Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

 LEVENSVERHAAL

Jehovah is goed voor ons geweest

Jehovah is goed voor ons geweest

MIJN vrouw Danièle en ik hadden net in het hotel ingecheckt toen de receptioniste tegen me zei: ‘Meneer, zou u de grenspolitie even willen bellen?’ Een paar uur daarvoor waren we aangekomen in Gabon, een land in West-Afrika waar ons werk in de jaren 70 verboden was.

Danièle, die altijd heel alert was, fluisterde in mijn oor: ‘Je hoeft de politie niet te bellen hoor, ze zijn er al!’ Toen we omkeken zagen we een auto voor het hotel stoppen. Een paar minuten later werden we allebei door soldaten gearresteerd. Maar dankzij Danièles waarschuwing had ik tijd gehad om enkele documenten aan een broeder te geven.

Terwijl we naar het politiebureau werden gebracht, bedacht ik hoe blij ik kon zijn met zo’n moedige en geestelijk ingestelde vrouw. Dit was maar één van de vele keren dat Danièle en ik als team samenwerkten. Maar waarom gingen we naar een land waar ons predikingswerk niet vrij was?

JEHOVAH OPENT MIJN OGEN

Ik ben in 1930 geboren in Croix, een plaatsje in het noorden van Frankrijk. Ons gezin was streng katholiek. We gingen elke week naar de mis en mijn vader was heel actief in de parochie. Maar toen ik bijna 14 was, gebeurde er iets waardoor ik ging beseffen hoe hypocriet de kerk was.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Frankrijk bezet door de Duitsers. Onze pastoor deed in zijn preken geregeld de oproep om de Vichyregering te steunen, die banden had met de nazi’s. We vonden zijn preken afschuwelijk. Net als veel anderen in Frankrijk luisterden we stiekem naar de BBC, die nieuws uitzond over de Geallieerden. Maar ineens keerde de pastoor om als een blad aan een boom: in september 1944 hield hij een speciale dienst ter ere van de opmars van de Geallieerden. Ik was geschokt en verloor mijn vertrouwen in de geestelijkheid.

Kort na de oorlog stierf mijn vader. Mijn oudere zus was al getrouwd en woonde in België, dus ik voelde me verantwoordelijk om voor mijn moeder te zorgen. Ik vond een baan in de textielindustrie. Mijn baas en zijn zonen waren vroom katholiek. Ik had goede vooruitzichten in hun bedrijf, maar al gauw kwam ik voor een beproeving te staan.

Mijn zus Simone, die een Getuige was geworden, kwam ons in 1953 bezoeken. Met haar bijbel liet ze heel goed zien dat de katholieke leerstellingen over de hel, de Drie-eenheid en de onsterfelijke ziel niet  klopten. In het begin kwam ik met het argument dat ze de katholieke Bijbel niet gebruikte, maar al gauw was ik ervan overtuigd dat wat ze vertelde waar was. Later gaf ze me een paar oudere Wachttorens, die ik ’s avonds in mijn slaapkamer allemaal uitlas. Ik had meteen door dat het de waarheid was, maar ik was bang dat ik mijn baan zou verliezen als ik voor Jehovah zou kiezen.

Een paar maanden lang bestudeerde ik de Bijbel en de Wachttoren-artikelen voor mezelf. Uiteindelijk besloot ik naar een Koninkrijkszaal te gaan. De sfeer van liefde in de gemeente raakte me echt. Een ervaren broeder studeerde zes maanden met me en in september 1954 werd ik gedoopt. Kort daarna werden mijn moeder en mijn jongere zus tot mijn grote vreugde ook Getuigen.

OP JEHOVAH VERTROUWEN IN DE VOLLETIJDDIENST

In 1958 stierf mijn moeder. Dat was een paar weken voor het internationale congres in New York, waar ik naartoe mocht. Omdat ik na dat congres voor niemand meer hoefde te zorgen, stopte ik met werken en begon ik te pionieren. In die tijd verloofde ik me met een ijverige pionierster, Danièle Delie, en in mei 1959 trouwden we.

Danièle was in het landelijke Bretagne, ver van huis, begonnen met de volletijddienst. Er was moed voor nodig om in die katholieke streek te prediken en naar afgelegen gebieden te fietsen. Ze besefte net als ik dat de prediking heel dringend was, want we wisten niet wanneer het einde zou komen (Matth. 25:13). Haar zelfopoffering heeft ons geholpen in de volletijddienst te volharden.

