Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

2 Samuël 22:1-51

22  Voorts sprak Da̱vid tot Jehovah de woorden van dit lied,+ op de dag dat Jehovah hem uit de handpalm van al zijn vijanden en uit de handpalm van Saul+ had bevrijd;+  en hij zei vervolgens: „Jehovah is mijn steile rots+ en mijn vesting+ en Degene die mij ontkoming verschaft.+   Mijn God is mijn rots.+ Tot hem zal ik mijn toevlucht nemen, Mijn schild+ en mijn hoorn+ van redding, mijn veilige hoogte,+ En mijn toevluchtsoord,+ mijn Redder;+ van geweld redt gij mij.+   Degene die lof moet worden toegebracht,+ Jehovah, zal ik aanroepen, En van mijn vijanden zal ik worden gered.+   Want dodelijke brandingsgolven omgaven mij;+ Er waren stortvloeden van nietswaardige [mannen] die mij voortdurend verschrikten.+   Ja, de koorden van Sjeo̱o̱l* omringden mij;+ De strikken van de dood lagen vóór mij.+   In mijn benauwdheid bleef ik Jehovah aanroepen,+ En tot mijn God bleef ik roepen.+ Toen hoorde hij uit zijn tempel mijn stem,+ Met mijn hulpgeschreeuw in zijn oren.+   Daar schokte de aarde heen en weer en schudde;+ Ja, de grondvesten van de hemel geraakten in beroering,+ En ze bleven heen en weer schokken omdat zijn toorn was opgewekt.+   Rook steeg op bij zijn neusgaten, en louter vuur uit zijn mond bleef verslinden;+ Louter gloeiende kolen laaiden uit hem op.+ 10  Hij boog nu de hemel neer en daalde af;+ En dikke donkerheid was onder zijn voeten.+ 11  En hij kwam op een cherub gereden+ en kwam gevlogen; En hij was zichtbaar* op de vleugels van een geest.*+ 12  Toen stelde hij een duisternis rondom zich tot hutten,+ Donkere* wateren, dichte wolken.+ 13  Uit de glans vóór hem laaiden brandende kolen vuur op.+ 14  Vanuit de hemel ging Jehovah donderen,+ En de Allerhoogste zelf liet voorts zijn stem weerklinken.+ 15  En hij bleef pijlen uitzenden, om hen te verstrooien;+ Bliksem, om hen in verwarring te brengen.+ 16  En de stroombeddingen der zee werden zichtbaar,+ De grondvesten van het productieve land*+ werden ontbloot, Op de bestraffing van Jehovah, vanwege het geblaas van de adem* van zijn neusgaten.+ 17  Hij zond van omhoog, hij nam mij,+ Hij trok mij uit grote wateren.+ 18  Hij bevrijdde mij van mijn sterke vijand,+ Van hen die mij haatten; omdat zij sterker waren dan ik.+ 19  Zij bleven zich tegenover mij stellen op de dag van mijn ongeluk,+ Maar Jehovah werd mijn steun.+ 20  En hij bracht mij vervolgens uit in een ruime plaats;+ Hij verloste mij, omdat hij behagen in mij had gevonden.+ 21  Jehovah beloont mij overeenkomstig mijn rechtvaardigheid;+ Overeenkomstig de reinheid van mijn handen vergeldt hij mij.+ 22  Want ik heb de wegen van Jehovah gehouden,+ En ik ben niet goddeloos afgeweken van mijn God.+ 23  Want al zijn rechterlijke beslissingen+ staan mij voor ogen; En wat zijn inzettingen betreft, daarvan* zal ik niet afwijken.+ 24  En ik zal mij onberispelijk jegens hem betonen,+ En ik wil mij weerhouden van dwaling mijnerzijds.+ 25  En laat Jehovah mij vergelden overeenkomstig mijn rechtvaardigheid,+ Overeenkomstig mijn reinheid voor zijn ogen.+ 26  Jegens iemand die loyaal is, zult gij loyaal handelen;+ Jegens de onberispelijke, sterke [man] zult gij onberispelijk handelen;+ 27  Jegens degene die zich rein bewaart, zult gij u rein betonen,+ En jegens de verkeerde zult gij als dwaas handelen.+ 28  En het deemoedige volk zult gij redden;+ Maar uw ogen zijn tegen de hoogmoedigen, [om hen] te vernederen.*+ 29  Want gij zijt mijn lamp, o Jehovah,+ En Jehovah is het die mijn duisternis verlicht.+ 30  Want door u kan ik op een roversbende inrennen;+ Door mijn God kan ik een muur beklimmen.+ 31  Wat de [ware] God betreft, volmaakt is zijn weg;+ Jehovah’s woord is gelouterd.+ Een schild is hij voor allen die hun toevlucht tot hem nemen.+ 32  Want wie is een God* behalve Jehovah,+ En wie is een rots behalve onze God?*+ 33  De [ware] God is mijn sterke vesting,*+ En hij zal mijn weg volmaakt doen zijn,+ 34  Door mijn voeten als die van de hinden te maken;*+ En op plaatsen die hoog voor mij zijn, houdt hij mij staande.+ 35  Hij onderwijst mijn handen tot de oorlogvoering;+ En mijn armen hebben een koperen boog neergedrukt.+ 36  En gij zult mij uw schild van redding geven,+ En het is uw deemoed die mij groot maakt.+ 37  Gij zult voldoende ruimte maken voor mijn schreden onder mij;+ En mijn enkels zullen stellig niet wankelen.+ 38  Ik wil mijn vijanden achtervolgen, om hen te verdelgen, En ik zal niet terugkeren totdat zij zijn uitgeroeid.+ 39  En ik zal hen uitroeien en verpletteren,+ opdat zij niet opstaan;+ En zij zullen vallen onder mijn voeten.+ 40  En gij zult mij met vitale kracht omgorden voor de strijd;+ Gij zult hen die tegen mij opstaan, onder mij doen ineenstorten.+ 41  En wat mijn vijanden betreft, gij zult mij stellig [hun] nek geven;+ Zij die mij intens haten — ik zal hen ook tot zwijgen brengen.+ 42  Zij schreeuwen om hulp, maar er is geen redder;+ Tot Jehovah, maar in werkelijkheid antwoordt hij hun niet.+ 43  En ik zal hen fijnstampen als het stof der aarde; Als het slijk van de straten zal ik hen verpulveren;+ Ik zal hen plattreden. 44  En gij zult mij ontkoming verschaffen van het gevit van mijn volk.+ Gij zult mij beveiligen om het hoofd van natiën te zijn;+ Een volk dat ik niet heb gekend — zij zullen mij dienen.+ 45  Ja, buitenlanders zullen kruipend tot mij komen;+ Oren zullen gehoorzaam zijn om mij te horen.+ 46  Ja, buitenlanders* zullen verkwijnen, En zij zullen sidderend uit hun bolwerken komen.+ 47  Jehovah leeft;+ en gezegend zij mijn Rots;+ En de God van de rots van mijn redding worde verhoogd.+ 48  De [ware] God is het die mij wraakoefeningen verschaft+ En die de volken onder mij neerwerpt,+ 49  En die mij uitvoert uit [het midden van] mijn vijanden.+ En boven hen die tegen mij opstaan, zult gij mij verheffen;+ Van de man van gewelddaden zult gij mij bevrijden.+ 50  Daarom zal ik u danken, o Jehovah, onder de natiën;+ En voor uw naam zal ik melodieën spelen:+ 51  Degene die grote reddingen bewerkt voor zijn koning+ En liefderijke goedheid* betracht jegens zijn gezalfde,*+ Jegens Da̱vid en zijn zaad* voor onbepaalde tijd.”+

