Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Koningen 17:1-41

17  In het twaalfde jaar van A̱chaz, de koning van Ju̱da, werd Hose̱a,+ de zoon van E̱la, te Sama̱ria+ koning over I̱sraël, voor negen jaar.  En hij bleef doen wat kwaad was in Jehovah’s ogen, alleen niet zoals de koningen van I̱sraël die er vóór hem bleken te zijn.+  Tegen hem trok Salmane̱ser,+ de koning van Assy̱rië,+ op, en Hose̱a werd zijn knecht en ging hem schatting betalen.+  Maar de koning van Assy̱rië ontdekte ten slotte een samenzwering+ in Hose̱a’s geval, omdat hij boden had gezonden naar So, de koning van Egy̱pte,+ en aan de koning van Assy̱rië geen schatting meer opbracht zoals in voorgaande jaren. Daarom sloot de koning van Assy̱rië hem op en hield hem geboeid in het huis van bewaring.+  Toen trok de koning van Assy̱rië op tegen het gehele land en trok op naar Sama̱ria en belegerde+ het drie jaar lang.  In het negende jaar van Hose̱a nam de koning van Assy̱rië Sama̱ria in,+ waarna hij I̱sraël in ballingschap voerde+ naar Assy̱rië en hen liet wonen in Ha̱lah+ en in Ha̱bor aan de rivier de Go̱zan+ en in de steden van de Meden.+  Dit nu gebeurde omdat de zonen van I̱sraël gezondigd hadden+ tegen Jehovah, hun God, die hen uit het land Egy̱pte van onder de hand van Farao, de koning van Egy̱pte, had opgevoerd,+ en zij andere goden waren gaan vrezen;+  en zij bleven wandelen in de inzettingen+ van de natiën die Jehovah van voor het aangezicht van de zonen van I̱sraël verdreven had, en [in de inzettingen van] de koningen van I̱sraël, die dezen gemaakt hadden;  en de zonen van I̱sraël gingen de dingen navorsen die tegenover Jehovah, hun God, niet recht waren+ en bleven zich hoge plaatsen+ bouwen in al hun steden, vanaf de toren+ van de wachters helemaal tot aan de versterkte stad; 10  en zij bleven zich heilige zuilen+ en heilige palen+ oprichten op elke hoge heuvel+ en onder elke lommerrijke boom;+ 11  en daar, op alle hoge plaatsen, gingen zij ermee voort offerrook te brengen, evenals de natiën+ die Jehovah wegens hen in ballingschap had gevoerd, en zij bleven slechte dingen doen om Jehovah te krenken;+ 12  en zij gingen ermee voort drekgoden te dienen,*+ waarvan Jehovah hun had gezegd: „GIJ moogt deze zaak niet doen”;+ 13  en Jehovah bleef I̱sraël+ en Ju̱da+ waarschuwen+ door bemiddeling van al zijn profeten+ [en] iedere visionair,+ door te zeggen: „Keert van UW slechte wegen terug+ en onderhoudt mijn geboden,+ mijn inzettingen,+ overeenkomstig heel de wet+ die ik UW voorvaders heb geboden+ en die ik tot U heb gezonden door bemiddeling van mijn knechten, de profeten”;+ 14  en zij luisterden niet maar bleven hun nek verharden+ gelijk de nek van hun voorvaders, die geen geloof hadden geoefend+ in Jehovah, hun God; 15  en zij verwierpen voortdurend zijn voorschriften en zijn verbond+ dat hij met hun voorvaders gesloten had, en zijn vermaningen*+ waarmee hij hen gewaarschuwd had, en zij gingen ijdele afgoden+ achternalopen en werden zelf tot ijdelheid,+ ja, in nabootsing van de natiën die rondom hen waren, met betrekking