Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

1 Samuël 13:1-23

13  Saul was [?*] jaar oud toen hij begon te regeren,+ en twee jaar lang regeerde hij over I̱sraël.  En Saul koos zich voorts drieduizend man uit I̱sraël; en tweeduizend kwamen er bij Saul te Mi̱chmas+ en in het bergland van Be̱thel, en duizend bleken er bij Jo̱nathan+ te Gi̱bea+ van Be̱njamin te zijn, en de rest van het volk zond hij weg, ieder naar zijn tent.*  Toen versloeg Jo̱nathan het garnizoen+ van de Filistijnen+ dat te Ge̱ba*+ lag; en de Filistijnen kregen het te horen. Wat Saul betreft, hij liet in het gehele land op de hoorn blazen+ en zei: „Laat de Hebreeën [het] horen!”  En heel I̱sraël zelf hoorde zeggen: „Saul heeft een garnizoen van de Filistijnen verslagen en nu is I̱sraël bij de Filistijnen in een kwade reuk+ gekomen.” Het volk werd dus bijeengeroepen om Saul te volgen naar Gi̱lgal.+  En de Filistijnen, van hun kant, brachten [hun troepen] bijeen om tegen I̱sraël te strijden: dertigduizend* strijdwagens+ en zesduizend ruiters en een [voet]volk zo talrijk als de zandkorrels die aan de zeeoever zijn;+ zij dan trokken op en legerden zich te Mi̱chmas, ten oosten van Beth-A̱ven.+  En de mannen van I̱sraël zelf zagen dat zij in grote nood verkeerden,+ want het volk kreeg het zwaar te verduren; en het volk ging zich verbergen in de grotten+ en de spelonken en de steile rotsen en de gewelven* en de waterputten.  Er waren zelfs Hebreeën die de Jorda̱a̱n overtrokken+ naar het land van Gad+ en Gi̱lead. Saul zelf was echter nog te Gi̱lgal, en al het volk volgde hem bevend.+  En hij bleef zeven dagen wachten, tot de bestemde tijd die Sa̱muël [had gesteld*];+ en Sa̱muël kwam niet naar Gi̱lgal, en het volk verstrooide zich van hem vandaan.  Ten slotte zei Saul: „Brengt het brandoffer en de gemeenschapsoffers bij mij.” Vervolgens offerde hij het brandoffer.+ 10  Nu gebeurde het dat hij nog maar nauwelijks gereed was met het brengen van het brandoffer, of daar kwam Sa̱muël aan. Saul ging derhalve naar buiten, hem tegemoet, om hem te zegenen.+ 11  Toen zei Sa̱muël: „Wat hebt gij gedaan?”+ Hierop zei Saul: „Ik zag dat het volk zich van mij verstrooid had,+ en gij — gij zijt niet binnen de bestemde dagen gekomen,+ en de Filistijnen brachten te Mi̱chmas [hun troepen] bijeen,+ 12  dus zei ik bij mijzelf:*+ ’Nu zullen de Filistijnen op mij afkomen te Gi̱lgal, en ik heb het aangezicht van Jehovah niet vermurwd.’ Zo dwong ik mijzelf+ en ben het brandoffer gaan offeren.” 13  Daarop zei Sa̱muël tot Saul: „Gij hebt dwaas gehandeld.+ Gij hebt het gebod+ van Jehovah, uw God, dat hij u geboden heeft,+ niet onderhouden, want hadt gij dit wel gedaan, dan zou Jehovah uw koninkrijk over I̱sraël tot onbepaalde tijd bevestigd hebben. 14  En nu zal uw koninkrijk niet bestendig zijn.+ Jehovah zal zich stellig een man vinden* aangenaam naar zijn hart;+ en Jehovah zal hem tot leider+ over zijn volk aanstellen, omdat gij niet hebt onderhouden wat Jehovah u geboden had.”+ 15  Toen stond Sa̱muël op en ging van Gi̱lgal op* naar Gi̱bea van Be̱njamin, en Saul ging ertoe over het volk, degenen die zich nog bij hem bevonden, te tellen: ongeveer zeshonderd man.+ 16  En Saul en zijn zoon Jo̱nathan en het volk dat zich nog bij hen bevond, verbleven te Ge̱ba+ van Be̱njamin. Wat de Filistijnen betreft, zij hadden zich te Mi̱chmas+ gelegerd. 17  En het stroopcommando trok er telkens vanuit de legerplaats der Filistijnen in drie groepen+ op uit. De ene groep sloeg dan de weg in naar O̱fra,+ naar het land Su̱al, 18  en de andere groep sloeg telkens de weg in naar Beth-Ho̱ron,+ en de derde groep sloeg gewoonlijk de weg in naar de grens die uitziet over het dal van Ze̱boïm,* in de richting van de wildernis. 19  Nu was er in heel het land van I̱sraël geen smid te vinden, want de Filistijnen hadden gezegd: „Opdat de Hebreeën geen zwaard of speer vervaardigen.”+ 20  En alle Israëlieten plachten naar de Filistijnen af te trekken om ieder zijn ploegschaar of zijn houweel of zijn bijl of zijn sikkel te laten scherpen.*+ 21  En de prijs voor het scherpen bleek een pim* te zijn voor de ploegscharen en voor de houwelen en voor de drietandige werktuigen en voor de bijlen en voor het vastzetten van de ossenprikkel.+ 22  En het geschiedde op de dag van de strijd dat er geen zwaard+ of speer te vinden was in de hand van iemand van het volk dat bij Saul en Jo̱nathan was; men kon er echter wel een vinden die aan Saul+ en aan zijn zoon Jo̱nathan behoorde. 23  Een voorpost+ van de Filistijnen nu placht uit te trekken naar de ravijnpas van Mi̱chmas.+

Voetnoten

Het getal ontbreekt in M.
„Tent”, LXX; MVg: „tenten”; Sy: „huis.”
„Geba”, MSy. Zie Re 20:10 vtn., „Gibea”.
„Dertigduizend”, MLXXVg; LXXLSy: „drieduizend.”
Of: „ondergrondse holen.”
„Had gesteld”, TLXX en vier Hebr. hss.; M laat het weg.
Of: „dus dacht ik.”
Of: „zoeken; trachten te vinden.” Zie Ps 27:8; Sp 18:15.
LXXIt voegen toe: „en de rest van het volk trok achter Saul op, de krijgslieden tegemoet. Zij trokken van Gilgal.”
Bet.: „Hyena’s.”
„Smeden”, LXX. Vgl. Ge 4:22.
Een oud gewicht, ca. twee derde van een sikkel.