Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Koningen 25:1-30

25  Nu geschiedde het in het negende+ jaar dat hij koning was, in de tiende maand, op de tiende+ dag van de maand, dat Nebukadne̱zar,+ de koning van Ba̱bylon, ja, hij en heel zijn krijgsmacht, tegen Jeru̱zalem kwam+ en zich ertegen ging legeren en zij er voorts rondom een belegeringswal tegen bouwden.+  En de stad kwam onder belegering tot het elfde jaar van koning Zedeki̱a.  Op de negende+ dag van de [vierde] maand* was de hongersnood+ zwaar in de stad, en er bleek geen brood+ te zijn voor het volk van het land.  En er werd een bres in de stad geslagen,+ en alle krijgslieden [vluchtten*] ’s nachts langs de weg van de poort tussen de dubbele muur, die bij de koningstuin is,+ terwijl de Chaldeeën+ rondom tegen de stad lagen; en [de koning*] sloeg de weg naar de Ara̱ba+ in.+  En een krijgsmacht van Chaldeeën+ zette de koning toen achterna, en zij achterhaalden hem+ ten slotte in de woestijnvlakten van Je̱richo;+ en heel zijn eigen krijgsmacht werd van zijn zijde vandaan verstrooid.  Toen grepen zij de koning+ en voerden hem op naar de koning van Ba̱bylon te Ri̱bla,+ opdat men een rechterlijke beslissing over hem zou uitspreken.  En Zedeki̱a’s zonen slachtte men voor zijn ogen af,+ en Zedeki̱a’s ogen maakte hij blind,+ waarna hij hem met koperen boeien bond+ en naar Ba̱bylon bracht.+  En in de vijfde maand, op de zevende [dag] van de maand, dat wil zeggen het negentiende+ jaar van koning Nebukadne̱zar, de koning van Ba̱bylon, kwam Nebuza̱radan,+ de overste van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Ba̱bylon, naar Jeru̱zalem.+  Hij dan verbrandde het huis van Jehovah+ en het huis van de koning+ en alle huizen van Jeru̱zalem;+ en het huis van ieder groot man* verbrandde hij met vuur.+ 10  En de muren van Jeru̱zalem, rondom, brak de gehele krijgsmacht van Chaldeeën die bij de overste van de lijfwacht was af.+ 11  En de rest van het volk+ dat in de stad achtergelaten was, en de overlopers die overgelopen* waren naar de koning van Ba̱bylon, en de rest van de menigte voerde Nebuza̱radan, de overste van de lijfwacht, in ballingschap weg.+ 12  En enkelen van het geringe volk+ van het land liet de overste van de lijfwacht achter als wijngaardeniers en als dwangarbeiders.+ 13  En de koperen zuilen+ die in het huis van Jehovah waren, en de wagentjes+ en de koperen zee+ die in het huis van Jehovah waren, braken de Chaldeeën aan stukken, waarop zij het koper daarvan naar Ba̱bylon voerden.+ 14  En de bakken en de schoppen en de lichtdovers en de bekers en al het koperen gerei+ waarmee men de dienst placht te verrichten, namen zij mee. 15  En de overste van de lijfwacht nam de vuurpotten mee en de schalen die van zuiver goud waren+ en die welke van zuiver zilver waren.+ 16  Wat de twee zuilen betreft, de ene zee en de wagentjes die Sa̱lomo voor het huis van Jehovah gemaakt had, het bleek niet mogelijk het gewicht van het koper van al dit gerei vast te stellen.+ 17  Achttien el+ was de hoogte van elke zuil, en het kapiteel+ erop was van koper; en de hoogte van het kapiteel was drie* el; en het netwerk en de granaatappels+ rondom op het kapiteel, dat alles was van koper; en de tweede zuil had hetzelfde als deze op het netwerk. 