Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Timotheüs 5:1-25

5  Kritiseer een oudere man* niet streng.+ Integendeel, spreek hem met aandrang toe als een vader, jongere mannen als broeders,  oudere vrouwen+ als moeders, jongere vrouwen als zusters+ met alle eerbaarheid.  Eer weduwen die werkelijk weduwen zijn.+  Maar indien een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten die dan eerst leren in hun eigen huisgezin godvruchtige toewijding* te beoefenen+ en een passende vergoeding aan hun ouders en grootouders te blijven betalen,+ want dit is aangenaam in Gods ogen.+  De vrouw nu die werkelijk weduwe is en behoeftig is achtergelaten,+ heeft haar hoop op God gesteld+ en houdt aan in smekingen en gebeden, nacht en dag.+  Maar zij die genot vindt in bevrediging der zinnen,+ is dood+ hoewel zij leeft.  Blijf daarom deze geboden geven,+ opdat zij onberispelijk mogen zijn.+  Ja, indien iemand niet voor de zijnen zorgt,+ en in het bijzonder voor hen die leden van zijn huisgezin zijn,+ dan heeft hij het geloof+ verloochend+ en is erger dan een ongelovige.*  Een weduwe worde op de lijst geplaatst wanneer zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van één man,+ 10  van wie getuigenis wordt afgelegd omtrent voortreffelijke werken,+ of zij kinderen heeft grootgebracht,+ of zij vreemden gastvrij heeft ontvangen,+ of zij de voeten van heiligen heeft gewassen,+ of zij verdrukten heeft bijgestaan,+ of zij ijverig is geweest in ieder goed werk.+ 11  Wijs daarentegen jongere weduwen af, want wanneer hun seksuele driften tussen hen en de Christus zijn gekomen,+ willen zij trouwen 12  en halen een oordeel over zich omdat zij hun eerste [uiting van] geloof hebben geminacht.+ 13  Terzelfder tijd leren zij ook zonder bezigheid te zijn, door doelloos bij de huizen rond te lopen; ja, niet alleen zonder bezigheid, maar ook praatzuchtig en zich inlatend met andermans zaken+ en sprekend over dingen waarover zij niet behoren [te spreken]. 14  Daarom wens ik dat de jongere weduwen trouwen,+ kinderen baren,+ een huishouding besturen en de tegenstander geen aanleiding tot schimpen geven.+ 15  Sommigen hebben zich in feite reeds afgekeerd om Sa̱tan te volgen. 16  Indien een gelovige vrouw weduwen* heeft, laat zij hen dan bijstaan,+ zodat de gemeente er niet mee belast wordt. Deze kan dan degenen bijstaan die werkelijk weduwen zijn.+ 17  De oudere mannen* die op een voortreffelijke wijze de leiding hebben,+ moet dubbele eer waardig worden geacht,+ vooral degenen die hard werken wat spreken en onderwijzen betreft.+ 18  Want de schriftplaats luidt: „Gij moogt een stier niet muilbanden wanneer hij het graan uitdorst”,+ en: „De werkman is zijn loon waard.”+ 19  Aanvaard geen beschuldiging tegen een oudere man* dan alleen op grond van de verklaring van twee of drie getuigen.+ 20  Wijs personen die zonde beoefenen,+ voor alle aanwezigen terecht,+ opdat ook de overigen vrees mogen hebben.+ 21  Ik gelast u plechtig voor het aangezicht van God en Christus Jezus*+ en de uitverkoren engelen, deze dingen zonder vooroordeel in acht te nemen en niets te doen overeenkomstig een neiging tot vooringenomenheid.+ 22  Leg nooit iemand haastig de handen+ op;+ heb ook geen deel aan de zonden van anderen;+ bewaar uw eerbaarheid.+ 23  Drink niet langer water, maar gebruik wat wijn+ ter wille van uw maag en uw veelvuldige ziektegevallen. 24  De zonden van sommige mensen zijn duidelijk openbaar+ en leiden direct tot een oordeel, doch wat andere mensen betreft, [hun zonden] worden ook openbaar, [maar] later.+ 25  Evenzo zijn ook de voortreffelijke werken duidelijk openbaar,+ en die waarmee het anders gesteld is, kunnen niet verborgen blijven.+

Voetnoten

Of: „oudste; ouderling.” Gr.: pre·sbuʹte·roi, datief, enk.
„Godvruchtige toewijding”, אA; J7,8: „[goddelijke] wijsheid en vrees voor Jehovah.”
„Een ongelovige”, אAVgSyp; J13,14,18: „iemand die Jehovah heeft verloochend.”
„Weduwen”, d.w.z. onder haar familieleden.
Of: „oudsten; ouderlingen.”
Of: „oudste; ouderling.” Gr.: pre·sbuʹte·rou.
Zie App. 6E.