Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

 LEVENSVERHAAL

Jehovah’s zegeningen overtroffen al mijn verwachtingen

Jehovah’s zegeningen overtroffen al mijn verwachtingen

EIGENLIJK zou ik moeten pionieren, dacht ik. Maar zou dat echt wel zo leuk zijn? In Duitsland had ik een leuke baan in de export van voedingswaren naar exotische plaatsen in Afrika, zoals Dar es Salaam, Elisabethstad en Asmara. Op dat moment had ik er geen idee van dat ik Jehovah later in die en nog veel meer plaatsen in Afrika fulltime zou dienen!

Toen ik uiteindelijk mijn twijfels van me afzette en met pionieren begon, ging er een deur voor me open naar een leven dat al mijn verwachtingen overtrof (Ef. 3:20). Maar laat ik bij het begin beginnen.

Ik ben geboren in Berlijn, een paar maanden na het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1939. Tegen het einde van de oorlog in 1945 werd Berlijn zwaar gebombardeerd. Bij een van die luchtbombardementen werd onze straat getroffen en moest ons gezin naar een schuilkelder vluchten. Later gingen we naar Erfurt, de geboorteplaats van mijn moeder.

Met mijn ouders en zus in Duitsland (ca. 1950)

Mijn moeder was op zoek naar de waarheid. Ze las boeken van filosofen en onderzocht verschillende religies, maar tevergeefs. Rond 1948 kwamen er twee Getuigen bij ons aan de deur. Mijn moeder nodigde ze binnen en stelde ze de ene vraag na de andere. Nog geen uur later zei ze tegen mijn zusje en mij: ‘Ik heb de waarheid gevonden!’ Kort daarna gingen mijn moeder, mijn zus en ik in Erfurt de vergaderingen bezoeken.

In 1950 gingen we terug naar Berlijn, waar we de gemeente Berlin-Kreuzberg gingen bezoeken. Na nog een verhuizing binnen de stad zelf gingen we naar de gemeente Berlin-Tempelhof. Na verloop van tijd liet mijn moeder zich dopen, maar ik aarzelde. Waarom?

MIJN VERLEGENHEID OVERWINNEN

Ik maakte maar weinig vorderingen omdat ik heel verlegen was. Twee jaar lang ging ik mee in de dienst maar zei ik niets. Dat veranderde toen ik broeders en zusters leerde kennen die hun moed en toewijding aan Jehovah hadden bewezen. Sommigen van hen hadden in naziconcentratiekampen of gevangenissen in Oost-Duitsland gezeten. Andere hadden hun vrijheid op het spel gezet door lectuur naar Oost-Duitsland te smokkelen. Hun voorbeeld maakte veel indruk op me. Ik redeneerde dat als zij  bereid waren hun leven en vrijheid op het spel te zetten voor Jehovah en hun broeders en zusters, ik op zijn minst mijn best moest doen om minder verlegen te zijn.

Ik begon mijn verlegenheid te overwinnen toen ik in 1955 meedeed aan een speciale veldtocht. In een brief in de Informateur * kondigde Nathan Knorr aan dat het een van de grootste veldtochten zou zijn die de organisatie ooit had georganiseerd. Hij zei: ‘Indien alle verkondigers in het veld zullen uittrekken (...), zullen wij de schitterendste getuigenismaand hebben waarvan wij ooit op deze aarde hebben gehoord.’ En dat was ook zo! Niet veel later droeg ik me aan Jehovah op, en in 1956 liet ik me dopen, net als mijn vader en zus. Maar al gauw moest ik nog een belangrijke beslissing nemen.

Hoewel ik al jaren wist dat pionieren de beste carrière zou zijn, bleef ik het maar uitstellen. Ik besloot om eerst in Berlijn een praktijkopleiding te doen in de in- en uitvoer van goederen naar bedrijven in andere landen. Daarna wilde ik een tijdje ervaring opdoen in dat werk. Daarom nam ik in 1961 een baan aan in Hamburg, de grootste havenstad in Duitsland. Maar hoe meer ik van mijn werk ging genieten, hoe meer ik de volletijddienst op de lange baan wilde schuiven. Wat moest ik doen?

