Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Koningen 23:1-37

23  Toen liet de koning alle oudere mannen van Ju̱da en Jeru̱zalem bij zich bijeenkomen.+  Daarna ging de koning op naar het huis van Jehovah, en ook alle mannen van Ju̱da en alle inwoners van Jeru̱zalem met hem, en ook de priesters+ en de profeten en al het volk, van klein tot groot;+ en hij las+ toen ten aanhoren van hen al de woorden van het boek+ van het verbond+ dat in het huis van Jehovah gevonden was.+  En de koning bleef bij de zuil staan+ en sloot nu het verbond+ voor het aangezicht van Jehovah, om Jehovah te volgen+ en met geheel het hart+ en met geheel de ziel+ zijn geboden+ en zijn getuigenissen*+ en zijn inzettingen+ te onderhouden door de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven stonden, ten uitvoer te brengen.+ Bijgevolg trad het gehele volk tot het verbond toe.+  Vervolgens gebood de koning de hogepriester Hilki̱a+ en de priesters van de tweede rang en de deurwachters+ om al het gerei dat gemaakt was voor Ba̱äl+ en voor de heilige paal+ en voor heel het heerleger van de hemel, uit de tempel van Jehovah naar buiten te brengen.+ Toen verbrandde hij het buiten Jeru̱zalem op de Kidronterrassen,+ en hij bracht het stof ervan naar Be̱thel.+  En hij ontsloeg de priesters van buitenlandse goden,* die door de koningen van Ju̱da waren aangesteld om offerrook te brengen op de hoge plaatsen in de steden van Ju̱da en in de omgeving van Jeru̱zalem, en ook degenen die offerrook brachten aan Ba̱äl,+ aan de zon en aan de maan en aan de sterrenbeelden van de dierenriem en aan heel het heerleger van de hemel.+  Bovendien bracht hij de heilige paal+ uit het huis van Jehovah weg naar de buitenwijken van Jeru̱zalem, naar het stroomdal van de Ki̱dron, en verbrandde hem+ in het stroomdal van de Ki̱dron en verpulverde hem tot stof en wierp het stof ervan op de begraafplaats+ van de zonen van het volk.  Voorts brak hij de huizen van de mannelijke tempelprostitués+ af, die in het huis van Jehovah waren, waar de vrouwen tentschrijnen weefden voor de heilige paal.  Toen liet hij alle priesters uit de steden van Ju̱da komen om de hoge plaatsen waar de priesters offerrook hadden gebracht, van Ge̱ba+ tot aan Berse̱ba,+ ongeschikt voor aanbidding te maken; en hij slechtte de hoge plaatsen der poorten* die bij de ingang van de poort van de stadsoverste Jo̱zua waren, welke aan de linkerkant was als men de stadspoort binnenkwam.*  Alleen waren de priesters+ der hoge plaatsen niet gewoon op te gaan tot het altaar van Jehovah te Jeru̱zalem, maar zij aten ongezuurde+ broden te midden van hun broeders. 10  En hij maakte To̱feth,*+ dat in het dal van de zonen van Hi̱nnom*+ ligt, ongeschikt voor aanbidding, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor Mo̱lech+ door het vuur zou doen gaan.+ 11  Voorts liet hij de paarden die de koningen van Ju̱da aan de zon hadden gegeven, niet meer bij het eetvertrek+ van de hofbeambte Na̱than-Me̱lech, dat zich in de overdekte zuilengangen bevond, het huis van Jehovah binnengaan; en de zonnewagens+ verbrandde hij in het vuur. 12  En de altaren die op het dak van het dakvertrek+ van A̱chaz waren, die de koningen van Ju̱da hadden gemaakt, en de altaren+ die Mana̱sse in twee voorhoven van het huis van Jehovah* had gemaakt, brak de koning af, waarna hij ze daar stuksloeg,* en hij wierp het stof ervan in het stroomdal van de Ki̱dron. 13  En de hoge plaatsen die vóór+ Jeru̱zalem waren, die rechts* van de Berg van het Verderf* waren, die Sa̱lomo,+ de koning van I̱sraël, gebouwd had voor A̱storeth,+ het walgelijke ding van de Sidoniërs, en voor Ka̱mos,+ het walgelijke ding van Mo̱ab, en voor Mi̱lkom,+ het walgelijke ding van de zonen van A̱mmon, maakte de koning ongeschikt voor aanbidding. 