Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Wist u dit?

Wist u dit?

 Wist u dit?

Wie waren de magiërs die de kleine Jezus kwamen bezoeken?

Volgens het verslag over Jezus’ geboorte in het evangelie van Mattheüs brachten bezoekers uit „oostelijke streken” die de ster van een nieuwe koning hadden gezien, de jonge Jezus geschenken. De Griekse tekst van het evangelie noemt deze bezoekers magoi, „magiërs” (Mattheüs 2:1, vtn.). Wat weten we over hen?

De oudste belangrijke bron van informatie over de magiërs is de Griekse historicus Herodotus, die in de vijfde eeuw voor onze jaartelling leefde. Herodotus schreef dat de magiërs tot een Perzische priesterklasse behoorden die gespecialiseerd was in astrologie, droomuitlegging en bezweringen. In Herodotus’ tijd was het zoroastrisme de godsdienst van Perzië. De magiërs over wie hij sprak, waren daarom waarschijnlijk zoroastrische priesters. „In algemenere zin”, zegt The International Standard Bible Encyclopedia, „had een mágos in de hellenistische wereld bovennatuurlijke kennis en vermogens en was hij soms een beoefenaar van magie.”

Een aantal vroege ’christelijke’ commentatoren, onder wie Justinus Martyr, Origenes en Tertullianus, kenschetsten de magiërs die Jezus bezochten als astrologen. Tertullianus bijvoorbeeld schreef in zijn boek over de afgoderij dat ’we op de hoogte zijn van de verwantschap die er tussen magie en astrologie bestaat. De sterrenwichelaars waren dus de eersten die Jezus geschenken brachten.’ In overeenstemming met dat inzicht geven veel Bijbelvertalingen magoi met „astrologen” weer.

Waarom schreef Mattheüs woorden uit het boek Zacharia aan de profeet Jeremia toe?

De passage in kwestie staat in Mattheüs 27:9, 10, waar de evangelieschrijver iets opmerkte over het geld dat Judas Iskariot kreeg voor het verraden van Jezus. De verzen luiden: „Toen werd vervuld hetgeen door bemiddeling van de profeet Jeremia was gesproken, die zei: ’En zij namen de dertig zilverstukken, de prijs van de man voor wie een prijs werd vastgesteld, (...) en gaven die voor het veld van de pottenbakker.’” De profetie over de dertig zilverstukken werd opgetekend door Zacharia, niet door Jeremia (Zacharia 11:12, 13).

Blijkbaar werd soms niet Jesaja maar Jeremia als eerste vermeld in de verzameling boeken die „de Profeten” werd genoemd (Mattheüs 22:40). Toen Mattheüs hier over „Jeremia” sprak, bedoelde hij daarmee een heel Bijbelgedeelte dat naar het eerste boek ervan genoemd werd. Van dat Bijbelgedeelte maakte ook Zacharia deel uit.

In dezelfde geest duidde Jezus diverse Bijbelboeken die ook de Geschriften of Hagiografen worden genoemd, als „de Psalmen” aan. Toen hij zei dat alle dingen vervuld moesten worden die „in de wet van Mozes en in de Profeten en de Psalmen” over hem geschreven stonden, doelde hij dus op de profetieën in alle Hebreeuwse Geschriften (Lukas 24:44).