Ik ben Jehovah dankbaar dat hij lieve broeders heeft gebruikt om me te helpen geestelijke prioriteiten te stellen. Een paar vrienden gaven me het goede voorbeeld door te beginnen met pionieren. Broeder Erich Mundt, die het concentratiekamp had overleefd, spoorde me aan op Jehovah te vertrouwen. Hij zei dat de broeders die in het kamp op zichzelf vertrouwden, later zwak werden. Maar degenen die volledig op Jehovah vertrouwden, bleven trouw en werden steunpilaren in de gemeente.

Toen ik met pionieren begon (1963)

Daarnaast was er de aanmoediging van Martin Pötzinger, die later lid werd van het Besturende Lichaam. Hij zei altijd: ‘Mut haben ist das beste Guthaben.’ (Moed is het beste tegoed.) Nadat ik over die woorden had nagedacht, nam ik in juni 1963 ontslag om eindelijk te beginnen met pionieren. Dat was de beste beslissing die ik ooit had kunnen nemen! Na twee maanden, nog voordat ik een nieuwe baan kon zoeken, werd ik gevraagd om als speciale pionier te dienen. Een paar jaar later overtrof Jehovah al mijn verwachtingen. Ik werd uitgenodigd voor de 44ste klas van Gilead.

EEN WAARDEVOLLE LES OP GILEAD

‘Geef het niet te snel op in je toewijzing!’ Dat was een van de belangrijkste dingen die ik leerde van met name Nathan Knorr en Lyman Swingle. Zij spoorden ons aan om te volharden in onze toewijzing. Broeder Knorr zei: ‘Waar concentreer je je op? De viezigheid, de beestjes, de armoede? Of de bomen, de bloemen en de gelukkige gezichten? Leer van de mensen te houden!’ Toen broeder Swingle eens uitlegde waarom sommigen het snel opgaven, kreeg hij tranen in zijn ogen. Hij moest zijn lezing even onderbreken om zijn emoties onder controle te krijgen. Ik was diep geraakt en nam me voor om nooit Christus of zijn trouwe broeders teleur te stellen (Matth. 25:40).

Ik, Claude en Heinrich in onze zendingstoewijzing in Lubumbashi (1967)

Toen we onze toewijzing kregen, vroegen sommige Bethelieten uit nieuwsgierigheid aan enkelen van ons waar we naartoe zouden gaan. Op elke toewijzing reageerden ze positief, totdat ik zei: ‘Congo.’ Het was even stil, waarna ze zeiden: ‘O, Congo! Mag Jehovah met je zijn!’ In die tijd was Congo (Kinshasa) veel in het nieuws vanwege oorlogsgeweld, huursoldaten en moordaanslagen. Maar ik hield de lessen die ik had geleerd in gedachte. Kort na de graduatie in september 1967 vertrokken Heinrich Dehnbostel, Claude Lindsay en ik naar Kinshasa, de hoofdstad van Congo.

 EEN GEWELDIG OEFENTERREIN VOOR ZENDELINGEN

Nadat we in Kinshasa aankwamen, hebben we drie maanden Frans geleerd. Daarna vlogen we naar Lubumbashi, het voormalige Elisabethstad, vlak bij de grens met Zambia in het diepe zuiden van Congo. We gingen wonen in een zendelingenhuis in het centrum van de stad.

In het grootste deel van Lubumbashi was nog nooit gepredikt, dus we vonden het geweldig dat we als eersten de waarheid met die mensen konden delen. Al gauw hadden we meer Bijbelstudies dan we aankonden. We gaven ook getuigenis aan beambten die voor de regering of de politie werkten. Vele hadden diep respect voor Gods Woord en onze prediking. Omdat de mensen vooral Swahili spraken, gingen Claude Lindsay en ik ook die taal leren. Al snel werden we toegewezen aan een Swahilisprekende gemeente.

Hoewel we veel geweldige ervaringen hadden, waren er ook uitdagingen. We kregen vaak te maken met valse beschuldigingen van dronken, schietgrage soldaten of agressieve politiemannen. Op een dag stormde een hele groep gewapende politiemannen tijdens een gemeentevergadering het zendelingenhuis binnen. Ze namen ons mee naar het politiebureau, waar ze ons op de grond lieten zitten tot ze ons rond tien uur ’s avonds vrijlieten.

