Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar inhoudsopgave

Tauïsme en confucianisme — Op zoek naar de weg des hemels

Tauïsme en confucianisme — Op zoek naar de weg des hemels

Hoofdstuk 7

Tauïsme en confucianisme — Op zoek naar de weg des hemels

Het tauïsme, het confucianisme en het boeddhisme vormen de drie hoofdgodsdiensten van China en het Verre Oosten. In tegenstelling tot het boeddhisme zijn het tauïsme en het confucianisme echter geen wereldgodsdiensten geworden, maar hoofdzakelijk beperkt gebleven tot China en die plaatsen waar de Chinese cultuur haar invloed heeft doen gelden. Hoewel er geen officiële cijfers beschikbaar zijn over het huidige aantal van hun aanhangers in China, hebben het tauïsme en het confucianisme te zamen de afgelopen 2000 jaar het religieuze leven van bijna een kwart van de wereldbevolking beheerst.

1. (Inclusief de inleiding.) (a) Waar en op welke schaal worden het tauïsme en het confucianisme beoefend? (b) Tot welke tijdsperiode wenden wij ons nu om deze leringen te onderzoeken?

’LAAT honderd bloemen bloeien; laat honderd scholen strijden.’ Dit gezegde, dat beroemd is geworden door de rede die Mau Tse-toeng van de Volksrepubliek China in 1956 heeft gehouden, was in werkelijkheid een parafrase van de uitdrukking die Chinese geleerden hebben gebruikt ter beschrijving van het tijdperk in China van de vijfde tot de derde eeuw v.G.T., de periode van de Strijdende Staten genoemd. Tegen deze tijd was de machtige Tsjow-dynastie (ca. 1122–256 v.G.T.) in verval geraakt en een stelsel geworden van los met elkaar verbonden feodale staten die tot groot verdriet van het gewone volk in een voortdurende strijd gewikkeld waren.

2. (a) Waardoor ontstonden de „honderd scholen”? (b) Wat is er van die „honderd scholen” overgebleven?

2 De door de oorlogen teweeggebrachte beroering en ellende verzwakten het gezag van de traditionele heersende klasse zeer. Het gewone volk nam er niet langer genoegen mee zich aan de grillen en streken van de aristocratie te onderwerpen en de gevolgen lijdzaam te ondergaan. Daardoor kwamen lang onderdrukte opvattingen en aspiraties plotseling gelijk „honderd bloemen” te voorschijn. Verschillende scholen of denkrichtingen opperden hun ideeën over regering, wet, sociale orde, gedrag en ethiek, alsook over onderwerpen als landbouw, muziek en literatuur, als het middel om het leven tot een wat normaler niveau terug te brengen. Ze kwamen bekend te staan als de „honderd scholen”. De meeste hiervan hadden geen blijvend effect. Twee scholen verwierven echter zo’n grote bekendheid dat ze het leven in China ruim 2000 jaar lang hebben beïnvloed. Dit waren de scholen die uiteindelijk als het tauïsme en het confucianisme bekend kwamen te staan.

Tau — Wat wordt eronder verstaan?

3. (a) Wat verstaan de Chinezen onder Tau? (b) Waaraan schreven de Chinezen de oorzaak van alles toe in plaats van aan een Schepper? (Vergelijk Hebreeën 3:4.)

3 Om te begrijpen waarom het tauïsme en het confucianisme zo’n diepe en blijvende invloed op het Chinese volk, alsook op de bevolking van Japan, Korea en andere omliggende natiën, zijn gaan uitoefenen, is het noodzakelijk iets te begrijpen van de fundamentele Chinese opvatting omtrent Tau. Het woord Tau betekent „weg of pad”. Bij uitbreiding kan het ook „methode, beginsel of leer” betekenen. Voor de Chinezen waren de harmonie en de ordelijkheid die zij in het heelal waarnamen, manifestaties van Tau, een soort van goddelijke wil of wetgeving die in het heelal bestaat en waardoor het beheerst wordt. Met andere woorden, in plaats van te geloven in een Schepper-God, die het heelal bestuurt, geloofden zij in een voorzienigheid, een wil des hemels, of eenvoudig de hemel zelf als de oorzaak van alles.

