Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

5 NOVEMBER 2013
ARMENIË

Armenië biedt gewetensbezwaarden mogelijkheid tot vervangende dienstplicht

Het lijkt erop dat de Armeense regering eindelijk de rechten erkent van gewetensbezwaarden die militaire dienst weigeren. Op 23 oktober 2013 heeft de Armeense Republikeinse Commissie het verzoek voor vervangende dienstplicht ingewilligd van 57 van de meer dan 90 Getuigen van Jehovah die een verzoek hadden ingediend (de commissie zal ook de resterende verzoeken bekijken). Onder degenen die vervangende dienst mogen verrichten, zijn ook de 6 van de 20 Getuigen die vanuit de Erebuni-gevangenis een verzoek hadden gedaan om voor deze regeling in aanmerking te komen. De zes gevangenen werden op 24 oktober 2013 vrijgelaten. De commissie zal ook de verzoeken bekijken van de andere Getuigen die nog vastzitten en zal hen naar verwachting ook vrijlaten.

Een nieuwe regeling

De ontwikkelingen kregen vorm toen Armenië op 8 juni 2013 amendementen aannam om de Armeense wet inzake vervangende dienst te laten voldoen aan Europese richtlijnen. Op 25 juli 2013 werd aan de randvoorwaarden voldaan om de wet te kunnen uitvoeren. De president van Armenië verwees naar deze recente wetswijziging toen hij op 2 oktober 2013 de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa toesprak. Hij zei: „Personen die niet in het leger willen dienen vanwege gewetensbezwaren zullen in onze rechtspraak niet langer strafbaar zijn.” Op 3 oktober 2013 nam Armenië een amnestiewet aan die de strafmaat voor gewetensbezwaarden met zes maanden vermindert. Door deze wet konden op 8 en 9 oktober 2013 acht Getuigen die niet meer dan zes maanden gevangenisstraf te gaan hadden, vrijgelaten worden.

De nieuwe regeling voor vervangende dienstplicht geeft gewetensbezwaarden de mogelijkheid een bijdrage te leveren aan hun land op een manier die hun door de Bijbel gevormde geweten misschien toestaat. De regeling staat niet onder toezicht van het Armeense leger maar onder civiel toezicht. De termijn van burgerdienst bedraagt 36 maanden met een 48-urige werkweek en 10 vakantiedagen per jaar. Personen die vervangende dienstplicht aanvragen, krijgen werk dicht bij hun woonplaats toegewezen en zullen niet-militaire taken verrichten.

Stappen die tot de amendementen hebben geleid

Toen Armenië in 2001 lid werd van de Raad van Europa, stemde het in met de verplichting voor alle nieuwe lidstaten om een wet aan te nemen inzake vervangende dienst en alle gedetineerde gewetensbezwaarden vrij te laten. Toch bleef Armenië jonge mannen die Getuigen van Jehovah waren strafrechtelijk vervolgen.

De afgelopen twintig jaar hebben meer dan 450 Getuigen van Jehovah lange gevangenisstraffen uitgezeten, vaak onder zware omstandigheden.

Op 1 juli 2004 werd de Wet op de Vervangende Dienst aangenomen, een hoopgevende ontwikkeling. Maar toen die eenmaal in werking trad, bleek de regeling voor vervangende dienstplicht een strafmaatregel te zijn onder toezicht van het leger. De Raad van Europa gaf meerdere keren aan dat de regeling niet voldeed aan Europese richtlijnen. Zo uitte de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa in Resolutie 1532 (2007) haar „bezorgdheid dat, doordat er geen echte vorm van burgerdienst bestaat, tientallen gewetensbezwaarden gevangen blijven, vooral Jehovah’s Getuigen, omdat ze gevangenisstraf verkiezen boven een alternatieve vorm van dienst die geen echte burgerdienst is”.

Ook het VN-Mensenrechtencomité heeft zijn bezorgdheid geuit over het feit dat Armenië Getuigen die dienst weigerden, gevangen bleef zetten. In de slotopmerkingen van de 105de sessie (2012) zei het comité:

„De regeringspartij moet een serieus alternatief voor militaire dienst bieden dat echt van niet-militaire aard is, waar alle gewetensbezwaarden gebruik van kunnen maken, waar geen strafmaatregelen aan verbonden zijn en dat niet discriminerend is wat betreft aard, kosten of duur. De regeringspartij moet ook alle gewetensbezwaarden vrijlaten die gevangenzitten omdat ze militaire dienst weigeren of omdat ze het bestaande alternatief daarvoor niet aanvaarden.”