14  En hij brak+ de heilige zuilen aan stukken en hakte voorts de heilige palen om en vulde de plaatsen daarvan op met mensenbeenderen. 15  En ook het altaar dat te Be̱thel was,+ de hoge plaats die door Jero̱beam,+ de zoon van Ne̱bat, die I̱sraël had doen zondigen,+ was gemaakt, zelfs dat altaar en de hoge plaats slechtte hij. Toen verbrandde hij de hoge plaats; hij verpulverde [ze] tot stof* en verbrandde de heilige paal. 16  Toen Josi̱a* zich omkeerde, kreeg hij de grafsteden te zien die daar op de berg waren. Hij dan liet de beenderen uit de grafsteden halen en verbrandde+ ze op het altaar, om het ongeschikt voor aanbidding te maken, naar Jehovah’s* woord+ dat door de man van de [ware] God verkondigd was,+ die deze dingen verkondigd had. 17  Toen zei hij: „Wat is dat voor een grafsteen die ik daarginds zie?” Hierop zeiden de mannen van de stad tot hem: „Het is de grafstede+ van de man van de [ware] God die uit Ju̱da gekomen was+ en voorts deze dingen heeft verkondigd die gij tegen het altaar van Be̱thel+ hebt gedaan.” 18  Hij dan zei: „Laat hem met rust.+ Laat niemand zijn gebeente storen.” Dientengevolge liet men zijn gebeente ongemoeid, samen met het gebeente van de profeet+ die uit Sama̱ria was gekomen. 19  En ook alle huizen+ van de hoge plaatsen die in de steden+ van Sama̱ria waren, die door de koningen+ van I̱sraël waren gebouwd om [Hem] te krenken,*+ verwijderde Josi̱a, en hij deed er vervolgens mee naar al de daden die hij te Be̱thel+ gedaan had. 20  Bijgevolg slachtte hij alle priesters+ der hoge plaatsen die daar waren op de altaren en verbrandde er mensenbeenderen op.+ Daarna keerde hij naar Jeru̱zalem terug. 21  De koning gebood nu het gehele volk en zei: „Viert voor Jehovah,* UW God, een Pascha,+ naar hetgeen geschreven staat in dit boek van het verbond.”+ 22  Want zo’n Pascha had men niet meer gevierd sinds de dagen van de rechters die I̱sraël gericht hadden,+ noch gedurende al de dagen van de koningen van I̱sraël en de koningen van Ju̱da.+ 23  Maar in het achttiende jaar van koning Josi̱a werd dit Pascha voor Jehovah* te Jeru̱zalem gevierd.+ 24  En ook de geestenmediums+ en de beroepsvoorzeggers+ van gebeurtenissen en de terafim*+ en de drekgoden+ en al de walgelijkheden+ die in het land Ju̱da en in Jeru̱zalem verschenen waren, ruimde Josi̱a op, ten einde de woorden van de wet die geschreven waren in het boek+ dat de priester Hilki̱a in het huis van Jehovah gevonden had,+ metterdaad ten uitvoer te brengen.+ 25  En zoals hij bleek er vóór hem geen koning geweest te zijn die met geheel zijn hart en met geheel zijn ziel+ en met geheel zijn levenskracht, naar de gehele wet van Mo̱zes, tot Jehovah* is teruggekeerd;+ en ook na hem is er geen opgestaan zoals hij. 26  Toch keerde Jehovah* zich niet af van de grote hitte van zijn toorn, waarmee zijn toorn ontbrand was tegen Ju̱da+ vanwege al de krenkingen waarmee Mana̱sse hen ertoe gebracht had [hem] te krenken.+ 27  Maar Jehovah* zei: „Ook Ju̱da+ zal ik van voor mijn aangezicht verwijderen,+ net zoals ik I̱sraël verwijderd heb;+ en ik zal deze stad die ik uitgekozen heb, ja, Jeru̱zalem, en het huis waarvan ik gezegd heb: ’Mijn naam zal daar blijven’,+ stellig verwerpen.” 