Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Kronieken 18:1-17

18  Nu geschiedde het daarna dat Da̱vid ertoe overging de Filistijnen te verslaan+ en hen vervolgens onderwierp en Gath+ en zijn onderhorige plaatsen* uit de hand van de Filistijnen nam.  Toen versloeg hij Mo̱ab,+ en de Moabieten werden Da̱vids knechten, die schatting* brachten.+  Vervolgens versloeg Da̱vid Hadade̱zer,+ de koning van Zo̱ba,+ bij Ha̱math,+ juist toen deze op weg was om zijn macht* te vestigen aan de rivier de E̱u̱fraat.+  Voorts nam Da̱vid van hem duizend wagens en zevenduizend ruiters en twintigduizend man voetvolk gevangen.+ Daarop sneed Da̱vid van alle wagenpaarden+ de pezen door,+ maar hij liet er honderd wagenpaarden* van over.  Toen Sy̱rië* van Dama̱skus Hadade̱zer, de koning van Zo̱ba,+ te hulp kwam, sloeg Da̱vid vervolgens onder de Syriërs tweeëntwintigduizend man neer.  Daarna plaatste Da̱vid [garnizoenen]* in Sy̱rië van Dama̱skus,+ en de Syriërs werden Da̱vids knechten, die schatting brachten.+ En Jehovah bleef Da̱vid redding schenken, overal waar hij heentrok.+  Bovendien nam Da̱vid de ronde gouden schilden+ die de knechten van Hadade̱zer nog droegen en bracht ze naar Jeru̱zalem.+  En uit Ti̱bhath+ en Kun, steden van Hadade̱zer, nam Da̱vid zeer veel koper mee. Daarvan maakte Sa̱lomo de koperen zee+ en de zuilen+ en het koperen gerei.+  Toen To̱ü,* de koning van Ha̱math,+ hoorde dat Da̱vid de gehele krijgsmacht van Hadade̱zer, de koning van Zo̱ba, had verslagen,+ 10  zond hij onmiddellijk zijn zoon Hado̱ram+ naar koning Da̱vid om hem naar zijn welstand te vragen en hem geluk te wensen* in verband met het feit dat hij tegen Hadade̱zer had gestreden zodat hij hem had verslagen (Hadade̱zer was namelijk getraind geworden in de oorlogvoering tegen To̱ü*), en [hij had] allerlei gouden en zilveren en koperen voorwerpen+ [bij zich]. 11  Ook deze heiligde+ koning Da̱vid aan Jehovah, te zamen met het zilver en het goud dat hij meegenomen had van alle natiën,+ van E̱dom en van Mo̱ab+ en van de zonen van A̱mmon+ en van de Filistijnen+ en van A̱malek.+ 12  Wat Abi̱saï+ betreft, de zoon van Zeru̱ja,+ hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal neer,+ achttienduizend [man]. 13  Hij dan plaatste garnizoenen in E̱dom, en alle Edomieten werden Da̱vids knechten.+ En Jehovah bleef Da̱vid redden, overal waar hij heentrok.+ 14  En Da̱vid bleef over geheel I̱sraël regeren,+ en hij oefende voortdurend recht en rechtvaardigheid voor heel zijn volk.+ 15  En Jo̱ab, de zoon van Zeru̱ja, ging over het leger,+ en Jo̱safat,+ de zoon van Ahi̱lud, was geschiedschrijver.* 16  En Za̱dok,+ de zoon van Ahi̱tub, en Achime̱lech,*+ de zoon van A̱bjathar, waren priesters, en Sa̱u̱sa+ was secretaris. 17  En Bena̱ja,+ de zoon van Jo̱jada,+ ging over de Kre̱thi+ en de Ple̱thi;+ en de zonen van Da̱vid waren de eersten in positie aan de zijde van de koning.+

Voetnoten

Lett.: „en haar dochters.”
Lett.: „geschenk.”
Lett.: „zijn hand.”
Mogelijk: „wagenspannen.”
Of: „de Syriërs.”
„Plaatste . . . garnizoenen”, TLXXVg, één Hebr. hs. en 2Sa 8:6.
„Toü”, M; Vg: „Thoü”; 2Sa 8:9, 10: „Toï.”
Lett.: „hem te zegenen.”
Lett.: „een man van oorlogen van Toü geworden.”
Lett.: „iemand die in herinnering brengt.”
„Achimelech”, LXXSyVg, 12 Hebr. hss. en 2Sa 8:17; MLXXא: „Abimelech.”