Hulp van het EHRM

Toen Vahan Bayatyan en twee andere jonge Getuigen bij de Armeense rechtbanken geen gehoor vonden, stapten ze naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Het keerpunt kwam toen de Grote Kamer van het EHRM op 7 juli 2011 met een overweldigende meerderheid in het voordeel van Bayatyan besliste. Voor het eerst in de geschiedenis van het EHRM werd bepaald dat ook gewetensbezwaarden onder de bescherming van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vallen. Deze gunstige uitspraak van de Grote Kamer werd gevolgd door vier andere uitspraken van het EHRM die ook de rechten van gewetensbezwaarden erkenden. *

Verzoekers in recente EHRM-uitspraken waarin de rechten van gewetensbezwaarden erkend worden: Hayk Bukharatyan en Ashot Tsaturyan.

De Armeense regering negeerde de uitspraak van de Grote Kamer in de zaak Bayatyan v. Armenia en veroordeelde 29 jonge Getuigen die op principiële gronden dienst weigerden; 23 van hen werden gevangengezet. Van juli 2011 tot oktober 2013 hebben 86 mannen alles bij elkaar 168 jaar in Armeense gevangenissen doorgebracht. Sommigen van hen hebben de onrechtmatige gevangenzetting aangevochten door hun zaak aanhangig te maken bij het EHRM.

Reden tot bezorgdheid

Gewetensbezwaarden die hun gevangenisstraf hebben uitgezeten en degenen die in oktober 2013 zijn vrijgelaten, hopen dat naar aanleiding van de recente veranderingen in het Armeens strafrecht hun strafblad doorgehaald zal worden. Ook is het de vraag of personen die na de uitspraak in de zaak Bayatyan veroordeeld en gevangengezet zijn, schadeloos gesteld zullen worden.

Het is nog afwachten welke uitwerking het amendement op de Armeense wet inzake vervangende dienst zal hebben. Toch lijkt het erop dat Armenië nu moeite doet om het recht op principiële dienstweigering te erkennen.

De lange weg naar een aanvaardbaar programma voor vervangende dienstplicht

Jaar

Ontwikkeling

2001

Armenië wordt lid van de Raad van Europa en verplicht zich daarmee een acceptabele wet inzake vervangende dienst aan te nemen

2004

De Wet op de Vervangende Dienst wordt aangenomen maar de regeling komt onder toezicht van het leger en is daardoor onaanvaardbaar voor Jehovah’s Getuigen

2006

Via amendementen op de Wet op de Vervangende Dienst worden nieuwe strafmaatregelen ingevoerd maar er wordt niet voorzien in een ’echte’ vorm van burgerdienst die aanvaardbaar is voor Jehovah’s Getuigen

2011

In de zaak Bayatyan v. Armenia beslist de Grote Kamer van het EHRM met 16 stemmen tegen 1 dat het recht op vrijheid van geweten geschonden is, en beschermt daarmee de rechten van principiële dienstweigeraars

2012

Het Europese Hof doet twee uitspraken ten nadele van Armenië betreffende dienstweigering op grond van gewetensbezwaren: Bukharatyan v. Armenia en Tsaturyan v. Armenia

2013

Op 8 juni worden nieuwe amendementen van kracht en op 25 juli worden bepalingen aangenomen die de uitvoering ervan mogelijk maken, waardoor ’echte’ burgerdienst mogelijk wordt

Op 8 en 9 oktober laat Armenië acht gewetensbezwaarden uit de gevangenis vrij

Op 23 oktober willigt de Republikeinse Commissie het verzoek voor vervangende dienstplicht in van 57 Getuigen van Jehovah, onder wie zes van de twintig Getuigen die nog in Armenië gevangenzitten

Op 24 oktober laat Armenië zes Getuigen vrij uit de Erebuni-gevangenis

^ ¶12 Zie Erçep v. Turkey, nr. 43965/04, 22 november 2011; Bukharatyan v. Armenia, nr. 37819/03, 10 januari 2012; Tsaturyan v. Armenia, nr. 37821/03, 10 januari 2012; Feti Demirtaş v. Turkey, nr. 5260/07, 17 januari 2012.