waartoe Jehovah hun geboden had niet te doen zoals deze;+ 16  en zij bleven al de geboden+ van Jehovah, hun God, verlaten en maakten zich voorts gegoten beelden,+ twee kalveren,+ en zij gingen een heilige paal maken+ en zich voor heel het heerleger van de hemel neerbuigen+ en Ba̱äl dienen;+ 17  en zij gingen ermee voort hun zonen en hun dochters door het vuur te laten gaan+ en waarzeggerij te beoefenen+ en voortekens te zoeken,+ en zij bleven zich verkopen+ om te doen wat kwaad was in de ogen van Jehovah, om hem te krenken;+ 18  daarom werd Jehovah zeer vertoornd+ op I̱sraël, zodat hij hen van voor zijn aangezicht verwijderde.+ Hij liet niets overblijven dan alleen de stam Ju̱da.+ 19  Ook Ju̱da zelf onderhield niet de geboden van Jehovah, hun God,+ maar zij gingen wandelen in de inzettingen van I̱sraël,+ die zij gemaakt hadden. 20  Dientengevolge verwierp Jehovah heel het zaad*+ van I̱sraël, en hij bleef hen kwellen en hen in de hand van plunderaars geven, totdat hij hen van voor zijn aangezicht had weggeworpen.+ 21  Want hij scheurde I̱sraël van het huis van Da̱vid af, waarop zij Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, koning maakten; en Jero̱beam+ trok I̱sraël voorts van het volgen van Jehovah af, en hij deed hen zondigen met een grote zonde.+ 22  En de zonen van I̱sraël gingen wandelen in al de zonden van Jero̱beam, die hij gedaan had.+ Zij weken daarvan niet af, 23  totdat Jehovah I̱sraël van voor zijn aangezicht verwijderde,+ juist zoals hij gesproken had door bemiddeling van al zijn knechten, de profeten.+ Zo ging I̱sraël van zijn eigen grond in ballingschap naar Assy̱rië, tot op deze dag.+ 24  Nadien bracht de koning van Assy̱rië [mensen] uit Ba̱bylon*+ en Ku̱tha en A̱vva+ en Ha̱math+ en Sefarva̱ïm+ en liet hen in de plaats van de zonen van I̱sraël in de steden van Sama̱ria+ wonen; en zij namen voorts Sama̱ria in bezit en gingen in de steden daarvan wonen. 25  Nu gebeurde het in het begin dat zij daar woonden, dat zij Jehovah niet vreesden.+ Daarom zond Jehovah leeuwen+ onder hen, en die doodden ten slotte [sommigen] onder hen. 26  Zij lieten dus aan de koning van Assy̱rië zeggen: „De natiën die gij in ballingschap hebt gevoerd en vervolgens in de steden van Sama̱ria hebt doen wonen, hebben de religie* van de God* van het land niet gekend, zodat hij voortdurend leeuwen onder hen zendt;+ en zie! die brengen hen ter dood, aangezien er niemand is die de religie van de God van het land kent.” 27  Daarop gebood de koning van Assy̱rië en zei: „Laat een van de priesters+ die GIJ vandaar in ballingschap hebt gevoerd, erheen gaan, opdat hij er kan gaan wonen en hen in de religie van de God van het land onderwijst.” 28  Bijgevolg kwam er een van de priesters die men in ballingschap uit Sama̱ria had gevoerd, en hij ging te Be̱thel+ wonen, en hij werd een onderwijzer van hen met betrekking tot de wijze waarop zij Jehovah moesten vrezen.+ 29  Maar elke onderscheiden natie maakte ten slotte haar eigen god,*+ die zij vervolgens neerzetten in het huis van de hoge plaatsen die de Samaritanen* gemaakt hadden, elke onderscheiden natie,* in hun steden waar zij woonden. 