Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

2 Samuël 21:1-22

21  Nu ontstond er in de dagen van Da̱vid een hongersnood,+ drie jaar lang, jaar op jaar; en Da̱vid ging het aangezicht van Jehovah raadplegen. Toen zei Jehovah: „Op Saul en op zijn huis rust bloedschuld,* omdat hij de Gibeonieten ter dood gebracht heeft.”+  De koning dan riep de Gibeonieten+ en sprak tot hen. (Terloops zij opgemerkt, dat de Gibeonieten niet tot de zonen van I̱sraël behoorden, maar tot het overschot van de Amorieten;+ en de zonen van I̱sraël zelf hadden hun een eed gedaan,+ maar Saul trachtte hen neer te slaan+ omdat hij jaloezie+ gevoelde ten opzichte van de zonen van I̱sraël en Ju̱da.)  Vervolgens zei Da̱vid tot de Gibeonieten: „Wat zal ik voor U doen, en waarmee zal ik verzoening bewerken,*+ opdat GIJ het erfdeel+ van Jehovah stellig moogt zegenen?”  De Gibeonieten dan zeiden tot hem: „Het gaat ons* in verband met Saul en zijn huis niet om zilver of goud,+ en het komt ons ook niet toe een man in I̱sraël ter dood te brengen.” Hierop zei hij: „Wat GIJ ook zegt, zal ik voor U doen.”  Hierop zeiden zij tot de koning: „De man die ons heeft uitgeroeid+ en die plannen beraamde+ om ons te verdelgen, zodat wij in geen enkel gebied van I̱sraël meer zouden voortbestaan —  laat er ons zeven mannen van zijn zonen worden gegeven;+ en wij moeten hen voor Jehovah te Gi̱bea+ van Saul, de uitverkorene* van Jehovah,+ tentoonstellen.”*+ Bijgevolg zei de koning: „Ikzelf zal hen geven.”  De koning had echter mededogen met Mefibo̱seth,+ de zoon van Jo̱nathan, de zoon van Saul, wegens de eed+ van Jehovah die er tussen hen was, tussen Da̱vid en Jo̱nathan, de zoon van Saul.  Dientengevolge nam de koning de twee zonen van Ri̱zpa,+ de dochter van A̱jja, die zij Saul gebaard had, Armo̱ni en Mefibo̱seth, en de vijf zonen van Mi̱chal,*+ de dochter van Saul, die zij A̱driël,+ de zoon van Barzi̱llai, de Meholathiet, gebaard had.  Toen gaf hij hen in de hand van de Gibeonieten en zij stelden hen vervolgens op de berg voor het aangezicht van Jehovah tentoon,+ zodat zij alle zeven tegelijk vielen; zij nu werden ter dood gebracht in de eerste dagen van de oogst, bij het begin van de gerstoogst.+ 10  Maar Ri̱zpa, de dochter van A̱jja,+ nam zakkengoed+ en spreidde dat voor zich uit op de rots, vanaf het begin van de oogst totdat er water uit de hemel op hen neerstroomde;+ en zij liet het gevogelte+ van de hemel niet toe overdag op hen te rusten, noch de wilde dieren+ van het veld bij nacht. 11  Ten slotte werd er aan Da̱vid bericht+ wat Ri̱zpa, de dochter van A̱jja, Sauls bijvrouw, had gedaan. 12  Da̱vid dan ging heen en haalde bij de grondbezitters van Ja̱bes-Gi̱lead+ de beenderen van Saul+ en de beenderen van diens zoon Jo̱nathan weg, die door hen waren gestolen van het openbare plein in Beth-San,+ waar de Filistijnen hen hadden opgehangen+ op de dag dat de Filistijnen Saul op de Gilbo̱a hadden neergeslagen.+ 13  Hij dan bracht vandaar de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jo̱nathan mee; bovendien verzamelden zij de beenderen van de mannen die waren tentoongesteld.+ 14  Toen begroeven zij de beenderen van Saul en van diens zoon Jo̱nathan* in het land van Be̱njamin, te Ze̱la,*+ in de grafstede van zijn vader Kis,+ opdat zij alles mochten doen wat de koning had geboden. Hierna dan liet God zich verbidden ten gunste van het land.+ 15  En de Filistijnen+ geraakten weer in oorlog met I̱sraël. Bijgevolg daalden Da̱vid en zijn dienaren met hem af en streden tegen de Filistijnen; en Da̱vid werd vermoeid. 16  En Ji̱sbi-Be̱nob, die tot degenen behoorde die aan de Refaïeten*+ geboren waren, wiens speer+ het gewicht van driehonderd sikkelen* koper had en die met een nieuw zwaard* was omgord, kwam op de gedachte Da̱vid neer te slaan. 17  Terstond kwam Abi̱saï,+ de zoon van Zeru̱ja, hem te hulp+ en sloeg de Filistijn neer en bracht hem ter dood. Het was toen dat de mannen van Da̱vid hem bezwoeren en zeiden: „Gij moogt niet meer met ons ten strijde uittrekken,+ opdat gij de lamp+ van I̱sraël niet uitblust!”+ 18  Nu geschiedde het hierna dat er nog eens oorlog ontstond met de Filistijnen te Gob.* In die tijd sloeg Si̱bbechai,+ de Husathiet,+ Saf neer, die tot degenen behoorde die aan de Refaïeten+ geboren waren. 19  En er ontstond nog eens oorlog met de Filistijnen te Gob, en Elha̱nan,+ de zoon van Jaä̱re-O̱regim, de Bethlehemiet, slaagde erin de Gathiet Go̱liath* neer te slaan,* wiens speerschacht gelijk een weversboom was.+ 20  En er ontstond nogmaals oorlog te Gath,+ toen er een man van ongewone afmetingen was, met zes vingers aan elk van zijn handen en zes tenen aan elk van zijn voeten, vierentwintig in getal; en ook hij was aan de Refaïeten geboren.+ 21  En hij bleef I̱sraël honen.+ Ten slotte sloeg Jo̱nathan,+ de zoon van Si̱meï,*+ Da̱vids broer, hem neer. 22  Deze vier waren aan de Refaïeten in Gath geboren;+ en zij kwamen te vallen door de hand van Da̱vid en door de hand van zijn dienaren.+

