Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Samuël 23:1-39

23  En dit zijn de laatste woorden van Da̱vid:+ „De uitspraak van Da̱vid, de zoon van I̱saï,+ En de uitspraak van de fysiek sterke man* die hoog werd verheven,+ De gezalfde+ van de God van Ja̱kob, En de aangename persoon van de melodieën*+ van I̱sraël.*   De geest van Jehovah was het die door mij heeft gesproken,+ En zijn woord* was op mijn tong.+   De God van I̱sraël heeft gezegd, Tot mij sprak de Rots van I̱sraël:+ ’Wanneer degene die over de mensheid heerst, rechtvaardig is,+ Heerst in de vreze Gods,+   Dan is het als het morgenlicht, wanneer de zon gaat schijnen,+ Een morgen zonder wolken. Van de glans, van de regen, is er gras [dat voortspruit] uit de aarde.’+   Want is niet mijn huis alzo bij God?*+ Want het is een voor onbepaalde tijd durend verbond*+ dat hij mij heeft toegewezen, Welgeordend in alles en verzekerd.+ Want het is heel mijn redding+ en al mijn welbehagen, Zal hij het daarom niet doen ontspruiten?+   Maar nietswaardige personen+ worden weggejaagd,+ als doornbossen,+ allemaal; Want ze dienen niet met de hand te worden aangevat.   Wanneer een man ze aanraakt, Dient hij volledig gewapend te zijn met ijzer en speerschacht, En met vuur zullen ze grondig worden verbrand.”*+  Dit zijn de namen van de sterke+ mannen die bij Da̱vid behoorden: Jo̱scheb-Basche̱beth,+ een Tachkemoniet, het hoofd van de drie.* Hij zwaaide zijn speer* over achthonderd [man], die in één keer neergeveld waren.  Na hem was Elea̱zar,+ de zoon van Do̱do,+ de zoon van Aho̱hi, onder de drie sterke mannen [die] met Da̱vid [waren] toen zij de Filistijnen hoonden. Zij hadden zich daar voor de strijd verzameld,* en daarom trokken de mannen van I̱sraël terug.+ 10  Hij was het die opstond en de Filistijnen bleef neerslaan totdat zijn hand moe werd en zijn hand aan het zwaard bleef kleven,+ zodat Jehovah op die dag een grote redding bewerkte;+ en wat het volk betreft, zij keerden terug, achter hem aan, alleen maar om [de verslagenen] uit te schudden.+ 11  En na hem was er Sa̱mma, de zoon van A̱ge, de Harariet.+ Voorts verzamelden de Filistijnen zich te Le̱chi, waar zich toen een stuk veld vol met linzen+ bevond; en het volk zelf vluchtte wegens de Filistijnen. 12  Maar hij ging midden op het stuk [veld] staan en bevrijdde het en bleef de Filistijnen neerslaan, zodat Jehovah een grote redding bewerkte.+ 13  Voorts daalden drie van de dertig hoofden+ af en kwamen in [de] oogsttijd* bij Da̱vid in de grot van Adu̱llam;+ en een tentendorp van de Filistijnen was in de laagvlakte van Re̱faïm*+ gelegerd. 14  En Da̱vid was toen in de moeilijk toegankelijke plaats;+ en er was toen een voorpost+ van de Filistijnen in Be̱thlehem. 15  Kort daarop gaf Da̱vid zijn hevige verlangen te kennen en zei: „O kon ik toch maar wat water drinken uit de regenbak van Be̱thlehem, die bij de poort is!”+ 16  Hierop drongen de drie sterke mannen de legerplaats van de Filistijnen binnen en putten water uit de regenbak van Be̱thlehem, die bij de poort is, en zij namen het vervolgens mee en brachten het bij Da̱vid;+ en hij wilde het niet drinken, maar goot+ het uit voor Jehovah. 17  Voorts zei hij: „Het is mijnerzijds niet denkbaar,+ o Jehovah, dat ik dit zou doen! [Zal ik] het bloed+ van de mannen [drinken*], die met gevaar voor hun ziel er op uit zijn gegaan?” En hij wilde het niet drinken. Dit zijn de dingen die de drie sterke mannen deden. 18  Wat Abi̱saï+ betreft, de broer van Jo̱ab, de zoon van Zeru̱ja,+ hij was het hoofd van de dertig,* en hij zwaaide zijn speer over driehonderd verslagenen, en hij had een reputatie gelijk de drie.+ 19  Hoewel hij nog meer onderscheiding genoot dan de rest van de dertig,* en hij hun overste werd, reikte hij niet tot het peil van de [eerste] drie.+ 20  Wat Bena̱ja*+ betreft, de zoon van Jo̱jada,+ de zoon van een dapper man, die vele daden deed in Ka̱bzeël,+ hijzelf sloeg de twee zonen van A̱riël uit Mo̱ab neer; en hijzelf daalde af en sloeg een leeuw*+ neer binnen in een waterput, op een dag met sneeuwval.+ 21  En hij was het die de Egyptische man neersloeg die van ongewone afmetingen* was.+ Ofschoon er een speer in de hand van de Egyptenaar was, ging hij toch op hem af met een stok en rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar en doodde hem met zijn eigen speer.+ 22  Deze dingen deed Bena̱ja,+ de zoon van Jo̱jada; en hij had een reputatie gelijk de drie sterke mannen.+ 23  Hoewel hij nog meer onderscheiding genoot dan de dertig, reikte hij niet tot het peil van de drie; maar Da̱vid stelde hem aan over zijn eigen lijfwacht.+ 24  A̱saël,+ de broer van Jo̱ab, was onder de dertig; Elha̱nan,+ de zoon van Do̱do, uit Be̱thlehem; 25  de Harodiet Sa̱mma;+ de Harodiet Eli̱ka; 26  de Paltiet He̱lez;+ I̱ra,+ de zoon van de Tekoïet I̱kkes;+ 27  de Anathothiet+ Abië̱zer;+ de Husathiet+ Mebu̱nnai; 28  de Ahohiet+ Za̱lmon; de Netofathiet Ma̱harai;+ 29  He̱leb,+ de zoon van de Netofathiet Ba̱äna; I̱ttai,+ de zoon van Ri̱bai, uit Gi̱bea van de zonen van Be̱njamin; 30  Bena̱ja,+ een Pirathoniet; Hi̱ddai uit de stroomdalen van Ga̱äs;+ 31  de Arbathiet A̱bi-A̱lbon; de Barhumiet Azma̱veth;+ 32  de Saälboniet Elja̱hba; de zonen van Ja̱sen; Jo̱nathan;+ 33  de Harariet Sa̱mma; Ahi̱am,+ de zoon van de Harariet Sa̱rar; 34  Elife̱let, de zoon van Aha̱sbai, de zoon van de Maächathiet; Eli̱am, de zoon van de Giloniet Achito̱fel;+ 35  de Karmeliet He̱zro;+ de Arbiet Paë̱rai; 36  Ji̱gal, de zoon van Na̱than,+ uit Zo̱ba; de Gadiet Ba̱ni; 37  de Ammoniet Ze̱lek+ [en] de Beërothiet Na̱harai, wapendragers van Jo̱ab, de zoon van Zeru̱ja; 38  de Jethriet+ I̱ra; de Jethriet Ga̱reb;+ 39  de Hethiet Uri̱a+ — in het geheel zevenendertig.