4. Hoe pasten de Chinezen de Tau-idee op menselijke aangelegenheden toe? (Vergelijk Spreuken 3:5, 6.)

4 De Tau-idee op menselijke aangelegenheden toepassend, geloofden de Chinezen dat er een natuurlijke en juiste manier is om alles te doen, en dat alles en iedereen zijn juiste plaats en zijn juiste functie heeft. Zij geloofden bijvoorbeeld dat indien de heerser zijn plicht vervulde door de mensen rechtvaardig te bejegenen en zorg te dragen voor de met de hemel verband houdende offerriten, de natie vrede en voorspoed zou genieten. Zo zou ook als de mensen bereid waren de weg, of Tau, te zoeken en die te volgen, alles harmonieus, vredig en doelmatig zijn. Maar zouden zij in strijd met de weg handelen of die weerstaan, dan zou er chaos en rampspoed komen.

5. (a) Hoe benadert het tauïsme het Tau? (b) Hoe benadert het confucianisme het Tau? (c) Welke vragen moeten beantwoord worden?

5 Deze zienswijze om met Tau mee te gaan en de loop ervan niet te belemmeren, is een centraal element van het Chinese filosofische en religieuze denken. Er kan gezegd worden dat het tauïsme en het confucianisme twee verschillende uitingen van dezelfde opvatting zijn. Het tauïsme is mystiek in zijn benadering en propageert in zijn oorspronkelijke vorm daadloosheid, rust en passiviteit, terugtrekking uit de samenleving en terugkeer tot de natuur. De grondgedachte ervan is dat alles goed zal komen als mensen zich terugtrekken, niets doen en de natuur haar gang laten gaan. Het confucianisme daarentegen is pragmatisch in zijn benadering. Het leert dat sociale orde gehandhaafd zal worden wanneer iedereen beantwoordt aan de voor hem bestemde rol en zijn plicht doet. Daartoe classificeert het alle menselijke en sociale relaties — vorst-onderdaan, vader-zoon, man-vrouw, enzovoort — en verschaft er richtlijnen voor. Uiteraard doet dit de volgende vragen rijzen: Hoe zijn deze twee stelsels ontstaan? Wie waren de stichters ervan? Hoe wordt er in deze tijd naar geleefd? En in hoeverre hebben ze mensen geholpen bij hun speurtocht naar God?

Het tauïsme — Een filosofisch begin

6. (a) Wat is er omtrent de stichter van het tauïsme bekend? (b) Hoe kwam de stichter van het tauïsme als Lau-tse bekend te staan?

6 Het tauïsme in zijn vroege stadia was meer een filosofie dan een religie. De stichter ervan, Lau-tse, was ontevreden over de chaos en de beroering van zijn tijd en zocht verkwikking door zich uit de samenleving terug te trekken en tot de natuur terug te keren. Er is niet veel bekend omtrent de man, die naar verluidt in de zesde eeuw v.G.T. geleefd heeft, hoewel zelfs dat niet zeker is. Hij werd gewoonlijk Lau-tse genoemd, wat „de Oude Meester” of „de Oude” betekent, omdat, zoals de legende wil, zijn moeder zo lang zwanger van hem was dat toen hij geboren werd, zijn haar reeds wit was geworden.

7. Wat vernemen wij over Lau-tse uit de „Historische optekeningen”?

7 Het enige officiële bericht omtrent Lau-tse wordt door Se-ma Tj’ièn, een gerespecteerd hofhistoricus uit de tweede en eerste eeuw v.G.T., in Sje-tji (Historische optekeningen) vermeld. Volgens deze bron heette Lau-tse in werkelijkheid Li Er. Hij was bewaarder van de koninklijke archieven te Lo-jang (Midden-China). Maar belangrijker is dat het volgende verslag over Lau-tse erin staat:

„Lau-tse woonde het grootste deel van zijn leven in Tsj’oe. Toen hij het verval van Tsj’oe voorzag, vertrok hij en kwam bij de grens. De grenswachter Jin-sji zei: ’Mijnheer, aangezien het u behaagt u terug te trekken, verzoek ik u om mijnentwil een boek te schrijven.’ Bijgevolg schreef Lau-tse een uit twee delen bestaand boek dat ruim vijfduizend woorden bevatte en waarin hij uiteenzette wat Tau [de Weg] en Te [Macht en Deugd] inhielden. Toen verdween hij. Niemand weet waar hij stierf.”

