Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Wist u dit?

Wist u dit?

 Wist u dit?

Doelde de apostel Paulus in Efeziërs 2:11-15 op een letterlijke barrière toen hij sprak over een muur die de Joden van de heidenen scheidde?

Toen Paulus de brief aan de Efeziërs schreef, stelde hij de Israëlieten tegenover „vreemden”. Er was een „tussenmuur”, zei hij, die de twee groepen van elkaar „scheidde” (Efeziërs 2:11-15). Paulus doelde op de via Mozes gegeven „Wet der geboden”, maar doordat hij het woord „tussenmuur” gebruikte, kan hij zijn lezers hebben doen denken aan een echt bestaande stenen barrière.

In de eerste eeuw van onze jaartelling had Jehovah’s tempel in Jeruzalem een aantal voorhoven die beperkt toegankelijk waren. Iedereen mocht het voorhof der heidenen betreden, maar alleen Joden en proselieten hadden toegang tot de voorhoven van de tempel. Een fraai bewerkte stenen balustrade van naar verluidt zo’n 1,3 meter hoog, de Soreg, scheidde de beperkt toegankelijke terreinen van de voor iedereen toegankelijke. Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus uit de eerste eeuw stonden er in het Grieks en Latijn inscripties op de barrière waarin heidenen werden gewaarschuwd die niet te passeren omdat ze dan de heilige ruimten zouden betreden.

Er is één volledige Griekse inscriptie uit deze scheidsmuur gevonden. Ze luidt: „Laat geen vreemdeling zich binnen de barrière en de omheining rondom het heiligdom begeven. Wie betrapt wordt, haalt zich daarmee de doodstraf op de hals.”

Paulus gebruikte de Soreg blijkbaar om het mozaïsche wetsverbond af te beelden, dat Joden en heidenen lang gescheiden had gehouden. Door de offerandelijke dood van Jezus was het Wetsverbond opgeheven en was dus ’de tussenmuur vernietigd’.

Waarom wordt er over het algemeen gesproken van de twaalf stammen van Israël terwijl er in werkelijkheid dertien stammen waren?

De stammen of families van Israël waren nakomelingen van de zonen van Jakob, wiens naam in Israël werd veranderd. Deze patriarch had twaalf zonen: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gad, Aser, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin (Genesis 29:32–30:24; 35:16-18). Naar elf van die broers werd een stam genoemd, maar niet naar Jozef. In plaats daarvan werden er twee stammen naar zijn zonen genoemd, Efraïm en Manasse, aan wie de volledige status van stamhoofd werd toegekend. Zo kwam het aantal stammen in Israël op dertien. Waarom spreekt de Bijbel dan meestal van twaalf stammen?

Bij de Israëlieten werden de mannen van de stam Levi afgezonderd voor dienst in Jehovah’s tabernakel en later in de tempel. Daarom werden ze vrijgesteld van militaire dienst. Jehovah zei tegen Mozes: „Slechts de stam Levi moogt gij niet inschrijven, en het totale aantal van hen moogt gij niet opnemen onder de zonen van Israël. En gíȷ́, stel de levieten aan over de tabernakel der Getuigenis en over al zijn gerei en over alles wat ertoe behoort.” — Numeri 1:49, 50.

De stam Levi kreeg ook geen gebiedstoewijzing in het beloofde land. In plaats daarvan werden hun 48 steden toegewezen die door het hele gebied van Israël verspreid lagen. — Numeri 18:20-24; Jozua 21:41.

Om die twee redenen werd de stam Levi over het algemeen niet vermeld als de stammen werden opgesomd en werd dus meestal van de twaalf stammen van Israël gesproken. — Numeri 1:1-15.

[Illustratieverantwoording op blz. 21]

Archaeological Museum of Istanbul