Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

22 JUNI 2015
GEORGIË

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aanvaardt schulderkenning van Georgië

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aanvaardt schulderkenning van Georgië

De regering van Georgië heeft erkend dat ze het recht van Jehovah’s Getuigen op godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging heeft belemmerd. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft die erkenning aanvaard. In de zaak Union of Jehovah’s Witnesses and Others v. Georgia ging het over de stappen die de regering ondernomen had om de registratie van twee rechtspersonen die door Jehovah’s Getuigen gebruikt worden, te ontbinden. Dat droeg bij tot een escalatie van geweld tegen de Getuigen van 2001 tot 2004.

Het EHRM aanvaardt schulderkenning van Georgië

Het EHRM verklaarde in zijn uitspraak die op 21 mei 2015 * openbaar gemaakt is, dat de regering in september 2014 een eenzijdige verklaring heeft afgegeven waarin ze ‘met spijt de schending wenste te erkennen’ van de rechten van Jehovah’s Getuigen. In de verklaring stond verder dat de stappen die Georgië ondernomen had om de rechtspersonen van de Getuigen in 2000 te ontbinden, ‘onterecht waren’ en dat gebrek aan geschikte wetgeving de reden was dat die rechtspersonen niet geregistreerd konden worden.

Het EHRM zag door de erkenning van Georgië voldoende grond om tot een schikking te komen. Het merkte op dat ‘de betrokken autoriteiten, door verschillende religieuze groepen registratie te ontzeggen of door hun registratie te ontbinden, het recht op vrijheid van godsdienst en vereniging hebben belemmerd van organisaties die daartoe een aanvraag hebben ingediend. Daarbij werd Artikel 11 van het Verdrag, dat in de context van Artikel 9 moet worden gelezen, geschonden.’ De regering heeft ingestemd om 6000 euro schadevergoeding te betalen.

Ontbinding van rechtspersonen leidt tot jarenlange vervolging

De twee rechtspersonen, de Vereniging van Jehovah’s Getuigen en de Vertegenwoordiging van de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania (VS) in Georgië, werden in 1998 wettelijk geregistreerd. Maar een ultranationalistisch parlementslid wilde Jehovah’s Getuigen in heel Georgië laten verbieden. Hij werd gesteund door een aantal orthodoxe religieuze leiders en extremisten die lasterpraat verspreidden en aanzetten tot geweld tegen de Getuigen.

In april 1999 diende het parlementslid, als vertegenwoordiger van zijn politieke partij, een klacht in bij een regionale rechtbank te Tbilisi om Jehovah’s Getuigen te laten verbieden en de registratie van hun twee rechtspersonen te laten ontbinden. Toen de rechtszitting in juni 1999 begon, waren orthodoxe priesters en hun aanhangers aanwezig in de rechtszaal. Buiten de rechtszaal waren een uit het ambt gezette orthodoxe priester, Vasili Mkalavishvili, en zijn volgelingen religieuze lectuur van Jehovah’s Getuigen in het openbaar aan het verbranden.

Nadat de rechtbank van Isani-Samgori het bewijsmateriaal bekeken had, verklaarde die de beschuldigingen van het parlementslid als ongegrond. Daarop ging hij in beroep. Op 26 juni 2000 werd in hoger beroep de eerdere uitspraak nietig verklaard, en de rechter gelastte dat de rechtspersonen van de Getuigen ontbonden moesten worden. Na die uitspraak maakten orthodoxe extremisten gebruik van de situatie door een reeks gewelddadige aanvallen tegen de Getuigen te ondernemen. In beroep bevestigde het hooggerechtshof van Georgië op 22 februari 2001 de ontbinding en stelde dat het, bij gebrek aan wetgeving, geen andere keus had dan in het nadeel van de Getuigen te beslissen. Omdat er voor Jehovah’s Getuigen in Georgië zelf geen mogelijkheden tot juridische stappen meer waren, brachten ze op 16 augustus 2001 de zaak voor het EHRM.

Na de uitspraak van het Hooggerechtshof escaleerde de vervolging en het geweld tegen de Getuigen, met honderden aanvallen als gevolg. In de meeste gevallen beschermden de wetshandhavers de Getuigen niet, en in sommige gevallen deden ze zelfs mee aan het geweld. Veel Getuigen raakten zwaargewond. Religieuze extremisten verstoorden met geweld de religieuze bijeenkomsten van de Getuigen, verbrandden en plunderden hun huizen, stalen of vernielden hun eigendommen en verbrandden religieuze lectuur. Autoriteiten stonden de Getuigen niet toe lectuur te importeren en namen reeds geïmporteerde publicaties in beslag. Ook stonden autoriteiten de Getuigen niet toe ruimten voor hun bijeenkomsten te huren. Vanwege de intense vervolging en het feit dat de regering weigerde de slachtoffers te beschermen, deden Jehovah’s Getuigen in Georgië een beroep op het EHRM. Daarbij legden ze de nadruk op hun mishandeling en de betrokkenheid van wetshandhavers. In twee gevallen heeft het EHRM al in het voordeel van de Getuigen beslist. *

Toen de situatie in Georgië verbeterde, konden de Getuigen hun rechtspersonen weer registreren. Daardoor kunnen zij onroerend goed in eigendom hebben en hun wettelijke belangen behartigen. In die periode hebben Georgische wetshandhavers Mkalavishvili, de voornaamste aanstichter van het geweld, en enkele van zijn aanhangers gearresteerd en gevangengezet. De hevige vervolging van de Getuigen eindigde in 2004.

Huidige situatie

Hoewel de behandeling van Jehovah’s Getuigen de laatste jaren verbeterd is, worden zij soms nog steeds gehinderd in hun religieuze activiteiten. Uit een recent rapport dat aan de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa werd voorgelegd, bleek dat er in 2014 63 haatmisdrijven tegen Jehovah’s Getuigen in Georgië waren gepleegd.

Michael Jones, vertegenwoordiger van Jehovah’s Getuigen in Georgië, verklaarde: ‘Wij zijn het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dankbaar dat de onrechtvaardige behandeling van de Getuigen in de afgelopen jaren erkenning heeft gekregen. Wij zijn blij te zien hoe Georgië zich inzet om mensenrechten te beschermen, en wij hopen dat deze recente uitspraak, samen met andere gunstige uitspraken, een eerlijke behandeling en nog grotere godsdienstvrijheid voor Jehovah’s Getuigen in Georgië tot gevolg zal hebben.’

^ ¶4 Het EHRM deed uitspraak in de zaak op 21 april 2015 maar maakte de uitspraak een maand later bekend.

^ ¶10 Members of the Gldani Congregation of Jehovah’s Witnesses and Others v. Georgia, nr. 71156/01, 3 mei 2007; en Begheluri v. Georgia, nr. 28490/02, 7 oktober 2014.