Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Johannes 3:1-24

3  Ziet welk een liefde+ de Vader ons gegeven heeft, zodat wij kinderen van God+ genoemd zouden worden; en dat zijn wij ook. Daarom kent de wereld+ ons niet, omdat ze hem niet heeft leren kennen.+  Geliefden, thans zijn wij kinderen van God,+ maar wat wij zullen zijn,+ is nog niet openbaar gemaakt. Wij weten wel dat wanneer hij* openbaar gemaakt wordt,+ wij aan hem gelijk zullen zijn,+ want wij zullen hem zien zoals hij is.+  En een ieder die deze hoop op hem gesteld heeft, zuivert+ zich zoals hij zuiver is.+  Een ieder die zonde beoefent,*+ beoefent ook wetteloosheid,+ en daarom is zonde+ wetteloosheid.  GIJ weet ook dat hij openbaar gemaakt werd om [onze*] zonden weg te nemen,+ en in hem is geen zonde.+  Een ieder die in eendracht met hem blijft,+ beoefent geen zonde;+ een ieder die zonde beoefent, heeft hem niet gezien noch hem leren kennen.+  Kindertjes, laat niemand U misleiden; wie rechtvaardigheid betracht, is rechtvaardig, evenals hij rechtvaardig is.+  Wie zonde beoefent, spruit uit de Duivel* voort, want de Duivel zondigt reeds van [het] begin af.*+ Hiertoe werd de Zoon van God openbaar gemaakt,+ namelijk om de werken van de Duivel te verbreken.+  Een ieder die uit God geboren is,* beoefent geen zonde,+ want Zijn [wedervoortbrengend] zaad blijft in zo iemand, en hij kan geen zonde beoefenen omdat hij uit God geboren is.+ 10  Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de Duivel kenbaar: Een ieder die geen rechtvaardigheid betracht,+ spruit niet uit God voort, evenmin als hij die zijn broeder niet liefheeft.+ 11  Want dit is de boodschap die GIJ van [het] begin af* hebt gehoord,+ dat wij liefde voor elkaar moeten hebben;+ 12  niet zoals Ka̱ïn, die uit de goddeloze voortsproot en zijn broer vermoordde.+ En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen werken goddeloos waren,+ maar die van zijn broer rechtvaardig.+ 13  Verwondert U niet, broeders, dat de wereld U haat.+ 14  Wij weten dat wij van de dood tot het leven zijn overgegaan,+ omdat wij de broeders liefhebben.+ Wie niet liefheeft, blijft in de dood.+ 15  Een ieder die zijn broeder haat,+ is een doodslager,+ en GIJ weet dat geen doodslager+ eeuwig leven blijvend in zich heeft.+ 16  Hieraan hebben wij de liefde leren kennen,+ dat hij voor ons afstand heeft gedaan van zijn ziel;*+ en wij zijn verplicht afstand te doen van [onze] ziel* voor [onze*] broeders.+ 17  Als iemand echter de middelen van deze wereld voor de instandhouding van het leven bezit+ en zijn broeder gebrek ziet lijden+ en toch de deur van zijn [gevoelens van] teder mededogen voor hem sluit,+ in welk opzicht blijft de liefde Gods dan in hem?+ 18  Kindertjes, laten wij liefhebben,+ niet met het woord noch met de tong,+ maar met de daad+ en in waarheid.+ 19  Hierdoor zullen wij weten dat wij uit de waarheid voortspruiten,+ en wij zullen voor zijn aangezicht ons hart zekerheid geven* 20  met betrekking tot alles waarin ons hart ons veroordeelt,+ want God is groter dan ons hart en weet alle dingen.+ 21  Geliefden, indien [ons] hart [ons] niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid van spreken tegenover God;+ 22  en wat wij ook vragen, ontvangen wij van hem,+ omdat wij zijn geboden onderhouden en de dingen doen die in zijn ogen welgevallig zijn.+ 23  Ja, dit is zijn gebod, dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus+ en elkaar liefhebben,+ zoals hij ons een gebod gegeven heeft. 24  Bovendien blijft degene die zijn geboden onderhoudt, in eendracht met hem en hij in eendracht met zo iemand;+ en hierdoor komen wij te weten dat hij in eendracht met ons blijft,+ dank zij de geest+ die hij ons heeft gegeven.

Voetnoten

Of: „het.”
Lett.: „Een ieder doende de zonde.”
Lett.: „de.”
„De Duivel.” Gr.: tou Di·aʹbo·lou; Lat.: Di·aʹbo·lo; J17,18,22(Hebr.): has·Sa·tanʹ.
Of: „sedert hij begon.”
Lett.: „Iedere . . . verwekte.”
„Van [het] begin af.” Gr.: apʼ arʹches; Lat.: ab i·niʹti·o; J17(Hebr.): me·roʼsjʹ.
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; Lat.: aʹni·mam; J17,18,22(Hebr.): naf·sjōʹ, „zijn ziel”. Zie App. 4A.
Of: „[ons] leven” (in het Gr. mv.).
Lett.: „de.”
Lett.: „wij zullen . . . overtuigen.”