Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Koningen 14:1-29

14  In het tweede jaar van Jo̱as,+ de zoon van Jo̱ahaz,* de koning van I̱sraël, werd Ama̱zia,*+ de zoon van Jo̱as, de koning van Ju̱da, koning.  Vijfentwintig jaar oud was hij geworden toen hij begon te regeren, en hij heeft negenentwintig jaar lang te Jeru̱zalem geregeerd. En de naam van zijn moeder was Jo̱addin,+ uit Jeru̱zalem.  En hij bleef doen wat recht was in Jehovah’s ogen,+ alleen niet zoals zijn voorvader Da̱vid.+ Hij deed naar alles wat zijn vader Jo̱as gedaan had.+  Alleen de hoge plaatsen verdwenen niet.+ Nog steeds ging het volk door met het brengen van slachtoffers en offerrook op de hoge plaatsen.+  Nu gebeurde het dat zodra het koninkrijk sterk geworden was in zijn hand, hij voorts zijn dienaren neersloeg+ die de koning, zijn vader, neergeslagen hadden.+  En de zonen van de doodslagers bracht hij niet ter dood, overeenkomstig hetgeen geschreven staat in het boek van de wet van Mo̱zes, waarin Jehovah het volgende geboden heeft:+ „Vaders dienen niet ter dood gebracht te worden wegens zonen, en zonen op hun beurt dienen niet ter dood gebracht te worden wegens vaders; maar ieder dient om zijn eigen zonde ter dood gebracht te worden.”+  Hijzelf sloeg de Edomieten+ neer in het Zoutdal,+ tienduizend man, en veroverde ten slotte Se̱la in de oorlog, en het kreeg de naam Jo̱kteël, tot op deze dag.  Het was toen dat Ama̱zia boden zond naar Jo̱as, de zoon van Jo̱ahaz, de zoon van Je̱hu, de koning van I̱sraël, en [aan hem] liet zeggen: „Kom toch. Laten wij elkaar in het aangezicht zien.”+  Daarop liet Jo̱as, de koning van I̱sraël, aan Ama̱zia, de koning van Ju̱da, zeggen: „Het doornige onkruid zelf dat op de Li̱banon was, liet aan de ceder+ die op de Li̱banon was zeggen: ’Geef uw dochter toch als vrouw aan mijn zoon.’ Maar een wild dier van het veld dat op de Li̱banon was, kwam voorbij en vertrapte het doornige onkruid.+ 10  Gij hebt onmiskenbaar E̱dom verslagen,+ en uw hart heeft u verheven.+ Geniet van uw eer+ en woon in uw eigen huis. Waarom zoudt gij dan de strijd aanbinden+ onder ongunstige omstandigheden+ en ten val moeten komen, gij en Ju̱da met u?” 11  En Ama̱zia luisterde niet.+ Jo̱as, de koning van I̱sraël, trok dus op, en zij zagen elkaar vervolgens in het aangezicht,+ hij en Ama̱zia, de koning van Ju̱da, bij Beth-Se̱mes,+ dat tot Ju̱da behoort. 12  En Ju̱da leed ten slotte de nederlaag voor I̱sraël,+ zodat zij op de vlucht sloegen, ieder naar zijn tent. 13  En het was Ama̱zia, de koning van Ju̱da, de zoon van Jo̱as, de zoon van Aha̱zia, die door Jo̱as, de koning van I̱sraël, bij Beth-Se̱mes gevangen werd genomen, waarna zij naar Jeru̱zalem kwamen en hij een bres in de muur van Jeru̱zalem maakte bij de Efraïmpoort,+ helemaal tot aan de Hoekpoort,+ vierhonderd el.* 14  En hij nam al het goud en zilver en alle voorwerpen die in het huis van Jehovah+ en in de schatten van het huis van de koning te vinden waren, en de gijzelaars,* en keerde toen naar Sama̱ria terug. 