8. (a) Welk boek heeft Lau-tse naar verluidt vervaardigd? (b) Waarom wordt het boek op vele verschillende manieren geïnterpreteerd?

8 Veel geleerden twijfelen aan de echtheid van dit verslag. In elk geval staat het boek dat werd vervaardigd, als Tau-te-tjing (gewoonlijk vertaald met „Het boek van de weg en de deugd”) bekend, en het wordt als het voornaamste tekstboek van het tauïsme beschouwd. Het is geschreven in beknopte, cryptische verzen, waarvan sommige uit slechts drie of vier woorden bestaan. Hierdoor en omdat de betekenis van enkele karakters in het Chinese schrift sinds de tijd van Lau-tse beduidend is veranderd, wordt het boek op vele verschillende manieren geïnterpreteerd.

Een korte beschouwing van „Tau-te-tjing”

9. Hoe beschreef Lau-tse het begrip Tau in Tau-te-tjing?

9 In Tau-te-tjing gaf Lau-tse een uiteenzetting van het begrip Tau, de uiteindelijke weg van de natuur, en paste het toe op elk vlak van de menselijke activiteit. Voor een korte beschouwing van Tau-te-tjing doen wij hier een aanhaling uit een moderne vertaling door Gia-fu Feng en Jane English. Betreffende Tau wordt daar gezegd:

„[Er werd] iets mysterieus’ gevormd,

Geboren vóór de hemel en de aarde. . . .

Misschien is het de moeder van tienduizend dingen.

Ik ken de naam er niet van.

Noem het Tau.” — Hfdst. 25.

„Alle dingen ontstaan uit Tau.

Ze worden gevoed door de Deugd [Te].

Ze worden gemaakt uit materie.

Ze worden gevormd door de omgeving.

Aldus respecteren alle tienduizend dingen Tau

en eren de Deugd [Te].” — Hfdst. 51.

10. (a) Wat wordt door het tauïsme beoogd? (b) Hoe wordt deze tauïstische zienswijze op het menselijk gedrag toegepast?

10 Wat kunnen wij uit deze raadselachtige passages concluderen? Dat voor tauïsten Tau de een of andere mysterieuze kosmische kracht is die verantwoordelijk is voor het stoffelijke universum. Door het tauïsme wordt beoogd het Tau uit te vorsen, de wereld te verzaken en één te worden met de natuur. Deze opvatting wordt ook weerspiegeld in de tauïstische kijk op het menselijk gedrag. Dit ideaal wordt in Tau-te-tjing als volgt tot uitdrukking gebracht:

„Houd liever eerder met schenken op dan tot de

rand te vullen.

Maak het lemmer te scherp, en de snede zal snel bot

worden.

Vergaar een grote hoeveelheid goud en jade, en

niemand kan die beschermen.

Eis rijkdom en titels op, en rampspoed zal volgen.

Begeef u ter ruste wanneer het werk gedaan is.

Dit is de weg des hemels.” — Hfdst. 9.

11. Hoe kan het tauïstische ideaal beschreven worden?

11 Uit deze enkele voorbeelden blijkt dat het tauïsme althans aanvankelijk in wezen een filosofische school was. Als reactie op al het onrecht, het lijden, de verwoesting en de nutteloosheid die het gevolg waren van de hardvochtige heerschappij van het destijds bestaande feodale stelsel, geloofden tauïsten dat de weg tot vrede en harmonie gelegen was in het terugkeren tot de traditie van de ouden, voordat er koningen en ministers waren die over het gewone volk heersten. Hun ideaal was een rustig, landelijk leven te leiden, in eenheid met de natuur. — Spreuken 28:15; 29:2.