18  Bovendien nam de overste van de lijfwacht de overpriester* Sera̱ja+ en de tweede priester Zefa̱nja*+ en drie deurwachters+ mee; 19  en uit de stad nam hij één hofbeambte mee, die bevel had over de krijgslieden, en vijf mannen uit degenen die toegang hadden tot de koning,* die in de stad gevonden werden; en de secretaris van de legeroverste, die het volk van het land monsterde, en zestig mannen uit het volk van het land, die in de stad gevonden werden;+ 20  en Nebuza̱radan,+ de overste van de lijfwacht, nam hen voorts mee+ en voerde hen naar de koning van Ba̱bylon te Ri̱bla.+ 21  En de koning van Ba̱bylon sloeg hen toen neer+ en bracht hen ter dood te Ri̱bla, in het land van Ha̱math.+ Zo ging Ju̱da in ballingschap, weg van zijn bodem.+ 22  Wat het volk+ betreft dat in het land Ju̱da achtergelaten was, dat Nebukadne̱zar, de koning van Ba̱bylon, achtergelaten had, over hen stelde hij nu Geda̱lja,*+ de zoon van Ahi̱kam,+ de zoon van Sa̱fan,+ aan. 23  Toen alle oversten der strijdkrachten,+ zij en hun mannen, hoorden dat de koning van Ba̱bylon Geda̱lja aangesteld had, kwamen zij onmiddellijk naar Geda̱lja te Mi̱zpa,+ namelijk I̱smaël, de zoon van Netha̱nja, en Joha̱nan, de zoon van Kare̱ah, en Sera̱ja, de zoon van de Netofathiet Tanchu̱meth, en Jaäza̱nja,* de zoon van de Maächathiet, zij en hun mannen. 24  Toen zwoer+ Geda̱lja hun en hun mannen en zei tot hen: „Weest niet bevreesd dienaren van de Chaldeeën [te zijn]. Woont in het land en dient de koning van Ba̱bylon, en het zal U goed gaan.”+ 25  Het geschiedde nu in de zevende+ maand dat I̱smaël,+ de zoon van Netha̱nja, de zoon van Elisa̱ma, van het koninklijke nageslacht, kwam met nog tien mannen bij zich, en zij sloegen ten slotte Geda̱lja neer,+ zodat hij stierf, en tevens de joden en de Chaldeeën die zich bij hem te Mi̱zpa bevonden.+ 26  Daarna stond heel het volk, van klein tot groot, met de oversten van de strijdkrachten op, en zij kwamen in Egy̱pte;+ want zij waren bevreesd geworden wegens de Chaldeeën.+ 27  Voorts geschiedde het in het zevenendertigste jaar van de ballingschap van Jo̱jachin,+ de koning van Ju̱da, in de twaalfde maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, dat E̱vil-Me̱rodach,+ de koning van Ba̱bylon, in het jaar dat hij koning werd, het hoofd van Jo̱jachin, de koning van Ju̱da, uit het huis van bewaring verhief;+ 28  hij dan sprak goede [woorden] met hem en stelde zijn troon toen hoger dan de tronen van de koningen die met hem in Ba̱bylon waren.+ 29  En hij legde zijn gevangeniskleren af;+ en hij at voortdurend brood+ voor zijn aangezicht, al de dagen van zijn leven. 30  Wat het hem toegewezen deel+ betreft, een toegewezen deel werd hem voortdurend vanwege de koning verstrekt, zoveel [hem] dagelijks toekwam,* al de dagen van zijn leven.

Voetnoten

„Vierde maand” in Jer 52:6; M: „maand.”
„Vluchtten”, in overeenstemming met Sy en Jer 52:7; M laat het weg.
„Hij”, M; Vgc: „Zedekia”; Sy, enkele Hebr. hss. en Jer 52:7: „zij”, mv.
Of: „ieder groot huis.”
Lett.: „[af]gevallen [tot].”
„Drie”, M; TLagarde: „vijf”, zoals in Jer 52:22.
Lett.: „de hoofdpriester.” Hebr.: ko·henʹ ha·roʼsjʹ; LXXVg: „de eerste priester”; Sy: „de overpriester.”
Bet.: „Jehovah heeft verborgen [of: als een schat weggelegd].” Hebr.: Tsefan·jaʹhoe.
Lett.: „uit degenen die het aangezicht van de koning zagen.”
Bet.: „Groot is Jehovah.” Hebr.: Gedhal·jaʹhoe.
„En Jaäzanja.” Hebr.: weJa·ʼazan·jaʹhoe, wat „Jehovah leent het oor” betekent.
Lett.: „een ding van een dag op zijn dag.”