Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004) 

1 Samuël 16:1-23

16  Ten slotte zei Jehovah tot Sa̱muël: „Hoe lang zult gij nog rouw dragen over Saul,+ terwijl ik hem daarentegen heb verworpen, zodat hij niet meer als koning over I̱sraël zal regeren?+ Vul uw hoorn met olie+ en ga heen. Ik zal u naar I̱saï,+ de Bethlehemiet, zenden, want onder zijn zonen heb ik mij een koning uitgezocht.”+  Maar Sa̱muël zei: „Hoe kan ik gaan? Wanneer Saul het eenmaal heeft gehoord, zal hij mij stellig doden.”+ Vervolgens zei Jehovah: „Een jonge koe uit het rundvee dient gij met u* mee te nemen, en gij moet zeggen: ’Om Jehovah een slachtoffer te brengen, ben ik gekomen.’+  En gij moet I̱saï tot het slachtoffer uitnodigen; en ik voor mij zal u te kennen geven wat gij dient te doen,+ en gij moet mij degene zalven+ die ik u aanwijs.”  Sa̱muël dan deed wat Jehovah gesproken had. Toen hij te Be̱thlehem+ kwam, gingen de oudere mannen van de stad hem bevend+ tegemoet, en zij zeiden derhalve: „Betekent uw komst vrede?”+  Hierop zei hij: „Ze betekent vrede. Om Jehovah een slachtoffer te brengen, ben ik gekomen. Heiligt+ U, en GIJ moet met mij tot het slachtoffer komen.” Vervolgens heiligde hij I̱saï en zijn zonen, waarna hij hen tot het slachtoffer uitnodigde.  Nu geschiedde het toen zij binnenkwamen en hij Eli̱ab+ in het oog kreeg, dat hij terstond zei: „Waarlijk, Jehovah heeft zijn gezalfde* voor zich staan.”  Maar Jehovah zei tot Sa̱muël: „Kijk niet naar zijn uiterlijk en naar zijn rijzige gestalte,+ want ik heb hem verworpen. Want [God ziet*] niet zoals de mens ziet,+ want de méns ziet datgene wat zichtbaar is voor de ogen;*+ maar wat Jehovah aangaat, hij ziet hoe het hart+ is.”*  Toen riep I̱saï Abina̱dab+ en liet hem aan Sa̱muël voorbijgaan, maar hij zei: „Ook deze heeft Jehovah niet gekozen.”  Vervolgens liet I̱saï Sa̱mma+ voorbijgaan, maar hij zei: „Ook deze heeft Jehovah niet gekozen.” 10  Zo liet I̱saï zeven van zijn zonen aan Sa̱muël voorbijgaan; toch zei Sa̱muël tot I̱saï: „Jehovah heeft dezen niet gekozen.” 11  Ten slotte zei Sa̱muël tot I̱saï: „Zijn dit alle jongens?” Hierop zei hij: „De jongste is er tot nu toe buiten gelaten,+ en zie! hij weidt de schapen.”+ Toen zei Sa̱muël tot I̱saï: „Laat hem toch halen, want wij zullen niet aan tafel gaan voordat hij hier gekomen is.” 12  Bijgevolg zond hij [om hem] en liet hem komen. Hij nu was rossig,+ een jonge man met* mooie ogen en knap van uiterlijk. Toen zei Jehovah: „Sta op, zalf hem, want hij is het!”+ 13  Bijgevolg nam Sa̱muël de hoorn met olie+ en zalfde hem te midden van zijn broers. En van die dag af werd de geest van Jehovah ten aanzien van Da̱vid werkzaam.+ Later stond Sa̱muël op en ging naar Ra̱ma.+ 14  En wat de geest van Jehovah betreft, die week+ van Saul, en een boze geest,+ die van Jehovah kwam, joeg hem schrik aan. 15  Toen zeiden de dienaren van Saul tot hem: „Zie toch, Gods* boze geest jaagt u schrik aan. 16  Laat onze heer alstublieft uw dienaren die voor u staan, gebieden dat zij een geoefend+ harpspeler+ zoeken. En het moet geschieden dat wanneer Gods boze geest over u komt, hij met zijn hand [de harp] zal moeten bespelen, en het zal stellig goed met u gaan.” 17  Saul zei dus tot zijn dienaren: „Bezorgt mij alstublieft een man die goed kan spelen, en GIJ moet hem bij mij brengen.”+ 18  Toen antwoordde een van de bedienden en zei: „Zie! Ik heb een zoon van I̱saï, de Bethlehemiet, gezien die geoefend is in het spelen,+ en hij is een dappere, sterke man+ en een krijgsman+ en een intelligent spreker+ en een welgebouwd man,+ en Jehovah is met hem.”+ 19  Daarop zond Saul boden naar I̱saï en zei: „Stuur mij toch uw zoon Da̱vid, die bij het kleinvee is.”+ 20  I̱saï dan nam een ezel, brood en een leren zak+ wijn en een geitenbokje en zond dit door de hand van zijn zoon Da̱vid aan Saul.+ 21  Zo kwam Da̱vid bij Saul en hij stond hem ten dienste;*+ en deze kreeg hem zeer lief, en hij werd zijn wapendrager.+ 22  Dientengevolge liet Saul aan I̱saï zeggen: „Laat Da̱vid alstublieft bij mij in dienst blijven, want hij heeft gunst in mijn ogen gevonden.” 23  En het geschiedde dat wanneer Gods geest over Saul kwam, Da̱vid de harp nam en [deze] met zijn hand bespeelde; en dat gaf Saul verlichting en het ging goed met hem, en de boze geest week van hem.+

Voetnoten

Lett.: „in uw hand.”
„Zijn gezalfde.” Hebr.: mesji·chōʹ; Gr.: chriʹstos; Syr.: mesji·cheh; Lat.: chriʹstus.
„God ziet”, LXX; M laat het weg.
Lett.: „ziet wat de ogen betreft.”
Lett.: „ziet wat het hart betreft.”
„Een jonge man met”, als men in M עִם (ʽim, „samen met”) in עֶלֶם (ʽeʹlem, „knaap”) verandert. Vgl. 17:56; 20:22.
„Gods”, MVg; LXX: „Jehovah’s.”
Lett.: „bleef voor hem staan”, d.w.z. om hem te bedienen.