30  En de mannen van Ba̱bylon, van hun kant, maakten Su̱kkoth-Be̱noth, en de mannen van Kuth,+ van hun kant, maakten Ne̱rgal, en de mannen van Ha̱math, van hun kant, maakten Asi̱ma. 31  Wat de Avvieten+ betreft, zij maakten Ni̱bhaz en Ta̱rtak; en de Sefarvieten+ verbrandden hun zonen in het vuur+ voor Adramme̱lech en Anamme̱lech, de goden van Sefarva̱ïm. 32  En zij werden mensen die Jehovah vreesden en gingen zich priesters der hoge plaatsen maken uit het volk in het algemeen,+ en dezen werden functionarissen voor hen in het huis van de hoge plaatsen. 33  Zij werden mensen die wel Jehovah vreesden+ maar hun eigen goden bleken te aanbidden,+ naar de religie van de natiën waaruit men hen in ballingschap had gevoerd.+ 34  Tot op deze dag doen zij naar hun vroegere religies.+ Er waren er geen die Jehovah vreesden+ en geen die deden naar zijn* inzettingen en zijn* rechterlijke beslissingen+ en de wet+ en het gebod+ dat Jehovah geboden had aan de zonen van Ja̱kob,+ die hij de naam I̱sraël gaf,+ 35  toen Jehovah een verbond+ met hen sloot en hun het volgende gebood: „GIJ moogt geen andere goden vrezen,+ en GIJ moogt U voor die niet neerbuigen, noch ze dienen* noch er slachtoffers aan brengen.+ 36  Maar Jehovah, die U met grote kracht en uitgestrekte arm uit het land Egy̱pte heeft opgevoerd,+ hem dient GIJ te vrezen,+ en voor hem dient GIJ U neer te buigen+ en aan hem dient GIJ slachtoffers te brengen.+ 37  En de voorschriften+ en de rechterlijke beslissingen+ en de wet en het gebod dat hij voor U heeft opgeschreven,+ dient GIJ altijd zorgvuldig te betrachten;+ en GIJ moogt geen andere goden vrezen. 38  En het verbond dat ik met U heb gesloten, moogt GIJ niet vergeten;+ en GIJ moogt geen andere goden vrezen.+ 39  Maar Jehovah,+ UW God, dient GIJ te vrezen, daar hij U uit de hand van al UW vijanden zal bevrijden.”+ 40  En zij gehoorzaamden niet, maar zij deden naar hun vroegere religie.+ 41  En deze natiën werden [natiën] die Jehovah vreesden,+ maar ze bleken hun eigen gehouwen beelden te dienen. Wat zowel hun zonen als hun kleinzonen betreft, net zoals hun voorvaders hadden gedaan, doen ook zij tot op deze dag.

Voetnoten

Of: „en zij gingen ermee voort heilige dienst te verrichten voor . . . (. . . te aanbidden).” Hebr.: wai·ja·ʽav·dhoeʹ; Gr.: e·la·treuʹsan. Zie Ex 3:12 vtn.
Of: „getuigenissen.”
Of: „nageslacht; nakomelingschap.”
„Uit Babylon”, LXXVg; Hebr.: mib·Ba·velʹ, „uit Babel”.
Lett.: „het recht; de rechterlijke beslissing.” Hebr.: misj·patʹ; Gr.: kriʹma; Lat.: le·giʹti·ma.
„God van.” Hebr.: ʼElo·hēʹ; Gr.: tou Theʹou; Lat.: Deʹi.
„Haar eigen god [of: goden].” Hebr.: ʼelo·havʹ; Gr.: theʹous, mv.; Lat.: deʹum.
„De Samaritanen.” Hebr.: hasj·Sjo·mero·nimʹ; de enige keer dat het in M voorkomt.
Lett.: „natie, natie.” Hebr.: gōj gōj, distributief gebruikt, evenals in het voorafgaande deel van het vs.
M: „hun.”
M: „hun.”
Of: „er heilige dienst voor verrichten; ze aanbidden.” Hebr.: tha·ʽav·dhoemʹ; Gr.: la·treuʹse·te. Zie Ex 3:12 vtn.