Toen we een paar dagen getrouwd waren, kregen we een toewijzing in de kringdienst. We moesten ons aanpassen aan de eenvoudige leefomstandigheden. De eerste gemeente die we bezochten bestond uit 14 verkondigers en ze hadden geen mogelijkheden om ons te huisvesten. Dus sliepen we op een matras op het podium van de Koninkrijkszaal. Dat was niet echt ideaal, maar het was wel goed voor je rug!

We gingen in onze deux-chevaux naar de gemeenten

We hadden een druk schema, maar Danièle paste zich goed aan de reizende dienst aan. Ze moest vaak in onze auto, onze deux-chevaux, op me wachten omdat er onverwacht een ouderlingenvergadering was, maar ze klaagde nooit. We zijn maar twee jaar in de kringdienst geweest en in die tijd leerden we hoe belangrijk het is om eerlijk te communiceren en als team samen te werken (Pred. 4:9).

NIEUWE TOEWIJZINGEN

In 1962 werden we uitgenodigd voor de 37ste klas van de Gileadschool in Brooklyn. De opleiding duurde 10 maanden. Er zaten maar 13 echtparen in de klas van 100 studenten, dus we vonden het een voorrecht om samen naar de school te gaan. Ik heb nog steeds goede herinneringen aan de omgang met voorbeelden van geloof zoals Frederick Franz, Ulysses Glass en Alexander Macmillan.

We vonden het geweldig om samen naar Gilead te gaan

Tijdens onze opleiding werden we aangemoedigd om beter te leren observeren. Soms gingen  we als deel van onze opleiding op zaterdagmiddag na de les naar New York voor sightseeing. We wisten dat we op maandag een schriftelijke overhoring zouden krijgen van wat we hadden gezien. Vaak kwamen we zaterdagavond heel moe thuis, maar onze gids, een vrijwilliger van Bethel, stelde ons altijd vragen om ons te helpen de belangrijkste dingen te onthouden voor de overhoring. Op een zaterdag hadden we de hele middag in de stad gelopen. We waren bij een sterrenwacht geweest waar we hadden geleerd over meteoren en meteorieten. Bij het American Museum of Natural History hadden we geleerd wat het verschil is tussen een alligator en een krokodil. Op Bethel vroeg de gids ons: ‘Wat is het verschil tussen een meteoor en een meteoriet?’ Danièle was zo moe dat ze zei: ‘Meteorieten hebben langere tanden.’

We genoten ervan onze trouwe broeders en zusters in Afrika te bezoeken

Tot onze verbazing werden we toegewezen aan het Franse bijkantoor, waar we samen meer dan 53 jaar hebben gediend. In 1976 werd ik aangesteld als coördinator van het bijkantoorcomité. Ik kreeg ook de toewijzing om in Afrika en het Midden-Oosten landen te bezoeken waar ons werk verboden of aan beperkingen onderhevig was. Dat was de reden waarom we naar Gabon gingen, waar we meemaakten wat ik in het begin vertelde. Eerlijk gezegd voelde ik me vaak niet bekwaam genoeg voor deze onverwachte verantwoordelijkheden. Maar dankzij de geweldige hulp van Danièle kon ik elke toewijzing aan.

Ik vertaal een lezing van broeder Theodore Jaracz op het ‘Goddelijke gerechtigheid’-congres in Parijs (1988)

EEN ZWARE BEPROEVING

We hielden meteen van het leven op Bethel. Danièle had voordat we naar Gilead gingen in vijf maanden tijd Engels geleerd en werd een bekwame vertaalster van onze publicaties. Het werk op Bethel gaf veel voldoening, en het gaf ons ook veel vreugde om met de gemeente samen te werken. Ik denk met plezier terug aan de keren dat we ’s avonds laat in Parijs de metro namen, moe maar overgelukkig dat we samen Bijbelstudies hadden kunnen leiden. Maar helaas kreeg Danièle gezondheidsproblemen waardoor ze niet meer zo veel kon doen als ze wilde.

In 1993 werd er borstkanker bij haar geconstateerd. Ze werd geopereerd en kreeg een zware chemokuur. Vijftien jaar later kreeg ze opnieuw te horen dat ze kanker had, dit keer een agressievere vorm. Maar ze vond haar toewijzing als vertaler zo belangrijk dat ze weer aan het werk ging zodra haar toestand stabiliseerde.