28  Wat de rest van de aangelegenheden van Josi̱a betreft en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet beschreven in het boek+ van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Ju̱da? 29  In zijn dagen trok farao Ne̱cho,*+ de koning van Egy̱pte, naar de koning van Assy̱rië* bij de rivier de E̱u̱fraat+ op, en koning Josi̱a ging hem voorts tegemoet;+ maar hij bracht hem ter dood+ te Megi̱ddo,+ zodra hij hem zag. 30  Zijn dienaren vervoerden hem daarom dood op een wagen van Megi̱ddo en brachten hem naar Jeru̱zalem+ en begroeven hem in zijn graf. Toen nam het volk van het land Jo̱ahaz,*+ de zoon van Josi̱a, en zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader. 31  Drieëntwintig jaar oud was Jo̱ahaz+ toen hij begon te regeren, en hij heeft drie maanden lang te Jeru̱zalem geregeerd. En de naam van zijn moeder was Hamu̱tal,+ de dochter van Jeremi̱a, uit Li̱bna. 32  En hij ging doen wat kwaad was in Jehovah’s ogen, naar alles wat zijn voorvaders gedaan hadden.+ 33  En farao Ne̱cho+ sloot hem ten slotte te Ri̱bla,+ in het land van Ha̱math, in boeien,+ opdat hij niet te Jeru̱zalem zou regeren,* en legde het land toen een boete op+ van honderd* talenten zilver+ en een talent goud.+ 34  Bovendien maakte farao Ne̱cho E̱ljakim,+ de zoon van Josi̱a, koning in de plaats van zijn vader Josi̱a en veranderde zijn naam in Jo̱jakim; en Jo̱ahaz nam hij mee en bracht hem vervolgens naar Egy̱pte, waar hij ten slotte stierf.+ 35  En het zilver+ en het goud gaf Jo̱jakim aan Farao. Alleen legde hij het land belasting op,+ om het zilver naar het bevel van Farao te geven. Van een ieder naar dat hij aangeslagen was,+ vorderde hij het zilver en het goud van het volk van het land, om het aan farao Ne̱cho te geven. 36  Vijfentwintig jaar oud was Jo̱jakim+ toen hij begon te regeren, en hij heeft elf jaar lang te Jeru̱zalem geregeerd.+ En de naam van zijn moeder was Zebu̱dda, de dochter van Peda̱ja, uit Ru̱ma. 37  En hij bleef doen wat kwaad was+ in Jehovah’s ogen, naar alles wat zijn voorvaders gedaan hadden.+

Voetnoten

Of: „vermaningen.”
„De priesters van buitenlandse goden.” Hebr.: hak·kema·rimʹ.
Mogelijk: „demonen in bokkengedaanten”, door een geringe verandering in M. Zie KB, blz. 926.
„Als men (een man) . . . binnenkwam”, LXXL.
„Tofeth”, M(Hebr.: hat·Toʹfeth)Vg; de eerste keer dat deze naam voorkomt.
Volgens M; MmargeLXXSyVg en veel Hebr. hss.: „het dal van de zoon van Hinnom.” Zie App. 4C.
Zie App. 1C (7).
„Hij ze daar stuksloeg”, door een correctie van M.
D.w.z. ten zuiden, als men naar het oosten gekeerd staat.
„Van de Berg van het Verderf.” Hebr.: leHar-ham·Masj·chithʹ. D.w.z. de Olijfberg, in het bijzonder de meest zuidelijke top, die ook als de Berg der Ergernis bekendstaat.
„Slechtte hij en vermaalde de stenen ervan en verpulverde [ze] tot stof”, LXX.
„Josia.” Hebr.: Joʼ·sji·jaʹhoe, zoals in 22:1.
Zie App. 1C (7).
„Om [Hem] te krenken”, M; LXXSyVg: „om Jehovah te krenken.”
Zie App. 1C (7).
Zie App. 1C (7).
„Terafim”, MLXX; Sy: „afgoden”; Vg: „afbeeldingen van afgoden.” Zie Ge 31:19 vtn.
Zie App. 1C (7).
Zie App. 1C (7).
Zie App. 1C (7).
Of: „Neko (Nekau).”
„Assyrië”, M; LXXVg: „de Assyriërs.”
Hebr.: Jehō·ʼa·chazʹ. Zie 14:1 vtn., „Joahaz”.
Volgens MmargeTLXXVg; MSy: „terwijl hij te Jeruzalem regeerde.”
Zie App. 8A.