Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Wist u dit?

Wist u dit?

 Wist u dit?

Waarom associeert de Bijbel de aanbidding van de valse god Baäl met seksorgieën?

De Kanaänitische godheid Baäl was in wezen een vruchtbaarheidsgod. Zijn aanbidders geloofden dat Baäl verantwoordelijk was voor de productiviteit van hun akkers en hun vee. Daarom was, aldus het naslagwerk Manners and Customs in the Bible, „de seksuele activiteit in de plaatselijke heiligdommen bedoeld om de vruchtbaarheid van het land te bevorderen door de onweersgod Baäl en zijn gemalin Asjera aan te moedigen gemeenschap te hebben, wat tot rijke oogsten en grote kudden zou leiden”.

De Kanaänieten geloofden dat Baäl zich in de diepten van de aarde terugtrok in het droge jaargetijde, als hij was bedwongen door Mot, de god van droogte en dood. Maar het begin van de regentijd, zo geloofde men, markeerde Baäls machtsherstel en daarmee de terugkeer van een overvloed aan vegetatie en leven. De Kanaänieten vierden dat jaargetijde met onbeteugelde orgieën. Dat verklaart waarom de Israëlieten toen ze zich inlieten met de Baäl van Peor, „immorele betrekkingen [hadden] met de dochters van Moab” (Numeri 25:1-3).

Wat bedoelde Jezus toen hij zei dat de schriftgeleerden en farizeeën op „witgekalkte graven” leken?

Jezus hekelde de schriftgeleerden en farizeeën als huichelaars en zei tegen hen: „Gij gelijkt op witgekalkte graven, die van buiten weliswaar mooi schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn” (Mattheüs 23:27). De Joden hadden de gewoonte grafstenen te laten opvallen door ze aan het eind van het regenseizoen, op de 15de Adar, een maand voor het Pascha, wit te kalken. Door alle regen was de kalk er meestal afgespoeld.

Volgens The Jewish Encyclopedia gebeurde het markeren van graven om „de talrijke pelgrims die bij het paschafeest langs de wegen trokken” tegen verontreiniging te beschermen. De in Numeri 19:16 opgetekende wet bepaalde dat iedereen die een lijk, het bot van een mens of een graf aanraakte, zeven dagen onrein zou zijn. Israëlieten die ceremonieel onrein waren, mochten op straffe des doods niet deelnemen aan de zuivere aanbidding (Leviticus 15:31). Jezus sprak deze illustratie slechts enkele dagen voor het Pascha uit; het jaarlijkse witkalken van de graven zal zijn toehoorders dus nog vers in het geheugen hebben gelegen. Wat Jezus bedoelde, was dat zijn religieuze tegenstanders niet waren wat ze uiterlijk leken en dat contact met hen geestelijk verontreinigend was.

[Illustratie op blz. 15]

Kalkstenen stèle van Baäl-van-de-bliksem, 14de/13de eeuw v.G.T.

[Verantwoording]

Musée du Louvre, Paris