Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

1 JULI 2014
RUSLAND

Het EHRM verdedigt recht van Jehovah’s Getuigen in Rusland om voor aanbidding bijeen te komen

Het EHRM verdedigt recht van Jehovah’s Getuigen in Rusland om voor aanbidding bijeen te komen

Op 26 juni 2014 deed het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een uitspraak ten gunste van Jehovah’s Getuigen en erkende daarmee hun recht om zonder onwettige inmenging van de Russische overheid hun godsdienst te belijden. Het Hof was unaniem van mening dat Rusland artikel 5 (recht op vrijheid en veiligheid) en artikel 9 (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens had geschonden toen de politie op 12 april 2006 een illegale inval deed tijdens een religieuze dienst.

Die avond kwamen Jehovah’s Getuigen over de hele wereld bij elkaar voor de jaarlijkse herdenking van de dood van Jezus Christus. Twee gemeenten in Moskou hadden voor deze speciale bijeenkomst een aula van een school gehuurd om plaats te bieden aan zo’n vierhonderd personen. Tijdens de bijeenkomst verschenen er tien politiewagens en twee busjes met daarin de oproerpolitie met een gewapende eenheid van de speciale politie (OMON) en tientallen agenten in uniform. Ze omsingelden snel het gebouw en verstoorden de religieuze dienst zonder dat ze een huiszoekingsbevel hadden. De politie gaf alle aanwezigen het bevel het gebouw te verlaten. Vervolgens doorzochten ze de aula, namen religieuze publicaties in beslag en voerden hardhandig veertien mannen af naar het plaatselijke politiebureau. De Getuigen riepen de hulp in van een advocaat. Toen hij bij het bureau aankwam, werd hij gefouilleerd, op de grond gegooid en met een mes bedreigd. Ook kreeg hij te horen dat het nare gevolgen voor zijn familie zou hebben als hij een aanklacht zou indienen. Na meer dan drie uur werden de arrestanten vrijgelaten en mochten ze naar huis.

Nikolaj Kroepko, de voornaamste verzoeker in de zaak

Samen met drie andere Getuigen die vast hadden gezeten, diende Nikolaj Kroepko een aanklacht in tegen de overheid wegens het illegaal verstoren van de religieuze bijeenkomst en wegens onwettige vrijheidsberoving. Nadat de rechtbank van Ljoeblino en die van Moskou de aanklacht verworpen hadden, dienden de mannen in juni 2007 een verzoek in bij het EHRM.

In de uitspraak van 26 juni inzake Krupko et al. v. Russia zei het EHRM: „Het Hof is steeds van mening geweest dat verstoring van een vredige bijeenkomst door de politie niet beschouwd kan worden als iets ’noodzakelijks in een democratische maatschappij’. Dat geldt zelfs voor openbare evenementen waarover de autoriteiten niet van tevoren waren ingelicht, maar waarvan de deelnemers geen gevaar vormden voor de openbare orde. (...) Deze bevinding is al helemaal van toepassing op de omstandigheden van deze zaak, waarbij het niet ging om een rumoerig buitenevenement, maar om een in een vergaderzaal gehouden plechtige religieuze dienst waarvan niet was aangetoond dat die ook maar enigszins een verstoring van of gevaar voor de openbare orde zou vormen. De massale inval door de gewapende oproerpolitie om de dienst te verstoren en de drie uur durende hechtenis van de verzoekers, waren als middelen om de openbare orde te beschermen, buiten alle proportie; zelfs als de autoriteiten echt van mening waren dat de bijeenkomst illegaal was omdat ze er niet over ingelicht waren.”

Dit is de vierde uitspraak tegen Rusland wegens schending van de rechten van Jehovah’s Getuigen. In 2007 deed het EHRM uitspraak in de zaak Kuznetsov et al. v. Russia en bepaalde dat Rusland het mensenrechtenverdrag geschonden had toen plaatselijke autoriteiten een bijeenkomst verstoorden van dove en slechthorende Getuigen in Tsjeljabinsk. In 2010 sprak het EHRM zich tegen Rusland uit in de zaak Jehovah’s Witnesses of Moscow v. Russia, een zaak waarin de openbaar aanklager van de stad Moskou de wettelijke organisatie van Jehovah’s Getuigen in Moskou illegaal had ontbonden en verboden. In 2013 volgde de zaak Avilkina et al. v. Russia waarin het EHRM bepaalde dat Rusland het fundamentele recht op privacy had geschonden toen de openbaar aanklager van de stad Sint-Petersburg opdracht gaf om inzage te geven in vertrouwelijke medische gegevens.

De uitspraken van het EHRM bewijzen opnieuw dat de Russische autoriteiten, die het Jehovah’s Getuigen in Rusland moeilijk maken hun godsdienst te belijden, de vrijheden hebben geschonden die zijn vastgelegd in de Grondwet van de Russische Federatie en het mensenrechtenverdrag.