Voetnoten

Lett.: „het bloed.” Hebr.: had·da·mimʹ, mv.
Of: „het goedmaken.”
Lett.: „mij”, M, in coll. zin; Mmarge: „ons.”
„De uitverkorene”, M; LXX: „de uitverkorenen”; Vg: „de eens uitverkorene.” Waarschijnlijk te lezen: „op de berg.” Vgl. vs. 9.
„Tentoonstellen”, M, d.w.z. met de armen en benen gebroken; LXX: „in de zon hangen”; Sy: „offeren.”
„Merab”, LXXL en twee Hebr. hss.; Sy: „Nadab.” De targoems luiden: „de vijf zonen van Merab (die Michal, Sauls dochter, had grootgebracht), die zij gebaard had.” Vgl. 6:23.
LXX voegt toe: „en van de in de zon gehangenen.”
Of: „Zelah.”
Lett.: „de Rafa.” Hebr.: ha·Ra·fahʹ. Aangenomen wordt dat de naam van de vader hier voor het gehele reuzengeslacht staat.
Ca. 3,42 kg.
„Een nieuw zwaard”, Vg; Gr.: koʹru·nen, „een knots”, vaak met ijzer beslagen voor de strijd.
„Gezer” in 1Kr 20:4.
Of: „Goliath uit Gath.”
„De zoon van Jaäre-Oregim, de Bethlehemiet, slaagde erin . . . Goliath neer te slaan”, M; in 1Kr 20:5: „de zoon van Jaïr, slaagde erin Lachmi, de broer van . . . Goliath, neer te slaan.”
„Simea” in 1Kr 20:7; in 1Sa 16:9: „Samma.”