Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Thessalonicenzen 2:1-20

2  GIJ weet immers zelf, broeders, hoe ons bezoek+ aan U niet zonder resultaten is geweest,+  maar hoe wij, na eerst (zoals GIJ weet) in Fili̱ppi+ geleden te hebben+ en onbeschaamd behandeld te zijn,+ door bemiddeling van onze God vrijmoedigheid hebben verzameld* om onder veel strijd het goede nieuws van God tot U te spreken.+  Want de vermaning die wij geven, spruit niet voort uit dwaling of uit onreinheid+ en [gaat niet gepaard] met bedrog,  maar zoals God ons geschikt bevonden heeft om ons het goede nieuws toe te vertrouwen,+ zo spreken wij, niet om mensen te behagen,+ maar God, die ons hart beproeft.+  Ja, nooit zijn wij met vleiende woorden+ gekomen (zoals GIJ weet), noch met een vals voorkomen*+ waarachter zich hebzucht+ verschool, God is getuige!  Ook hebben wij geen heerlijkheid van mensen gezocht,+ noch van U noch van anderen, ofschoon wij als apostelen van Christus een dure last konden zijn.*+  Integendeel, wij zijn in UW midden vriendelijk* geworden, zoals wanneer een zogende moeder haar eigen kinderen koestert.+  Daar wij dus tedere genegenheid voor U hadden,+ hebben wij U gaarne niet alleen het goede nieuws van God meegedeeld, maar ook onze eigen ziel,*+ want GIJ zijt ons lief geworden.+  Stellig herinnert GIJ U, broeders, onze arbeid en ons zwoegen. Door nacht en dag te werken,+ ten einde niemand van U een dure last op te leggen,+ hebben wij het goede nieuws van God tot U gepredikt. 10  GIJ zijt getuigen, en God eveneens, hoe loyaal en rechtvaardig en onberispelijk+ wij ons jegens U, gelovigen, hebben betoond. 11  In overeenstemming daarmee weet GIJ zeer goed hoe wij, zoals een vader+ zijn kinderen, een ieder van U bleven vermanen+ en bemoedigen en getuigenis tot U bleven afleggen, 12  opdat GIJ zoudt voortgaan te wandelen+ op een wijze welke God, die U roept+ tot zijn koninkrijk+ en heerlijkheid, waardig is. 13  Ja, daarom danken wij God ook zonder ophouden,+ want toen GIJ Gods woord hebt ontvangen,+ hetwelk GIJ van ons hebt gehoord, hebt GIJ het niet als het woord van mensen+ aangenomen, maar, wat het ook inderdaad is, als het woord van God, dat* ook in U, gelovigen, werkzaam is.+ 14  Want GIJ zijt navolgers* geworden, broeders, van de gemeenten van God in eendracht met Christus Jezus die in Jude̱a zijn, want ook GIJ hebt van de zijde van UW eigen landgenoten hetzelfde lijden te verduren gekregen+ als ook zij van de zijde der joden, 15  die zelfs de Heer Jezus+ en de profeten hebben gedood+ en ons hebben vervolgd.+ Bovendien behagen zij God niet, maar zijn tegen [de belangen van] alle mensen, 16  daar zij ons trachten te verhinderen*+ tot mensen uit de natiën te spreken opdat dezen gered zouden worden,+ met het gevolg dat zij altijd de maat van hun zonden vol maken.+ Maar zijn* gramschap is ten slotte* over hen gekomen.+ 17  Wat onszelf betreft, broeders, toen wij slechts een korte tijd* naar de persoon, niet naar het hart, van U beroofd waren,* hebben wij met groot verlangen buitengewone moeite gedaan om UW aangezicht te zien.+ 18  Om die reden wilden wij naar U toe komen, ja ik, Pa̱u̱lus, zowel een eerste als een tweede maal, maar Sa̱tan heeft ons de pas afgesneden. 19  Want wat is onze hoop of vreugde of kroon+ van gejuich — ja, zijt GIJ het niet in werkelijkheid? — voor het aangezicht van onze Heer Jezus bij zijn tegenwoordigheid?*+ 20  GIJ zijt stellig onze heerlijkheid en vreugde.

Voetnoten

Of: „vrijmoedig (openhartig) werden.”
„Vals voorkomen.” Lett.: „voorwendsel.”
„Een dure last konden zijn.” Of: „ons gezag konden laten gelden; ons op onze belangrijkheid konden laten voorstaan.”
„Vriendelijk”, AVgSyh,p; אBC*D*Vgc: „kleine kinderen.”
Of: „ons eigen leven”, in het Gr. mv.
Of: „die.”
Of: „nabootsers.”
Of: „daar zij ons blijven verbieden.”
„De”, אAB; DVg: „Gods.”
Of: „tot het einde toe.”
Of: „voor een tijdperk van een uur.” Lett.: „tegen een bestemde tijd van een uur.”
„Toen wij . . . beroofd waren.” Lett.: „. . . verweesd geweest zijnd.”
Zie App. 5B.