Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Is oorlog verenigbaar met het christendom?

Is oorlog verenigbaar met het christendom?

 Is oorlog verenigbaar met het christendom?

„Tegen welke morele maatstaf is oorlog een misdaad of een zonde? Dat is inderdaad een probleem.” — Oliver O’Donovan, hoogleraar christelijke ethiek

EEN schilderij met de naam Sacrifice (Offer), geïnspireerd door de Tweede Wereldoorlog en tentoongesteld in het Canadian War Museum, toont gesneuvelde soldaten, uitgeputte overlevenden en hun thuis achtergebleven gezinnen. Boven dat tafereel hangt Jezus Christus aan een kruis. Het schokt sommige bezoekers dat Jezus, de „Vredevorst”, in verband wordt gebracht met letterlijke oorlogvoering (Jesaja 9:6). Anderen, die dankbaar zijn voor de offers die hun landgenoten hebben gebracht, denken dat God en zijn Zoon van christenen verwachten dat ze strijd voeren om de veiligheid en vrijheid van hun land te beschermen.

Religieuze leiders prediken al eeuwenlang een boodschap die oorlogen ondersteunt. In 417 van onze jaartelling schreef Augustinus, een van de kerkvaders: „U moet niet denken dat niemand die als soldaat dient, en dus wapens gebruikt om oorlog te voeren, aanvaardbaar voor God kan zijn. (...) Anderen weren onzichtbare vijanden voor u af door te bidden, terwijl u zichtbare barbaren voor hen bestrijdt door te vechten.” In de dertiende eeuw legde Thomas van Aquino uit dat „oorlogen geoorloofd en gerechtvaardigd zijn als ze de armen en de hele gemeenschap tegen het verraad van een vijand beschermen”.

Wat is uw mening? Als er een militaire actie wordt ondernomen voor een schijnbaar nobel doel — om de vrijheid van een land te verdedigen of onderdrukten te bevrijden — rust daar dan Gods zegen op? Tot welke „morele maatstaf” kunnen christenen zich wenden om te weten te komen wat Gods wil is in deze kwestie?

Het voorbeeld van Jezus Christus

Is het mogelijk te weten te komen hoe God over een ingewikkelde zaak als de hedendaagse oorlogvoering denkt? De apostel Paulus besefte voor welk dilemma we staan, want hij vroeg: „’Wie heeft de zin [de denkwijze] van Jehovah leren kennen, dat hij hem zou kunnen onderrichten’? Wij hebben echter wel de zin van Christus” (1 Korinthiërs 2:16). Om ons te helpen, heeft Jehovah God Jezus als ons Voorbeeld naar de aarde gezonden. Wat Jezus zei en deed, was een weerspiegeling van Jehovah’s gedachten en manier van handelen. Wat heeft Jezus dan over oorlogvoering gezegd? Welk standpunt nam hij in als het om oorlog ging?

Als er een geldige reden zou zijn om naar de wapens te grijpen, dan is het wel om het leven en de veiligheid van Jezus Christus te verdedigen. Zo redeneerde een van zijn apostelen. Toen Jezus midden in de nacht verraden en door een gewapende bende gearresteerd werd, stak zijn vriend Petrus „zijn hand uit en trok zijn zwaard en sloeg de slaaf van de hogepriester en hieuw hem het  oor af”. Was dat gerechtvaardigd wapengebruik? Jezus zei tegen Petrus: „Steek uw zwaard weer op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard vergaan” (Mattheüs 26:47-52).

Jezus’ reactie hoeft ons niet te verbazen. Twee jaar daarvoor had hij gezegd: „Gij hebt gehoord dat er werd gezegd: ’Gij moet uw naaste liefhebben en uw vijand haten.’ Ik zeg u echter: Blijft uw vijanden liefhebben en blijft bidden voor hen die u vervolgen, opdat gij er blijk van moogt geven zonen te zijn van uw Vader, die in de hemelen is, want hij laat zijn zon opgaan over goddelozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mattheüs 5:43-45). Is het redelijk te denken dat een christen zijn vijanden kan liefhebben en voor hen kan bidden terwijl hij oorlog tegen hen voert?

Uit de geschiedenis blijkt dat christenen veel vijanden hadden. De Romeinen bijvoorbeeld veroordeelden Jezus Christus en stelden hem terecht. Niet veel later stond er de doodstraf op als iemand alleen maar beleed een christen te zijn. Jezus had voorzien dat christenen in de verleiding zouden kunnen komen om wapens te dragen en tegen de Romeinse bezetting in opstand te komen, zoals sommige Joden hadden gedaan. Hij zei dan ook over zijn volgelingen: „Zij zijn geen deel van de wereld, evenals ik geen deel van de wereld ben” (Johannes 17:16). Christenen verkozen politiek neutraal te blijven. Met wat voor onrecht of dreiging zij of het land waar ze woonden ook te maken zouden krijgen, het was geen reden om aan een militaire actie deel te nemen.