Voetnoten

Sjeool.” Hebr.: sjeʼōl′; Syr.: da·sjioel; Vgc(Lat.): in·fer′ni; Gr.: tha′na·tou, „[de] dood”. Zie App. 4B.
Mogelijk: „hij kwam toegeschoten”, door een geringe correctie van M, en zoals in Ps 18:10 en veel Hebr. hss.
Of: „vleugels van de wind.”
„Donkere”, door een tekstverbetering; volgens KB3: „zeef [der].”
„Het productieve land.” Hebr.: te·vel′; Gr.: oi·kou′me·nes, „de bewoonde aarde”, hetzelfde woord als in Mt 24:14; Lat.: or′bis, „het rond [der aarde]”.
„Adem van.” Hebr.: roe′ach; Gr.: pneu′ma·tos.
Lett.: „van haar.”
Lett.: „maar uw ogen zult gij neerslaan tegen de hoogmoedigen.”
„Wie is een God”, M(Hebr.: mi-ʼEl′)Vg; LXX: „wie is een Sterke.”
„Onze God.” Hebr.: ʼElo·hē′noe; Gr.: The′ou; Lat.: De′um.
Of: „De [ware] God omgordt mij vast met vitale kracht”, door een tekstverbetering in overeenstemming met Ps 18:32.
Of: „stellen.”
Lett.: „zonen van een vreemd (land).”
Of: „loyale liefde.”
„Jegens zijn gezalfde.” Hebr.: lim·sji·chō′; Gr.: chri·stoi′; Syr.: lam·sji·cheh; Lat.: chri′sto.
Of: „nageslacht; nakomelingschap.”