Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Kronieken 3:1-24

3  En dit werden de zonen van Da̱vid+ die hem te He̱bron+ werden geboren: de eerstgeborene A̱mnon,+ van Ahino̱am,+ de Jizreëlitische,+ de tweede Da̱niël, van Abi̱gaïl,+ de Karmelitische,+  de derde A̱bsalom,+ de zoon van Ma̱ächa,+ de dochter van Ta̱lmai,+ de koning van Ge̱sur,+ de vierde Ado̱nia,+ de zoon van Ha̱ggith,+  de vijfde Sefa̱tja, van Abi̱tal,+ de zesde Ji̱thream, van zijn vrouw E̱gla.+  Zes werden er hem te He̱bron geboren; en hij bleef daar zeven jaar en zes maanden regeren, en drieëndertig jaar lang heeft hij te Jeru̱zalem geregeerd.+  En dezen werden hem te Jeru̱zalem+ geboren: Si̱mea+ en So̱bab+ en Na̱than+ en Sa̱lomo,+ vier van Bathse̱ba,*+ de dochter van A̱mmiël,+  en Ji̱bhar+ en Elisa̱ma*+ en Elife̱let,+  en No̱gah en Ne̱feg en Jafi̱a,+  en Elisa̱ma+ en E̱ljada en Elife̱let,+ negen,  allen zonen van Da̱vid, afgezien van de zonen van de bijvrouwen, en hun zuster Ta̱mar.+ 10  En de zoon van Sa̱lomo was Reha̱beam,+ diens zoon Abi̱a,+ diens zoon A̱sa,+ diens zoon Jo̱safat,+ 11  diens zoon Jo̱ram,*+ diens zoon Aha̱zia,+ diens zoon Jo̱as,*+ 12  diens zoon Ama̱zia,+ diens zoon Aza̱rja,+ diens zoon Jo̱tham,+ 13  diens zoon A̱chaz,+ diens zoon Hizki̱a,+ diens zoon Mana̱sse,+ 14  diens zoon A̱mon,+ diens zoon Josi̱a.+ 15  En de zonen van Josi̱a waren de eerstgeborene Joha̱nan,* de tweede Jo̱jakim,+ de derde Zedeki̱a,+ de vierde Sa̱llum. 16  En de zonen van Jo̱jakim: zijn zoon Jecho̱nja,+ diens zoon Zedeki̱a. 17  En de zonen van Jecho̱nja als gevangene waren zijn zoon Sea̱lthiël+ 18  en Malchi̱ram en Peda̱ja en Sena̱ssar, Jeka̱mja, Ho̱sama en Neda̱bja. 19  En de zonen van Peda̱ja waren Zerubba̱bel+ en Si̱meï; en de zonen van Zerubba̱bel waren Mesu̱llam en Hana̱nja (en Selo̱mith was hun zuster); 20  en Hasu̱ba en O̱hel en Bere̱chja en Hasa̱dja, Ju̱sab-He̱sed, vijf. 21  En de zonen van Hana̱nja waren Pela̱tja+ en Jesa̱ja, de zonen van [Jesa̱ja] Refa̱ja, de zonen van [Refa̱ja] A̱rnan, de zonen van [A̱rnan] Oba̱dja, de zonen van [Oba̱dja] Secha̱nja; 22  en de zonen van Secha̱nja: Sema̱ja, en de zonen van Sema̱ja: Ha̱ttus en Ji̱gal en Bari̱ah en Nea̱rja en Sa̱fat, zes. 23  En de zonen van Nea̱rja waren Eljo̱ënai en Hizki̱a en Azri̱kam, drie. 24  En de zonen van Eljo̱ënai waren Hoda̱vja en E̱ljasib en Pela̱ja en A̱kkub en Joha̱nan en Dela̱ja en Ana̱ni, zeven.

Voetnoten

„Bathseba”, Vg; M: „Bathsua.”
„Elisama”, MLXXSyVg; twee Hebr. hss., 14:5 en 2Sa 5:15: „Elisua.”
„Joram.” Hebr.: Jō·ramʹ.
„Joas.” Hebr.: Jō·ʼasjʹ.
„Johanan”, MLXXSyVg; LXXL: „Joahaz.”