Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Koningen 5:1-18

5  Nu zond Hi̱ram,+ de koning van Ty̱rus,+ zijn dienaren+ naar Sa̱lomo, want hij had gehoord dat men hem in de plaats van zijn vader tot koning had gezalfd; Hi̱ram had zich namelijk altijd doen kennen als iemand die liefde voor Da̱vid koesterde.*+  Hierop zond Sa̱lomo een boodschap aan Hi̱ram en liet zeggen:+  „Gij weet zelf heel goed dat mijn vader Da̱vid geen huis voor de naam van Jehovah, zijn God, heeft kunnen bouwen wegens de oorlog+ waarmee zij hem omringden, totdat Jehovah hen onder zijn voetzolen legde.  En nu heeft Jehovah, mijn God, mij rondom rust gegeven.+ Er is geen tegenstrever* en er gebeurt niets kwaads.+  En zie, ik denk erover* een huis voor de naam van Jehovah, mijn God, te bouwen,+ juist zoals Jehovah mijn vader Da̱vid beloofd heeft, toen hij zei: ’Uw zoon, die ik in uw plaats op uw troon zal zetten, díé zal het huis voor mijn naam bouwen.’+  Nu dan, gebied dat men voor mij ceders* van de Li̱banon+ kapt; en mijn eigen knechten zullen met uw knechten blijken te zijn, en het loon van uw knechten zal ik u geven overeenkomstig alles wat gij zeggen moogt, want gij weet zelf heel goed dat er onder ons niemand is die zo bomen weet te kappen als de Sidoniërs.”+  Nu geschiedde het dat zodra Hi̱ram+ de woorden van Sa̱lomo hoorde, hij zich terstond zeer verheugde, en hij zei vervolgens: „Gezegend+ is heden Jehovah, omdat hij Da̱vid een wijze+ zoon gegeven heeft over dit talrijke volk!”+  Bijgevolg liet Hi̱ram aan Sa̱lomo zeggen: „Ik heb [de boodschap] gehoord die gij tot mij hebt gezonden. Ik voor mij zal al uw welbehagen doen inzake de stammen van cederbomen en de stammen van jeneverbomen.+  Mijn knechten zelf zullen ze van de Li̱banon+ naar de zee afvoeren; en ik voor mij zal ze in vlotten leggen [en] over zee [vervoeren] helemaal naar de plaats die gij mij zult doen weten;+ en daar zal ik ze stellig uit elkaar laten nemen en gij, van uw kant, zult ze wegvoeren; en gij, van uw kant, zult mijn welbehagen doen door het voedsel voor mijn huishouding te verschaffen.”+ 10  Zo werd Hi̱ram iemand die aan Sa̱lomo stammen van cederbomen en stammen van jeneverbomen gaf overeenkomstig al zijn welbehagen. 11  En Sa̱lomo, van zijn kant, gaf Hi̱ram twintigduizend kor-maten+ tarwe als voedselvoorraden voor zijn huishouding en twintig kor-maten* gestoten+ olie.* Dit was hetgeen Sa̱lomo Hi̱ram jaar op jaar bleef geven.+ 12  En Jehovah gaf zijnerzijds wijsheid aan Sa̱lomo, juist zoals hij hem had beloofd;+ en er ontstond vrede tussen Hi̱ram en Sa̱lomo, en die beiden sloten voorts een verbond. 13  En koning Sa̱lomo liet uit heel I̱sraël voortdurend degenen opkomen die tot dwangarbeid waren verplicht; en zij die tot dwangarbeid waren verplicht,+ bedroegen dertigduizend man. 14  En hij stuurde hen steeds in ploegen van tienduizend per maand naar de Li̱banon. Een maand bleven zij dan op de Li̱banon [en] twee maanden thuis;+ en Adoni̱ram+ ging over degenen die tot dwangarbeid+ waren verplicht.+ 15  En Sa̱lomo kreeg+ zeventigduizend lastdragers+ en tachtigduizend [steen]houwers+ in het gebergte,+ 16  afgezien van Sa̱lomo’s vorstelijke gevolmachtigden*+ die over het werk gingen, drieduizend driehonderd voormannen+ over het volk dat het werk verrichtte. 17  Bijgevolg gebood de koning grote stenen, dure stenen,+ uit de groeve te halen om het fundament+ van het huis met gehouwen stenen te leggen.+ 18  Het houwen werd dus gedaan door de bouwlieden van Sa̱lomo en de bouwlieden van Hi̱ram en de Gebalieten,+ en zij bleven de stammen en de stenen gereedmaken om het huis te bouwen.

Voetnoten

Of: „als een vriend [Lat.: a·miʹcus] van David.”
„Tegenstrever.” Hebr.: sa·tanʹ; Syr.: sa·ta·naʼ, „de tegenstrever”; Lat.: Saʹtan.
Lett.: „ik zeg [bij mijzelf].”
Of: „dennenbomen.” Gr.: xuʹla, „bomen”.
Zie 4:22 vtn., „Kor-maten”.
D.w.z. bijzonder fijne en kostbare olie, gewonnen door olijven in een vijzel te stoten of te stampen; de olijven worden soms getreden ofte wel met de voeten uitgeperst.
Lett.: „vorsten van de gevolmachtigden.”