Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

11 DECEMBER 2015
AZERBEIDZJAN

Rashad Niftaliyev krijgt boete en gevangenisstraf voor aandeel in godsdienstige bijeenkomsten

Rashad Niftaliyev krijgt boete en gevangenisstraf voor aandeel in godsdienstige bijeenkomsten

Rashad Niftaliyev, een religieuze bedienaar van Jehovah’s Getuigen, is voor de tweede keer binnen 14 maanden gevangengezet omdat hij de boetes die hem waren opgelegd wegens zijn aandeel in godsdienstige bijeenkomsten niet heeft betaald. Een rechter in de stad Ganja in Azerbeidzjan veroordeelde Niftaliyev op 19 november 2015 tot 25 dagen hechtenis wegens het onvoldoende afbetalen van boetes die hem waren opgelegd voor ‘het organiseren en leiden van godsdienstige bijeenkomsten’.

Niftaliyevs boetes zijn intussen opgelopen tot 9450 manat (10.680 euro). Hoewel hij van mening is dat de boetes onterecht zijn, betaalt hij ze in kleine gedeeltes af, naargelang zijn bescheiden middelen dit toelaten.

Gestraft wegens bijwonen religieuze dienst

De aanleiding tot de meest recente inhechtenisneming van Niftaliyev was een inval van de politie op 14 november 2015 tijdens een bijeenkomst voor aanbidding in Ganja, de op een na grootste stad van Azerbeidzjan. De politie beëindigde de religieuze dienst en nam 27 personen mee naar het politiebureau van Ganja. Daar beschuldigde de politie 12 van hen — onder wie Niftaliyev — ervan dat ze de wet op het deelnemen aan godsdienstige bijeenkomsten hadden overtreden. * In besloten zittingen, die tussen 18 en 25 november plaatsvonden, legde de rechtbank van het district Kapaz in Ganja negen personen een boete op van 2000 manat (1786 euro) per persoon, wegens hun aandeel in ‘het houden van een godsdienstige bijeenkomst zonder gepaste toestemming’.

Op 19 november riep de gerechtsdeurwaarder Niftaliyev op om hem te ondervragen over de trage afbetaling van vijf eerdere boetes die hem de afgelopen vijf jaar onder dezelfde tenlastelegging opgelegd waren. Niftaliyev legde uit welke inspanningen hij gedaan had om te betalen en wat zijn omstandigheden zijn — dat hij een bescheiden inkomen heeft en dat hij zijn zieke moeder financieel moet ondersteunen — maar de gerechtsdeurwaarder verwees de zaak naar de rechtbank. Toen de rechtbank van het district Kapaz in Ganja de zaak in behandeling nam, gelastte zij onmiddellijke gevangenzetting van Niftaliyev. Vervolgens legde de rechtbank Niftaliyev ook nog een boete op voor zijn aandeel in de godsdienstige bijeenkomst van 14 november. Hierdoor liep zijn schuld nog hoger op en neemt de onterechte bestraffing voor het belijden van zijn geloof verder toe.

Verstoring van bijeenkomsten voor aanbidding

De inval van de politie tijdens de bijeenkomst van de Getuigen op 14 november was de achtste in Ganja sinds 2010. * De invallen van de politie verlopen steeds volgens hetzelfde patroon: De Getuigen zijn vreedzaam bijeen in een kleine groep bij iemand thuis. De politie valt het huis binnen zonder huiszoekingsbevel of gerechtelijk bevel, identificeert zich onvoldoende en geeft niet aan wat de reden voor de inval is. Ze beëindigt de bijeenkomst, neemt bijbels en religieuze lectuur in beslag, maakt video-opnamen van de plek en beledigt en bedreigt de aanwezigen.