Voorvechters van Gods koninkrijk

Ware christenen hielden zich aan Jezus’ wensen en bleven neutraal. Neem bijvoorbeeld wat er in Ikonium, een stad in Klein-Azië, gebeurde. „Toen er nu zowel van de zijde der mensen uit de natiën als van de zijde der joden met hun regeerders een gewelddadige poging werd gedaan om hen [Paulus en Barnabas] onbeschaamd te behandelen en met stenen te werpen, vluchtten zij, zodra zij hiervan op de hoogte waren gesteld, naar de steden van Lykaonië, Lystra en Derbe en omgeving, en daar zetten zij het bekendmaken van het goede nieuws voort” (Handelingen 14:5-7). Toen de christenen met gewelddadige tegenstand te maken kregen, grepen ze dus niet naar de wapens om zich te verdedigen en namen ze ook geen wraak. Ze bleven „het goede nieuws” prediken. Wat voor goed nieuws hadden ze te vertellen?

 De christenen predikten dezelfde boodschap die Jezus had gepredikt. Hij zei: „Ik moet (...) het goede nieuws van het koninkrijk Gods bekendmaken” (Lukas 4:43). Jezus en zijn volgelingen waren voorvechters van Gods koninkrijk. Christus heeft nooit een nationale strijdmacht gebruikt om dat koninkrijk te verdedigen. „Mijn koninkrijk is geen deel van deze wereld”, zei hij. „Indien mijn koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaren hebben gestreden, opdat ik niet aan de joden overgeleverd zou worden. Maar mijn koninkrijk is nu eenmaal niet uit deze bron” (Johannes 18:36).

’Hebt liefde onder elkaar’

Neutraliteit in oorlogstijd is een kenmerk van ware aanbidding. Jezus zei: „Hieraan zullen allen weten dat gij mijn discipelen zijt, indien gij liefde onder elkaar hebt” (Johannes 13:35). Miljoenen zijn blij dat ze een groep mensen hebben ontdekt die deze liefde tonen, zelfs als hun weigering om wapens te dragen tot gevolg heeft dat ze worden bespot, gevangengezet of terechtgesteld.

In het door de nazi’s bezette Europa hebben de autoriteiten naar schatting 10.000 Getuigen van Jehovah gevangengezet wegens hun christelijke neutraliteit, onder wie zo’n 3000 die naar concentratiekampen werden gestuurd. Intussen werden in diezelfde periode meer dan 4300 Getuigen in de Verenigde Staten gevangengezet omdat ze weigerden in militaire dienst te gaan. Noch de Duitse noch de Amerikaanse Getuigen hebben de wapens opgenomen en tegen hun broeders of tegen wie maar ook gevochten. Hoe zouden ze dat ooit kunnen en toch beweren liefde onder elkaar en liefde voor hun medemens te hebben?

Veel mensen denken dat militair optreden een noodzakelijke vorm van zelfverdediging is. Maar denk hier eens over na: Hoewel de eerste-eeuwse christenen hevig werden vervolgd en weigerden terug te vechten, zijn ze blijven bestaan. Het machtige Romeinse Rijk was niet in staat het christendom uit te roeien. Ook in deze tijd is er een sterke, snelgroeiende gemeenschap van ware christenen, die nog steeds een neutraal standpunt innemen. In plaats van het recht in eigen hand te nemen, zien ze vol vertrouwen naar God op voor hulp. Zijn Woord, de Bijbel, zegt: „Wreekt uzelf niet, geliefden, maar geeft plaats aan de gramschap; want er staat geschreven: ’Aan mij is de wraak; ik wil vergelden, zegt Jehovah’” (Romeinen 12:19).

[Kader op blz. 30]

OORLOGEN DIE GODS ZEGEN HADDEN

Het oude Israël, een volk dat eeuwen voordat het christendom werd gesticht speciaal door God werd uitgekozen, kreeg soms de opdracht om een leger op de been te brengen en oorlog te voeren. Voordat de Israëlieten Kanaän binnentrokken, het land dat God aan Abraham had beloofd, werd hun gezegd: „Jehovah, uw God, zal ze [zeven volken] stellig aan u overleveren, en gij moet ze verslaan. Gij dient ze zonder mankeren aan de vernietiging prijs te geven. Gij moogt geen verbond met hen sluiten noch hun ook maar enige gunst betonen” (Deuteronomium 7:1, 2). De Israëlitische generaal Jozua versloeg die vijandige volken dus „juist zoals Jehovah, de God van Israël, had geboden” (Jozua 10:40).

Was dat een meedogenloze verovering waarin Israël hebzuchtig andere landen onderwierp? Absoluut niet. Die volken maakten zich op grote schaal schuldig aan afgoderij, bloedvergieten en ontaarde seks. Ze doodden zelfs kinderen in offervuren (Numeri 33:52; Jeremia 7:31). Gods heiligheid, zijn gerechtigheid en zijn liefde voor zijn volk noodzaakten hem om alle onreinheid uit het land te verwijderen. Maar hij onderzocht het hart van ieder mens — iets waartoe geen enkele legercommandant in deze tijd in staat is — en spaarde degenen die hun levenswijze wilden veranderen en hem wilden dienen.

[Illustratie op blz. 31]

Verwachtte Jezus van zijn volgelingen dat ze zouden vechten om hem of hun medechristenen te verdedigen?

[Illustratie op blz. 31]

Een groep Getuigen van Jehovah na hun vrijlating uit het concentratiekamp Buchenwald in 1945