Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Rechter Ivanenko van het Hooggerechtshof doet uitspraak tegen Jehovah’s Getuigen in Rusland

21 APRIL 2017
RUSLAND

Hooggerechtshof maakt activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Rusland strafbaar

Hooggerechtshof maakt activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Rusland strafbaar

Op 20 april 2017 heeft het Russische Hooggerechtshof ondanks internationale kritiek beslist om de activiteiten van Jehovah’s Getuigen in Rusland strafbaar te maken. Rechter Joeri Grigorjevitsj Ivanenko van het Hooggerechtshof willigde het verzoek van het ministerie van Justitie in ‘om de religieuze organisatie “bestuurscentrum van Jehovah’s Getuigen in Rusland” en de plaatselijke rechtspersonen die onderdeel uitmaken van haar structuur te ontbinden [en] alle eigendommen van de ontbonden religieuze organisatie aan de Russische Federatie over te dragen’.

Rechter Ivanenko voegde eraan toe dat deze beslissing per direct alle activiteiten van de rechtspersonen van de Getuigen in heel Rusland beëindigt. Hoewel Jehovah’s Getuigen tegen de uitspraak in beroep gaan bij de beroepsinstantie van het Hooggerechtshof, komt deze beslissing erop neer dat hun aanbidding verboden wordt.

Het juridische team van het bestuurscentrum

Vasili Kalin, die op vierjarige leeftijd met zijn ouders naar Siberië werd gedeporteerd vanwege hun geloof als Jehovah’s Getuigen, zei: ‘Vanaf het moment dat deze uitspraak is gedaan, vindt er een fundamentele verandering plaats in de hele manier van leven van Jehovah’s Getuigen in Rusland, van zowel individuen als gezinnen. De dreiging van strafrechtelijke vervolging en gevangenschap hangt ze nu boven het hoofd, alleen maar omdat ze hun geloof praktiseren.’

Philip Brumley, algemeen raadsman van Jehovah’s Getuigen, zei: ‘Deze uitspraak is zeer teleurstellend. Elke objectieve toetsing van de schriftelijke pleidooien en het gepresenteerde bewijsmateriaal leidt maar tot één gerechtvaardigde conclusie: het bestuurscentrum heeft zich nooit beziggehouden met zogenoemde extremistische activiteiten. We gaan in beroep tegen deze uitspraak.’