De politie neemt alle aanwezigen, ook kinderen en ouderen, mee naar het politiebureau. Er wordt een rechtszitting vastgesteld voor later op dezelfde dag, hoewel een rechtbank bevoegd is om personen gelegenheid te geven om contact op te nemen met hun advocaat en om een paar dagen respijt te geven voor het voorbereiden van een pleidooi. Bij verschillende gelegenheden hebben de plaatselijke media deze arrestaties in de publiciteit gebracht en zelfs beelden op televisie vertoond van Getuigen die op het politiebureau aan het wachten waren.

Registratie is vereist maar wordt consequent geweigerd

Omdat het Jehovah’s Getuigen in Ganja niet wordt toegestaan zich wettelijk te registreren, krijgen ze van de autoriteiten te horen dat hun godsdienstige bijeenkomsten onwettig zijn. De rechtbank gebruikte dat argument toen het degenen die een aandeel hadden in de bijeenkomst van 14 november beboette: ‘De gemeenschap van Jehovah’s Getuigen heeft geen officiële toestemming van de desbetreffende autoriteiten verkregen om in Ganja actief te zijn.’ *

In tegenstelling tot deze uitspraak bestaat er in Azerbeidzjan geen wet die voorschrijft dat er toestemming van de autoriteiten nodig is om een godsdienstige bijeenkomst te houden. In artikel 21 van de Wet op vrijheid van geloofsovertuiging staat: ‘Godsdienst, (...) religieuze rituelen en ceremoniën moeten onbelemmerd kunnen worden uitgevoerd, zowel in plaatsen van aanbidding (...) alsook in appartementen en huizen van burgers.’

Jehovah’s Getuigen staan geregistreerd in de hoofdstad Bakoe en ze hebben sinds 2010 veel aanvragen voor registratie in Ganja ingediend. Maar het nationale Comité voor de samenwerking met religieuze verenigingen wees hun aanvraag steeds af wegens vermeende technische fouten of gaf in het geheel geen antwoord op de aanvraag. De meest recente aanvraag van de Getuigen in Ganja, die op 10 november 2015 ingediend is, is nog in behandeling.

Pogingen om de beperkingen op godsdienstvrijheid op te heffen

Jehovah’s Getuigen blijven pogingen doen om in gesprek te treden met de functionarissen in Azerbeidzjan teneinde registratie te verkrijgen en meer respect te verkrijgen voor hun mensenrechten. Omdat het onrecht voortduurt, zijn er momenteel 21 verzoekschriften van de Getuigen in Azerbeidzjan in behandeling bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vanwege incidenten waarbij de autoriteiten hun recht op godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting belemmerd hebben.

Jehovah’s Getuigen vragen de regering van Azerbeidzjan om ze de rechten te verlenen die in de wetten van hun land voor alle burgers gewaarborgd zijn — met inbegrip van vrijheid van aanbidding — en om ermee op te houden mensen die oprecht hun geloof belijden, zoals Niftaliyev, straffen op te leggen.

^ ¶5 In het bijzonder werd hen een schending van artikel 299.0.2 van het Wetboek Administratieve Overtredingen ten laste gelegd, dat verbiedt om ‘godsdienstige bijeenkomsten, processies op straat en andere religieuze ceremoniën te organiseren en te leiden’, zonder goedkeuring van de plaatselijke autoriteiten.

^ ¶8 Er zijn ook invallen geweest in Lankaran, Lokbatan, Mingachevir, Shamkir en Zagatala.

^ ¶11 Functionarissen beroepen zich op artikel 12 van de Wet op vrijheid van religieuze overtuigingen, waarin staat: ‘Religieuze verenigingen mogen alleen te werk gaan nadat ze geregistreerd zijn bij de desbetreffende uitvoerende instantie en als ze in het staatsregister van religieuze genootschappen opgenomen zijn.’ Dit artikel gaat echter over religieuze rechtspersonen. Het verbiedt mensen niet om als groep samen te komen voor aanbidding. Zie ook de Wet op vrijheid van samenkomst, artikel 4, die niet van toepassing is op ‘religieuze ceremoniën’.