Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

2 Koningen 11:1-21

11  Wat nu Atha̱lia+ betreft, de moeder van Aha̱zia,+ zij zag dat haar zoon gestorven was. Derhalve stond zij op en verdelgde heel het nageslacht van het koninkrijk.+  Maar Jose̱ba,+ de dochter van koning Jo̱ram, de zuster van Aha̱zia, nam Jo̱as,*+ de zoon van Aha̱zia, en stal hem uit het midden van de koningszonen die ter dood gebracht moesten worden, ja, hem en zijn voedster, [en verborg hem] in de binnenkamer voor de rustbedden, en zij* hielden hem voor het aangezicht van Atha̱lia verborgen,+ en hij werd niet ter dood gebracht.  En hij bleef zes jaar lang bij haar verborgen in het huis van Jehovah, terwijl Atha̱lia over het land regeerde.+  En in het zevende jaar ontbood Jo̱jada+ de oversten van honderd van de Karische+ lijfwacht en van de hardlopers+ en nam [hen] vervolgens en bracht hen bij zich in het huis van Jehovah en sloot een verbond+ met hen en liet hen zweren+ in het huis van Jehovah, waarna hij hun de zoon van de koning toonde.  Voorts gebood hij hun en zei: „Dit is het wat GIJ zult doen: Een derde van U komt binnen op de sabbat en houdt streng de wacht bij het huis van de koning;+  en een derde zal bij de Fundamentpoort*+ zijn, en een derde zal bij de poort achter de hardlopers zijn; en GIJ moet om beurten streng de wacht houden bij het huis.+  En er zijn twee afdelingen onder U waarvan allen op de sabbat uitgaan, en zij moeten streng de wacht houden bij het huis van Jehovah ten behoeve van de koning.  En GIJ moet een kring vormen om de koning, ieder met zijn wapens in zijn hand; en iedereen die binnen de rijen komt, zal ter dood worden gebracht. En blijft bij de koning, wanneer hij uitgaat en wanneer hij binnenkomt.”  De oversten over honderd+ deden voorts naar al wat de priester Jo̱jada geboden had. Zij namen dus ieder hun mannen die op de sabbat binnenkwamen,+ te zamen met degenen die op de sabbat uitgingen, en kwamen toen bij de priester Jo̱jada. 10  De priester gaf de oversten van honderd nu de speren en de ronde schilden die aan koning Da̱vid behoord hadden, die in het huis van Jehovah waren.+ 11  En de hardlopers+ bleven staan, ieder met zijn wapens in de hand, van de rechterzijde* van het huis helemaal tot de linkerzijde* van het huis, bij het altaar+ en bij het huis, rondom nabij de koning. 12  Toen bracht hij de zoon+ van de koning naar buiten en zette hem de diadeem+ en de Getuigenis+ op; en zo maakten zij* hem koning+ en zalfden* hem.+ En zij klapten daarbij in de handen+ en zeiden: „Leve de koning!”+ 13  Toen Atha̱lia het geluid van het toelopende volk hoorde, kwam zij terstond naar het volk in het huis van Jehovah.+ 14  Toen zag zij, en zie, daar stond de koning bij de zuil,+ volgens het gebruik, en de oversten en de trompetten*+ bij de koning, en al het volk van het land verheugde zich+ en blies op de trompetten. Onmiddellijk scheurde Atha̱lia+ haar klederen en riep toen: „Een samenzwering! Een samenzwering!”+ 15  Maar de priester Jo̱jada gebood de oversten van honderd, de aangestelden van de krijgsmacht,+ en zei tot hen: „Haalt haar weg uit het midden der rijen, en wat een ieder betreft die haar nagaat, die worde met het zwaard ter dood gebracht!”*+ Want de priester had gezegd: „Laat haar niet in het huis van Jehovah ter dood gebracht worden.” 16  Zij sloegen dus de hand aan haar, en zij kwam via de paardeningang+ van het huis van de koning,+ en daar werd zij ter dood gebracht.+ 17  Toen sloot Jo̱jada het verbond+ tussen Jehovah+ en de koning+ en het volk, dat zij zich het volk van Jehovah zouden betonen; en ook tussen de koning en het volk.+ 18  Daarna ging al het volk van het land naar het huis van Ba̱äl en brak zijn altaren af;+ en zijn beelden braken zij volkomen aan stukken,+ en de Baälspriester Ma̱ttan+ doodden zij vóór de altaren.+ En de priester stelde nu opzieners* aan over het huis van Jehovah.+ 19  Voorts nam hij de oversten van honderd en de Karische+ lijfwacht en de hardlopers+ en al het volk van het land, opdat zij de koning uit het huis van Jehovah afwaarts zouden brengen; en zij kwamen ten slotte via de poort+ der hardlopers in het huis van de koning; en hij nam plaats op de troon+ van de koningen. 20  En al het volk van het land bleef zich verheugen;+ en wat de stad betreft, die had rust, en Atha̱lia zelf hadden zij bij het huis van de koning met het zwaard ter dood gebracht.*+ 21  Zeven jaar oud was Jo̱as*+ toen hij begon te regeren.+

Voetnoten

„Joas.” Hebr.: Jō·ʼasj′, de verkorte vorm van Jehō·ʼasj′, dat eveneens vertaald is met „Joas”. Vgl. vs. 21 vtn.
„Zij”, mv., M; LXXSyVg: „zij”, enk.
„Fundamentpoort”, in overeenstemming met 2Kr 23:5. Lett.: „poort Sur.”
Lett.: „de rechterschouder”, d.w.z. de zuidzijde als men naar het oosten gekeerd staat.
Lett.: „de linkerschouder”, d.w.z. de noordzijde als men naar het oosten gekeerd staat.
„En zo maakten zij”, MSyVg; LXX: „en hij maakte.”
„En [zij] zalfden”, MSyVg; LXX: „en hij zalfde.”
Of: „en de rechte trompetten.” Hebr.: weha·chatso·tserōth′; niet de sjō·far′, een gebogen dierenhoorn. Zie Nu 10:2 vtn.
„Worde . . . ter dood gebracht.” In het Hebr. is dit een ww. in de infinitivus absolutus, een vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.
Lett.: „opzicht; toezicht; hoede”, in het mv. Hebr.: peqoed·dōth′. Het Hebr. abstracte zn. voor „opzicht” of „toezicht” (mv.) is met de concrete aanduiding „opzieners” weergegeven.
MLXX laten hier hfdst. 11 eindigen.
Bet.: „Jehovah is sterk; Jehovah heeft geschonken.” Hebr.: Jehō·ʼasj′.