In 1969 kreeg ik een toewijzing in de reizende dienst. Toen kwam ik in aanraking met de echte Afrikaanse bush, met lange tochten door hoog gras en over modderige wegen. In één  dorp sliep er altijd een hen met haar kuikens onder mijn bed. Ik zal nooit vergeten hoe ze nog voor zonsopkomst met een hoop kabaal de dag enthousiast begon. Ik heb nog steeds dierbare herinneringen aan de gesprekken over Bijbelse waarheden die ik ’s avonds rond het kampvuur met de broeders had.

Een van de grootste problemen waren de valse broeders die de Kitawalabeweging * steunden. Sommigen van hen waren in de gemeenten geïnfiltreerd en hadden verantwoordelijke posities. Vaak werden die ‘verborgen rotsen’ door oprechte broeders en zusters ontmaskerd (Jud. 12). Uiteindelijk reinigde Jehovah de gemeenten en legde hij het fundament voor een geweldige toename.

In 1971 werd ik toegewezen aan het bijkantoor in Kinshasa, waar ik verschillende taken kreeg in verband met correspondentie, lectuurbestellingen en dienstzaken. Op Bethel leerde ik het werk te organiseren in een groot land met een slechte infrastructuur. Soms duurde het maanden voordat onze luchtpost de gemeenten bereikte. De post werd van het vliegtuig op boten geladen, die later wekenlang vast kwamen te zitten in een dik tapijt van waterhyacinten. Maar ondanks al dat soort uitdagingen werd het werk gedaan.

Ik vond het indrukwekkend te zien hoe de broeders met beperkte middelen grote congressen konden organiseren. Ze hakten podiums uit termietenheuvels, maakten wanden met lang olifantsgras en rolden dat gras ook op om er zitkussens mee te maken. Ze maakten een geraamte van bamboe en een dak en tafels van rietmatten. Ze sneden boomschors in stukjes die ze gebruikten als spijkers. Ik had veel bewondering voor die flexibele, vindingrijke broeders en zusters. Ik ben echt van ze gaan houden. Ik ging ze missen toen ik naar een nieuwe toewijzing moest.

DIENST IN KENIA

In 1974 werd ik overgeplaatst naar het bijkantoor in Nairobi (Kenia). Er was veel werk te doen, want het bijkantoor van Kenia ondersteunde de prediking in tien omliggende landen, waar in sommige gevallen ons werk verboden was. Ik heb vaak de toewijzing gehad die landen te bezoeken, in het bijzonder Ethiopië. Daar werden onze broeders en zusters zwaar vervolgd. Vele werden ernstig mishandeld of gevangengezet. Sommige werden zelfs gedood. Maar ze bleven trouw omdat ze een goede band hadden met Jehovah en met elkaar.

In 1980 kreeg mijn leven een mooie wending toen ik trouwde met Gail Matheson, die oorspronkelijk uit Canada komt. Op Gilead hadden Gail en ik in dezelfde klas gezeten, en we waren elkaar blijven schrijven. Gail diende als zendeling in Bolivia. Na 12 jaar troffen we elkaar weer in New York. Kort daarna zijn we getrouwd in Kenia. Ik ben Gail heel dankbaar voor haar geestelijke kijk en voorbeeldige tevredenheid. Ze is nog steeds mijn dierbare steun en liefhebbende partner.

In 1986 kregen Gail en ik een toewijzing in de reizende dienst terwijl ik tegelijk in het bijkantoorcomité diende. Voor de reizende dienst moesten we ook naar veel andere landen die onder het bijkantoor van Kenia vielen.

Ik houd een lezing op een congres in Asmara (1992)

Ik denk met plezier terug aan de voorbereidingen voor een congres in Asmara (Eritrea) in 1992, toen ons werk in die regio niet verboden was. Helaas konden we alleen een lelijke loods vinden die er vanbinnen nog erger uitzag dan vanbuiten. Op de eerste congresdag zag ik stomverbaasd hoe het gebouw was veranderd in een waardige plaats om Jehovah te aanbidden. Veel gezinnen hadden decoratieve lappen stof meegebracht en die over de lelijke gedeelten gehangen. We genoten van een vreugdevol en bezielend congres met 1279 aanwezigen.

