Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Kronieken 1:1-17

1  En Sa̱lomo, de zoon van Da̱vid, kreeg steeds meer sterkte in zijn koningschap,+ en Jehovah, zijn God, was met hem+ en bleef hem bovenmatig groot maken.+  En Sa̱lomo gaf voorts bevel aan heel I̱sraël, aan de oversten van duizend+ en van honderd+ en aan de rechters+ en aan alle oversten van heel I̱sraël,+ de hoofden van de vaderlijke huizen.+  Toen gingen Sa̱lomo en de gehele gemeente* met hem naar de hoge plaats die te Gi̱beon was;+ want daar bevond zich de tent der samenkomst+ van de [ware] God,* die Mo̱zes, de knecht+ van Jehovah, in de wildernis gemaakt had.  De ark+ van de [ware] God had Da̱vid echter uit Ki̱rjath-Jea̱rim+ opgevoerd naar de plaats die Da̱vid ervoor had bereid,+ want hij had een tent voor haar opgeslagen in Jeru̱zalem.+  En het koperen altaar+ dat Beza̱leël,+ de zoon van U̱ri, de zoon van Hur,+ had gemaakt, was vóór de tabernakel van Jehovah geplaatst;* en zoals gewoonlijk wendden Sa̱lomo en de gemeente zich daarheen.  Sa̱lomo bracht daar nu offers voor het aangezicht van Jehovah op het koperen altaar dat bij de tent der samenkomst behoorde, en hij offerde daarop voorts duizend brandoffers.+  In die nacht verscheen God aan Sa̱lomo en zei toen tot hem: „Vraag! Wat zal ik u geven?”+  Daarop zei Sa̱lomo tot God: „Gij zijt het die grote liefderijke goedheid* jegens mijn vader Da̱vid hebt betracht+ en die mij koning hebt gemaakt in zijn plaats.+  Laat nu, o Jehovah God, uw belofte aan mijn vader Da̱vid betrouwbaar blijken te zijn,+ want gijzelf hebt mij koning gemaakt+ over een volk dat zo talrijk is als de stofdeeltjes van de aarde.+ 10  Geef mij nu wijsheid en kennis,+ opdat ik vóór dit volk kan uitgaan en opdat ik kan ingaan,+ want wie zou dit grote volk van u kunnen richten?”+ 11  Toen zei God tot Sa̱lomo: „Omdat gebleken is dat dit u na aan het hart lag+ en gij niet gevraagd hebt om rijkdom, stoffelijke bezittingen en eer of om de ziel* van wie u haten, en gij zelfs niet om veel dagen gevraagd hebt,+ maar gij om wijsheid en kennis voor u vraagt opdat gij mijn volk waarover ik u koning heb gemaakt, kunt richten,+ 12  worden de wijsheid en de kennis u gegeven;+ ook zal ik u rijkdom en stoffelijke bezittingen en eer geven zoals geen der koningen die er vóór u geweest zijn, ooit heeft gehad,+ en zoals niemand na u zal krijgen.”+ 13  Zo kwam Sa̱lomo [van*] de hoge plaats die te Gi̱beon was,+ van vóór de tent der samenkomst,+ naar Jeru̱zalem en bleef over I̱sraël regeren.+ 14  En Sa̱lomo bleef wagens en rijpaarden* bijeenbrengen, zodat hij in het bezit kwam van veertienhonderd wagens en twaalfduizend rijpaarden,+ en hij hield ze gestationeerd in wagensteden+ en dicht bij de koning in Jeru̱zalem. 15  Voorts maakte de koning het zilver en het goud in Jeru̱zalem als de stenen;+ en cederhout maakte hij zo overvloedig als de sycomoorbomen+ die in de Sjefe̱la* zijn.+ 16  En er was de export van de paarden die Sa̱lomo uit Egy̱pte had,+ en het gezelschap van de kooplieden van de koning haalde in de regel zelf de koppels paarden tegen een prijs.+ 17  En gewoonlijk haalden en exporteerden zij uit Egy̱pte een wagen voor zeshonderd zilverstukken en een paard voor honderd vijftig; en zo was het voor alle koningen van de Hethieten en de koningen van Sy̱rië.+ Door bemiddeling van hen geschiedde de export.

Voetnoten

„De . . . gemeente.” Hebr.: haq·qa·halʹ; Gr.: ek·kleʹsi·a.
„De [ware] God.” Hebr.: ha·ʼElo·himʹ; Gr.: tou Theʹou; Sy: „Jehovah.” Zie App. 1F.
„Was . . . geplaatst.” Lett.: „had hij (men) . . . geplaatst”, M; veel Hebr. hss.: „was daar [vóór de tabernakel van Jehovah].”
Of: „loyale liefde.”
Of: „het leven.”
„Van”, LXXVg.
Of: „ruiters.”
Of: „het laagland.”