Hoewel Danièle die vreselijke ziekte had, kwam het nooit bij ons op Bethel te verlaten. Ziek zijn op Bethel heeft zo zijn uitdagingen, vooral als anderen niet weten hoe ernstig je toestand is (Spr. 14:13). Zelfs toen Danièle achter in de 70 was, kon je door haar lieve gezicht en natuurlijke elegantie niet zien hoe ze eraan toe was. Ze had geen medelijden met zichzelf maar probeerde juist anderen te helpen. Ze wist dat je iemand die het moeilijk heeft echt kunt helpen door naar hem te luisteren (Spr. 17:17). Met haar ervaring heeft ze veel zusters geholpen niet bang te zijn voor kanker.

We kregen met steeds meer beperkingen te maken. Toen Danièle niet meer fulltime kon werken,  deed ze moeite om mij meer te ondersteunen. Ze deed van alles om mijn leven makkelijker te maken, waardoor ik 37 jaar als coördinator van het bijkantoorcomité heb kunnen dienen. Ze zette bijvoorbeeld alles klaar zodat we altijd tussen de middag samen op onze kamer konden eten en even konden uitrusten (Spr. 18:22).

OMGAAN MET BEZORGDHEID

Danièle was altijd bijzonder optimistisch en genoot van het leven. Toen kreeg ze voor de derde keer kanker. We voelden ons machteloos. De chemokuren en bestralingen kostten haar zo veel kracht dat ze soms bijna niet kon lopen. Mijn hart brak toen ik merkte dat mijn lieve vrouw, een bekwame vertaalster, moeite had om uit haar woorden te komen.

Hoewel we ons hulpeloos voelden, bleven we bidden in de overtuiging dat Jehovah nooit zou toelaten dat we meer te verduren kregen dan we aankonden (1 Kor. 10:13). We probeerden altijd dankbaar te zijn voor de hulp die Jehovah gaf via zijn Woord, het medische team op Bethel en de lieve steun van onze geestelijke familie.

We vroegen Jehovah vaak welke behandeling we het beste konden kiezen. Op een gegeven moment hadden we geen opties meer. De arts die Danièle 23 jaar had begeleid, kon niet verklaren waarom ze na elke chemosessie bewusteloos raakte. Hij kon geen alternatief aanraden. We hadden het gevoel dat we er alleen voor stonden en vroegen ons af hoe het zou aflopen. Toen was een andere oncoloog bereid Danièle te behandelen. Het was alsof Jehovah voor een uitweg had gezorgd zodat we met onze zorgen konden omgaan.

We leerden met bezorgdheid om te gaan door van dag tot dag te leven. Jezus zei: ‘Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen problemen’ (Matth. 6:34). Een positieve instelling en gevoel voor humor waren ook een hulp. Toen Danièle bijvoorbeeld twee maanden geen chemotherapie kon krijgen, zei ze met een knipoog: ‘Eigenlijk heb ik me nog nooit zo goed gevoeld!’ (Spr. 17:22) Hoeveel pijn ze ook had, ze genoot ervan vol overtuiging de nieuwe Koninkrijksliederen te oefenen.

Haar positieve instelling hielp me om met mijn eigen beperkingen om te gaan. In de 57 jaar van ons huwelijk, heeft ze altijd alles voor me gedaan. Ze wilde me niet eens laten zien hoe je een ei moet bakken! Dus toen ze bijna niets meer kon doen, moest ik leren om af te wassen, de was te doen en een eenvoudige maaltijd klaar te maken. Af en toe heb ik een glas gebroken maar het maakte me heel blij om iets voor haar te kunnen doen. *

DANKBAAR VOOR JEHOVAH’S GOEDHEID

Ik kan zeggen dat ik veel heb geleerd van de beperkingen die het gevolg waren van gezondheidsproblemen en onze leeftijd. Ten eerste moeten we het nooit te druk hebben om te laten zien hoeveel we van onze partner houden. We moeten de jaren waarin we veel energie hebben zo goed mogelijk gebruiken om voor onze geliefden te zorgen (Pred. 9:9). Ten tweede moeten we ons niet te veel zorgen maken om onbelangrijke dingen, anders zien we misschien niet hoeveel zegeningen we elke dag ervaren (Spr. 15:15).

Als ik terugkijk op ons leven in de volletijddienst ben ik ervan overtuigd dat we meer door Jehovah gezegend zijn dan we ons ooit hadden kunnen voorstellen. Ik ben het helemaal eens met de psalmist die zei: ‘Jehovah is goed voor mij geweest’ (Ps. 116:7).

^ ¶32 Zuster Danièle Bockaert overleed terwijl dit artikel werd voorbereid. Ze is 78 geworden.