15  Wat de rest van de aangelegenheden van Jo̱as betreft, wat hij gedaan heeft en zijn machtsbetoon en hoe hij gestreden heeft tegen Ama̱zia, de koning van Ju̱da, is dat niet beschreven in het boek+ van de aangelegenheden van de dagen der koningen van I̱sraël? 16  Ten slotte legde Jo̱as zich neer bij zijn voorvaders+ en werd begraven te Sama̱ria+ bij de koningen van I̱sraël, en zijn zoon Jero̱beam*+ begon in zijn plaats te regeren. 17  En Ama̱zia,+ de zoon van Jo̱as, de koning van Ju̱da, leefde na de dood van Jo̱as,+ de zoon van Jo̱ahaz, de koning van I̱sraël, nog vijftien jaar.+ 18  Wat de rest van de aangelegenheden van Ama̱zia betreft, is dat niet beschreven in het boek+ van de aangelegenheden van de dagen der koningen van Ju̱da?+ 19  Ten slotte verbond men zich te Jeru̱zalem in een samenzwering+ tegen hem, en hij vluchtte toen naar La̱chis;+ maar zij lieten hem achternazetten naar La̱chis en brachten hem daar ter dood.+ 20  Zij vervoerden hem derhalve op paarden en hij werd te Jeru̱zalem begraven+ bij zijn voorvaders in de Stad van Da̱vid.+ 21  Toen nam het gehele volk van Ju̱da Aza̱rja,+ die destijds zestien jaar oud was,+ en zij maakten hem koning in de plaats van zijn vader Ama̱zia.+ 22  Hij was het die E̱lath+ bouwde en het ten slotte aan Ju̱da terugbracht, nadat de koning zich bij zijn voorvaders had neergelegd. 23  In het vijftiende jaar van Ama̱zia, de zoon van Jo̱as, de koning van Ju̱da, werd Jero̱beam,+ de zoon van Jo̱as, de koning van I̱sraël, koning te Sama̱ria, voor eenenveertig jaar. 24  En hij bleef doen wat kwaad was in Jehovah’s ogen. Hij week niet af van alle zonden van Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, waarmee hij I̱sraël had doen zondigen.+ 25  Hij was het die de grens van I̱sraël herstelde, vanaf de toegang van Ha̱math+ helemaal tot aan de zee van de Ara̱ba,+ naar het woord van Jehovah, de God van I̱sraël, die gesproken had door bemiddeling van zijn knecht Jo̱na,+ de zoon van Ami̱ttai, de profeet die afkomstig was uit Gath-He̱fer.+ 26  Want Jehovah had de zeer bittere ellende van I̱sraël gezien.+ Er was geen hulpeloze noch waardeloze,* en er was geen helper voor I̱sraël.+ 27  En Jehovah had beloofd de naam van I̱sraël niet van onder de hemel uit te wissen.+ Dientengevolge redde hij+ hen door de hand van Jero̱beam, de zoon van Jo̱as. 28  Wat de rest van de aangelegenheden van Jero̱beam betreft en alles wat hij gedaan heeft en zijn machtsbetoon, hoe hij gestreden heeft en hoe hij Dama̱skus+ en Ha̱math+ aan Ju̱da in I̱sraël teruggebracht heeft, is dat niet beschreven in het boek van de aangelegenheden van de dagen der koningen van I̱sraël? 29  Ten slotte legde Jero̱beam zich neer bij zijn voorvaders, bij de koningen van I̱sraël, en zijn zoon Zachari̱a+ begon in zijn plaats te regeren.

Voetnoten

„Joahaz.” Hebr.: Jō·ʼa·chazʹ, de verkorte vorm van Jehō·ʼa·chazʹ, dat eveneens vertaald is met „Joahaz”.
Bet.: „Jehovah is sterk.” Hebr.: ʼAmats·jaʹhoe.
Ca. 178 m.
Lett.: „en de zonen van de borgstellingen.”
D.w.z. Jerobeam II.
Lett.: „noch een teruggehoudene (opgeslotene) noch een losgelatene (verlatene).” Vgl. De 32:36 vtn., „Waardeloze”.