Voetnoten

„De fysiek sterke man.” Hebr.: hag·geʹver.
„Melodieën van.” Hebr.: zemi·rōthʹ, d.w.z. met muziek begeleide liederen.
Of: „en de aangename zanger van Israël.”
„En zijn woord.” Hebr.: oe·mil·la·thōʹ (van mil·lahʹ), een woord dat alleen in poëzie wordt gebruikt, zoals in Ps 19:4; Ps 139:4; Sp 23:9 en 34 keer in Job.
„God.” Hebr.: ʼEl; Lat.: Deʹum; LXX: „de Sterke.”
Of: „een verbond van onbepaalde tijd.”
M voegt toe: „op de plaats waar ze zijn”, maar deze uitdr. schijnt wegens het in de volgende regel voorkomende erop gelijkende Hebr. woord basj·sjeʹveth onopzettelijk ingelast te zijn.
„Drie”, LXXL.
„Hij zwaaide zijn speer”, door een correctie van M in overeenstemming met 1Kr 11:11; M: „Hij was Adino, de Ezniet.”
„Bij David . . . te Pas-Dammim, waar de Filistijnen zich verzameld hadden voor de strijd”, in 1Kr 11:13.
„In [de] oogsttijd”, M; LXXL en 1Kr 11:15: „naar de rots.”
„Refaïm.” Hebr.: Refa·ʼimʹ; Gr.: Rhaʹfa·im; SyVg: „de reuzen.”
„Zal ik . . . drinken?”, LXX; ontbreekt in M als een aposiopesis (plotseling stilzwijgen; het plotseling afbreken van de zin).
„Dertig”, Sy en twee Hebr. hss.; MLXXVg: „drie.”
„Dertig”, in overeenstemming met vs. 18; MLXXVg: „drie.”
Lett.: „Benajahoe.”
Lett.: „de leeuw.” Hebr.: ha·ʼarihʹ, de Afrikaanse leeuw.
„Van ongewone afmetingen”, in overeenstemming met 1Kr 11:23; MLXX: „van aanzien.”