Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Koningen 13:1-25

13  In het drieëntwintigste jaar van Jo̱as,+ de zoon van Aha̱zia,+ de koning van Ju̱da, werd Jo̱ahaz,+ de zoon van Je̱hu,+ koning over I̱sraël te Sama̱ria, voor zeventien jaar.  En hij bleef doen wat kwaad was in Jehovah’s ogen+ en ging de zonde navolgen van Jero̱beam,+ de zoon van Ne̱bat, waarmee hij I̱sraël had doen zondigen.+ Daarvan week hij niet af.  En Jehovah’s toorn+ ontbrandde tegen I̱sraël, zodat hij hen gedurende al hun dagen in de hand van Ha̱zaël,+ de koning van Sy̱rië, gaf en in de hand van Ben-Ha̱dad,+ de zoon van Ha̱zaël.  Na verloop van tijd vermurwde+ Jo̱ahaz het aangezicht van Jehovah, zodat Jehovah naar hem luisterde;+ want hij had de verdrukking over I̱sraël gezien,+ omdat de koning van Sy̱rië hen verdrukt had.+  Dientengevolge gaf Jehovah I̱sraël een redder,+ zodat zij onder de hand van Sy̱rië vandaan kwamen, en de zonen van I̱sraël woonden weer in hun huizen* zoals voorheen.+  (Alleen weken zij niet af van de zonde van het huis van Jero̱beam, waarmee hij I̱sraël had doen zondigen.+ Daarin wandelde hij;+ en ook de heilige paal*+ zelf stond te Sama̱ria.)  Want hij had Jo̱ahaz niet meer volk overgelaten dan vijftig ruiters en tien wagens en tienduizend man voetvolk,+ want de koning van Sy̱rië had hen verdelgd,+ om hen te maken als het stof bij het dorsen.+  Wat de rest van de aangelegenheden van Jo̱ahaz betreft en alles wat hij gedaan heeft en zijn machtsbetoon, is dat niet beschreven in het boek+ van de aangelegenheden van de dagen der koningen van I̱sraël?  Ten slotte legde Jo̱ahaz zich neer bij zijn voorvaders, en men begroef hem in Sama̱ria;+ en zijn zoon Jo̱as+ begon in zijn plaats te regeren. 10  In het zevenendertigste jaar van Jo̱as, de koning van Ju̱da, werd Jo̱as,+ de zoon van Jo̱ahaz, koning over I̱sraël te Sama̱ria, voor zestien jaar. 11  En hij bleef doen wat kwaad was in Jehovah’s ogen.+ Hij week niet af van alle zonden van Jero̱beam, de zoon van Ne̱bat, waarmee hij I̱sraël had doen zondigen.+ Daarin wandelde hij. 12  Wat de rest van de aangelegenheden van Jo̱as betreft en alles wat hij gedaan heeft en zijn machtsbetoon [en] hoe hij gestreden heeft+ tegen Ama̱zia, de koning van Ju̱da, is dat niet beschreven in het boek+ van de aangelegenheden van de dagen der koningen van I̱sraël? 13  Ten slotte legde Jo̱as zich neer bij zijn voorvaders, en Jero̱beam*+ zelf zette zich op zijn troon. Op zijn beurt werd Jo̱as begraven te Sama̱ria bij de koningen van I̱sraël.+ 14  Wat Eli̱sa+ betreft, hij was ziek geworden aan de ziekte waaraan hij sterven zou.+ Daarom kwam Jo̱as, de koning van I̱sraël, tot hem af, en hij weende toen over zijn aangezicht en zei: „Mijn vader,+ mijn vader, de strijdwagen* van I̱sraël en zijn ruiters!”+ 15  Eli̱sa zei nu tot hem: „Neem een boog en pijlen.” Hij nam zich dus een boog en pijlen. 16  Vervolgens zei hij tot de koning van I̱sraël: „Leg uw hand aan de boog.”* Bijgevolg legde hij zijn hand eraan, waarna Eli̱sa zijn handen op de handen+ van de koning legde. 17  Toen zei hij: „Open het venster naar het oosten.” Hij opende het dus. Ten slotte zei Eli̱sa: „Schiet!” Hij schoot dus. Nu zei hij: „Jehovah’s pijl van redding, ja, de pijl van redding+ tegen Sy̱rië! En gij zult Sy̱rië bij A̱fek+ stellig geheel en al verslaan.” 18  Vervolgens zei hij: „Neem de pijlen.” Daarop nam hij [ze]. Toen zei hij tot de koning van I̱sraël: „Sla op de aarde.” Hij sloeg derhalve driemaal en hield op.+ 19  En de man van de [ware] God+ werd verontwaardigd op hem; daarom zei hij: „Het was de bedoeling vijf- of zesmaal te slaan!* In dat geval zoudt gij Sy̱rië stellig geheel en al verslaan, maar nu zult gij Sy̱rië driemaal verslaan.”+ 20  Daarna stierf Eli̱sa en men begroef hem.+ En er waren roversbenden+ van de Moabieten+ die bij de intrede van het jaar geregeld in het land kwamen. 21  Nu gebeurde het dat toen men bezig was een man te begraven, wel, daar zagen zij de roversbende. Terstond wierpen zij de man in de grafstede van Eli̱sa en gingen heen. Toen de man in aanraking kwam met het gebeente van Eli̱sa, kwam hij onmiddellijk tot leven+ en stond op zijn voeten.+ 22  Wat Ha̱zaël+ betreft, de koning van Sy̱rië, hij verdrukte+ I̱sraël al de dagen van Jo̱ahaz. 23  Maar Jehovah betoonde hun gunst+ en was hun barmhartig+ en keerde zich tot hen ter wille van zijn verbond+ met A̱braham,+ I̱saäk+ en Ja̱kob;+ en hij wilde hen niet in het verderf storten,+ en hij heeft hen tot nu toe nog niet van voor zijn aangezicht weggeworpen. 24  Ten slotte stierf Ha̱zaël, de koning van Sy̱rië, en zijn zoon Ben-Ha̱dad begon in zijn plaats te regeren. 25  En Jo̱as, de zoon van Jo̱ahaz, nam voorts uit de hand van Ben-Ha̱dad, de zoon van Ha̱zaël, de steden weer terug die hij in de oorlog uit de hand van zijn vader Jo̱ahaz genomen had. Driemaal versloeg Jo̱as hem, en hij heroverde ten slotte de steden van I̱sraël.+

Voetnoten

Lett.: „tenten.”
Of: „de Asjera.”
D.w.z. Jerobeam II.
Zie 2:12 vtn.
Lett.: „Laat uw hand op de boog rijden.”
„Indien gij vijf- of zesmaal geslagen hadt”, LXX; Vg: „Indien gij vijf- of zes- of zevenmaal geslagen hadt.”