 De reizende dienst was even wennen voor ons. De ene keer sliepen we in een gastenverblijf in een villa aan de kust en de andere keer in een ijzeren keet van een arbeiderskamp met toiletten op 100 meter afstand. Maar we koesteren vooral de herinneringen aan de drukke dagen in de dienst met ijverige pioniers en verkondigers, waar dat ook was. Als we onze volgende toewijzing kregen, moesten we veel lieve vrienden achterlaten die we heel erg zouden missen.

ZEGENINGEN IN ETHIOPIË

Eind jaren 80 en begin jaren 90 werd ons werk wettelijk bevestigd in verschillende landen die onder het bijkantoor van Kenia vielen. Hierdoor konden er afzonderlijke bijkantoren en landskantoren worden opgericht. In 1993 werden we toegewezen aan het kantoor in Addis Abeba, dat in Ethiopië ligt. Daar was na jarenlange ondergrondse activiteit het werk nu wettelijk erkend.

In de reizende dienst in Ethiopië (1996)

Jehovah heeft het werk in Ethiopië gezegend. Veel broeders en zusters gingen in de pioniersdienst. Sinds 2012 dient elk jaar ruim 20 procent van alle verkondigers als gewone pionier. Daarnaast hebben theocratische scholen voor de nodige opleiding gezorgd en zijn er meer dan 120 Koninkrijkszalen gebouwd. In 2004 is de Bethelfamilie naar een nieuw gebouw verhuisd, en een congreshal op hetzelfde terrein is ook een zegen gebleken.

Door de jaren heen hebben Gail en ik hechte vriendschappen opgebouwd met onze broeders en zusters in Ethiopië. Hun hartelijke, vriendelijke karakter maakt ze echt innemend. Omdat we nu gezondheidsproblemen hebben, zijn we recent toegewezen aan het bijkantoor van Midden-Europa, waar we liefdevol worden verzorgd. Maar we missen onze lieve vrienden in Ethiopië enorm.

JEHOVAH LIET HET GROEIEN

We hebben ervaren hoe Jehovah zijn werk heeft laten groeien (1 Kor. 3:6, 9). Zo waren er in Rwanda nog geen verkondigers toen ik voor het eerst getuigenis gaf aan Rwandezen die in de kopermijnen van Congo werkten. Nu zijn er in dat land meer dan 30.000 broeders en zusters. In Congo (Kinshasa) waren in 1967 zo’n 6000 verkondigers. Nu zijn er zo’n 230.000 verkondigers, en in 2018 waren er meer dan een miljoen aanwezigen op de Gedachtenisviering. Alle landen die ooit onder het bijkantoor van Kenia vielen hebben nu in totaal meer dan 100.000 verkondigers.

Ruim 50 jaar geleden heeft Jehovah verschillende broeders gebruikt om me te helpen met de volletijddienst te beginnen. Hoewel ik nog steeds verlegen ben, heb ik geleerd volledig op Jehovah te vertrouwen. Wat ik in Afrika heb meegemaakt, heeft me geleerd geduldig en tevreden te zijn. Gail en ik hebben bewondering voor de lieve broeders en zusters die blijk geven van bijzondere gastvrijheid en veerkracht en een enorm vertrouwen in Jehovah. Ik ben hem heel dankbaar voor zijn onverdiende goedheid. Jehovah’s zegeningen hebben inderdaad alles overtroffen wat ik had durven hopen (Ps. 37:4).

^ ¶11 Later Onze Koninkrijksdienst genoemd en nu vervangen door Leven en dienen als christenen: werkboek voor vergaderingen.

^ ¶23 ‘Kitawala’ is afgeleid van een Swahiliwoord dat ‘heersen, besturen of regeren’ betekent. Deze beweging had een politiek doel — onafhankelijkheid van België. Kitawalagroepen kwamen in het bezit van publicaties van Jehovah’s Getuigen, die ze gingen bestuderen en verspreiden. Ze verdraaiden Bijbelse leringen om hun politieke opvattingen, bijgelovige gebruiken en immorele leefstijl te rechtvaardigen.