Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

„Gedenk mij toch, o mijn God, ten goede”

„Gedenk mij toch, o mijn God, ten goede”

 Nader dicht tot God

„Gedenk mij toch, o mijn God, ten goede”

„IK DACHT dat Jehovah, die me zo goed kent, nooit van me zou kunnen houden of me zou kunnen goedkeuren.” Dat schreef een getrouwe christelijke vrouw die met minderwaardigheidsgevoelens worstelde. Wordt u weleens geplaagd door zulke gevoelens, waardoor u denkt dat u Gods aandacht niet waard bent, laat staan zijn goedkeuring? Als dat zo is, kunnen de woorden in Nehemia 13:31 bemoedigend zijn.

Nehemia, stadhouder van de Joden in de vijfde eeuw voor onze jaartelling, deed zijn best om Gods wil te doen. Ondanks tegenstand nam hij de leiding bij de herbouw van de muren van Jeruzalem. Hij zag toe op de naleving van Gods Wet, zorgde voor de onderdrukten en probeerde het geloof van de andere Israëlieten op te bouwen. Merkte Jehovah de goede daden van deze getrouwe man op? Had Nehemia zijn goedkeuring? Het antwoord kunnen we opmaken uit de slotwoorden van het boek dat zijn naam draagt.

Nehemia bidt: „Gedenk mij toch, o mijn God, ten goede.” * Is Nehemia bang dat zijn goede daden onopgemerkt aan God voorbij zijn gegaan of dat God hem zal vergeten? Nee, Nehemia weet ongetwijfeld wat eerdere Bijbelschrijvers hebben gezegd over Jehovah’s intense belangstelling voor zijn getrouwe aanbidders en hun goede daden (Exodus 32:32, 33; Psalm 56:8). Wat vraagt hij dan aan God? Een naslagwerk zegt dat de Hebreeuwse term die met „gedenk” is vertaald, de gedachte inhoudt van „de in de geest gekoesterde genegenheid en de actie waarmee de herinnering vergezeld gaat”. Met het volste vertrouwen in de kracht van het gebed vraagt Nehemia of God met genegenheid aan hem wil denken en hem wil zegenen (Nehemia 2:4).

Zal Jehovah Nehemia’s gebed verhoren? In een bepaald opzicht heeft hij dat al gedaan. Jehovah vond het juist om Nehemia’s gebed te laten opschrijven en het tot een deel van zijn Woord, de Bijbel, te maken. Dat verzekert ons ervan dat hij met genegenheid aan Nehemia terugdenkt. Maar dat is niet het enige wat de „Hoorder van het gebed” in antwoord op Nehemia’s oprechte verzoek zal doen (Psalm 65:2).

God gaat Nehemia nog belonen voor al het goede dat hij voor de zuivere aanbidding heeft gedaan (Hebreeën 11:6). In de komende rechtvaardige nieuwe wereld die hij belooft, zal hij Nehemia zegenen door hem uit de dood op te wekken (2 Petrus 3:13; Openbaring 21:3, 4). * Dan zal Nehemia het vooruitzicht hebben om eeuwig op een paradijsaarde te leven en zal hij zien dat Jehovah inderdaad aan hem gedacht heeft.

Nehemia’s gebed bevestigt de waarheid van koning Davids woorden: „Gijzelf zult al wie rechtvaardig is zegenen, o Jehovah; als met een groot schild zult gij hen met goedkeuring omringen” (Psalm 5:12). God ziet en waardeert onze oprechte inspanningen om zijn wil te doen. Zolang u uw best doet om hem te dienen, kunt u er zeker van zijn dat hij met genegenheid aan u zal denken en u rijk zal zegenen.

Bijbelleesgedeelte voor februari:

Nehemia 1-13

[Voetnoten]

^ ¶3 Dit is de laatste van de vier keer in dit Bijbelboek dat Nehemia God vraagt of zijn getrouwe daden goede gevolgen voor hem mogen hebben (Nehemia 5:19; 13:14, 22, 31).

^ ¶5 Zie voor meer informatie over Gods voornemen met getrouwe mensen op aarde hfst. 3 en 7 van het boek Wat leert de bijbel echt?, uitgegeven door Jehovah’s Getuigen.