zal ik spreken.”+ 14  Toen kwam hij bij de koning, en de koning zei nu tot hem: „Micha̱ja,* zullen wij naar Ra̱moth-Gi̱lead ten strijde trekken, of zal ik het laten?” Terstond zei hij: „Trekt op en wordt succesvol bevonden; en zij zullen in UW hand worden gegeven.”+ 15  Daarop zei de koning tot hem: „Hoeveel malen stel ik u reeds onder een eed+ dat gij in de naam van Jehovah niets dan de waarheid tot mij dient te spreken?”+ 16  Hij dan zei: „Voorwaar, ik zie alle Israëlieten verstrooid op de bergen, als schapen die geen herder hebben.+ En Jehovah zei vervolgens: ’Dezen hebben geen meesters.+ Laat hen in vrede terugkeren, ieder naar zijn huis.’”+ 17  Toen zei de koning van I̱sraël tot Jo̱safat: „Heb ik u niet gezegd: ’Hij zal over mij geen goede dingen profeteren maar slechte’?”+ 18  En hij zei verder: „Hoort daarom het woord van Jehovah:+ Voorwaar, ik zie Jehovah op zijn troon zitten+ en heel het hemelleger+ aan zijn rechter- en zijn linkerhand staan.+ 19  En Jehovah zei voorts: ’Wie zal A̱chab, de koning van I̱sraël, misleiden, dat hij optrekt en valt bij Ra̱moth-Gi̱lead?’ En er werd gesproken, de een zei zo iets als dit en de ander zei zo iets als dat.+ 20  Ten slotte trad er een geest+ naar voren en ging voor Jehovah staan en zei: ’Ík zal hem misleiden.’ Daarop zei Jehovah tot hem: ’Op welke wijze?’+ 21  Hierop zei hij: ’Ik zal heengaan en stellig een bedrieglijke geest worden in de mond van al zijn profeten.’+ Hij dan zei: ’Gij zult hem misleiden, en, wat meer is, gij zult als overwinnaar te voorschijn komen.+ Ga heen en doe zo.’+ 22  Nu dan, zie, Jehovah heeft een bedrieglijke geest in de mond van deze profeten van u gelegd;+ maar Jehovah zelf heeft rampspoed betreffende u gesproken.”+ 23  Zedeki̱a,+ de zoon van Kena̱äna,+ trad nu naderbij en sloeg Micha̱ja+ op de wang+ en zei: „Langs welke weg is de geest van Jehovah dan wel van mij verder gegaan om met u te spreken?”+ 24  Daarop zei Micha̱ja: „Zie! Gij ziet [langs welke weg] op die dag+ dat gij het binnenste vertrek zult ingaan om u te verbergen.”+ 25  Toen zei de koning van I̱sraël: „Neemt Micha̱ja en brengt hem terug bij A̱mon, de overste van de stad, en bij Jo̱as, de zoon van de koning.+ 26  En gijlieden moet zeggen: ’Dit heeft de koning gezegd: „ZET deze man in het huis van bewaring+ en voedt hem met een verlaagd broodrantsoen+ en een verlaagd waterrantsoen totdat ik in vrede terugkom.”’”+ 27  Daarop zei Micha̱ja: „Mocht gij soms in vrede terugkomen, dan heeft Jehovah niet met* mij gesproken.”+ En hij voegde eraan toe: „Hoort, al GIJ volken.”+ 28  Toen trokken de koning van I̱sraël en Jo̱safat, de koning van Ju̱da, op naar Ra̱moth-Gi̱lead.+ 29  De koning van I̱sraël zei nu tot Jo̱safat: „[Voor mij zal het betekenen] vermomd+ in de strijd te gaan,* maar doet gíȷ́ uw klederen aan.”+ Bijgevolg vermomde de koning van I̱sraël zich, waarna zij de strijd ingingen.+ 30  Wat de koning van Sy̱rië betreft, hij had de oversten van de wagens die hij had, het volgende geboden: „GIJ moogt niet strijden met klein of groot, maar alleen met de koning van I̱sraël.”+ 31  Nu geschiedde het dat zodra de wagenoversten Jo̱safat zagen, zij, van hun kant, bij zichzelf zeiden: „Dat is de koning van I̱sraël.”+ Daarom keerden zij zich tegen hem om te strijden; en Jo̱safat ging luid om hulp roepen,+ en Jehovah zelf hielp hem,+ en God lokte hen terstond van hem weg.+ 32  Nu geschiedde het dat zodra de wagenoversten zagen dat het de koning van I̱sraël niet bleek te zijn, zij onmiddellijk terugkeerden van de achtervolging van hem.+ 33  En er was een man die in zijn argeloosheid de boog spande, maar hij trof+ toen de koning van I̱sraël tussen de aanhangsels en de maliënkolder, zodat hij tot de wagenmenner zei:+ „Wend uw hand, en gij moet mij uit het kamp brengen, want ik ben zwaar gewond.”+ 34  En de strijd bleef die dag in hevigheid toenemen, en de koning van I̱sraël zelf moest tot de avond tegenover de Syriërs in een staande positie worden gehouden in de wagen; en ten slotte stierf hij tegen de tijd dat de zon onderging.+

Voetnoten

Zie 1Kon 22:8 vtn.
Lett.: „één mond.”
Hebr.: Mi·khaʹjehoe. Zie Mi Titel vtn.
Lett.: „Micha.”
Of: „door.”
„[Voor mij zal het betekenen] vermomd in de strijd te gaan”, d.w.z. voor Achab. In het Hebr. zijn dit twee ww. die schijnbaar in de infinitivus absolutus staan, een vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.