Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

„Hij ziet hoe het hart is”

„Hij ziet hoe het hart is”

 Nader dicht tot God

„Hij ziet hoe het hart is”

1 Samuël 16:1-12

SCHIJN bedriegt. Iemands uiterlijk onthult niet noodzakelijkerwijs hoe hij innerlijk, diep in zijn hart, is. Mensen zijn geneigd iemand op zijn uiterlijk te beoordelen. Gelukkig kijkt Jehovah God verder dan het uiterlijk. Dat blijkt duidelijk uit de woorden in 1 Samuël 16:1-12.

Stelt u zich het tafereel eens voor. Jehovah staat op het punt een nieuwe koning over het volk Israël te zalven. God zegt tegen de profeet Samuël: „Ik zal u naar Isaï, de Bethlehemiet, zenden, want onder zijn zonen heb ik mij een koning uitgezocht” (vers 1). Jehovah noemt geen naam maar zegt alleen dat de uitverkorene een van de zoons van Isaï zal zijn. Onderweg naar Bethlehem vraagt Samuël zich misschien af: hoe kom ik te weten wie van de zoons van Isaï door Jehovah uitgekozen is?

Eenmaal in Bethlehem aangekomen, zorgt Samuël ervoor dat Isaï en zijn zoons samen met hem deelnemen aan een offermaal. Als Eliab, de oudste zoon, binnenkomt, is Samuël onmiddellijk onder de indruk van zijn verschijning. Samuël vindt dat Eliab beslist een koninklijke gestalte heeft en zegt bij zichzelf: „Waarlijk, Jehovah heeft zijn gezalfde voor zich staan” (vers 6).

Maar Jehovah ziet de dingen anders. Hij zegt tegen Samuël: „Kijk niet naar zijn uiterlijk en naar zijn rijzige gestalte, want ik heb hem verworpen” (vers 7). Op Jehovah maakt het geen indruk dat Eliab zo lang en knap is. Jehovah’s alziende ogen kijken verder dan het uiterlijk, naar de plaats waar echte schoonheid te vinden is.

Jehovah legt aan Samuël uit: „Want God ziet niet zoals de mens ziet, want de méns ziet datgene wat zichtbaar is voor de ogen; maar wat Jehovah aangaat, hij ziet hoe het hart is” (vers 7). Ja, het is het hart — het innerlijk, de bron van iemands gedachten, opvattingen en gevoelens — dat voor Jehovah telt. „De onderzoeker van harten” verwerpt Eliab, evenals de volgende zes zoons van Isaï die voor Samuël verschijnen (Spreuken 17:3).

Isaï heeft nog één zoon, David, de jongste, ’die de schapen weidt’ (vers 11). David wordt dus van het veld gehaald en verschijnt voor Samuël. Dan zegt Jehovah tegen Samuël: „Sta op, zalf hem, want hij is het!” (vers 12) David is weliswaar „een jonge man met mooie ogen en knap van uiterlijk”, maar het is zijn hart waardoor hij God echt bevalt (1 Samuël 13:14).

In een wereld die zo veel nadruk legt op uiterlijke schoonheid kunnen we troost putten uit de wetenschap dat Jehovah God zich niet laat beïnvloeden door het uiterlijk. Hem interesseert het niet hoe lang u bent of dat anderen u al dan niet knap vinden. Wat Jehovah interesseert is hoe u innerlijk bent, in uw hart. Beweegt die wetenschap u ertoe aan de soort eigenschappen te willen werken die u in Gods ogen mooi maken?