De tweede wijsgeer van het tauïsme

12. (a) Wie was Tsjwang Tsjow? (b) Wat voegde hij aan de oorspronkelijke leringen van Lau-tse toe?

12 De filosofie van Lau-tse werd één stap verder gevoerd door Tsjwang Tsjow of Tsjwang-tse, wat „Meester Tsjwang” (369–286 v.G.T.) betekent, die als de eminentste opvolger van Lau-tse werd beschouwd. In zijn boek Tsjwang-tse weidde hij niet alleen uit over het Tau, maar ging ook uitvoerig in op de voor het eerst in de I-tjing uitgewerkte opvatting omtrent jin en jang. (Zie blz. 83.) Naar zijn mening is niets werkelijk bestendig of absoluut, maar bevindt alles zich in een toestand van voortdurende wisseling tussen twee tegengestelde principes. In het hoofdstuk „Herfstvloeden” schreef hij:

„Niets in het heelal is bestendig, aangezien alles slechts lang genoeg leeft om te sterven. Alleen Tau, dat zonder begin of einde is, blijft eeuwig. . . . Het leven kan worden vergeleken met een gezwind paard in volle galop — bij elke beweging is er verandering, elk ogenblik is er wisseling. Wat dient ge te doen? Wat dient ge niet te doen? Het maakt eigenlijk niets uit.”

13. (a) Tot welke tauïstische levensbeschouwing hebben de verdere filosofische commentaren van Tsjwang-tse geleid? (b) Welke droom van Tsjwang-tse wordt het best onthouden?

13 Vanwege deze filosofie van daadloosheid komt de tauïstische zienswijze hierop neer dat het geen zin heeft dat iemand iets doet om te belemmeren wat de natuur in beweging heeft gezet. Vroeg of laat zal alles weer in zijn tegengestelde overgaan. Hoe ondraaglijk een situatie ook is, ze zal spoedig beter worden. Hoe aangenaam een situatie ook is, ze zal spoedig voorbijgaan. (Vergelijk Prediker 5:18, 19.) Deze filosofische levensbeschouwing wordt getypeerd in een droom die Tsjwang-tse had en die hem het best in de herinnering van het gewone volk doet voortleven:

„Eens droomde Tsjwang Tsjow dat hij een vlinder was, een vlinder die heerlijk rondfladderde, gelukkig was met zichzelf en deed waar hij zin in had. Hij wist niet dat hij Tsjwang Tsjow was. Plotseling ontwaakte hij en ziedaar: een stevige en echt niet vlinderlichte, onmiskenbare Tsjwang Tsjow. Maar hij wist niet of hij Tsjwang Tsjow was die had gedroomd dat hij een vlinder was, of een vlinder die droomde dat hij Tsjwang Tsjow was.”

14. Waarin wordt de tauïstische invloed weerspiegeld?

14 De invloed van deze filosofie weerspiegelt zich in de stijl van de dichtkunst en de schilderkunst die door Chinese kunstenaars uit latere generaties ontwikkeld werd. (Zie blz. 171.) Maar het tauïsme zou niet lang een passieve filosofie blijven.

Van filosofie tot religie

15. (a) Welke opvatting gingen de tauïsten huldigen doordat zij zo gefascineerd waren door de natuur? (b) Welke verklaringen in Tau-te-tjing droegen tot zulk een opvatting bij?

15 Doordat de tauïsten één trachtten te zijn met de natuur, raakten zij geobsedeerd door haar tijdloosheid en herstellingsvermogen. Volgens hun speculaties kon men door in harmonie met Tau, of de weg der natuur, te leven, misschien op een of andere wijze tot de geheimen der natuur doordringen en immuun worden voor lichamelijk letsel, ziekten en zelfs de dood. Hoewel Lau-tse er geen punt van maakte, scheen dit denkbeeld in sommige passages van Tau-te-tjing geopperd te worden. In hoofdstuk 16 staat bijvoorbeeld: „In eenheid te zijn met het Tau, is eeuwig. En hoewel het lichaam sterft, zal het Tau nooit verdwijnen.” *

16. Hoe droegen de geschriften van Tsjwang-tse bij tot de tauïstische opvattingen omtrent magische krachten?

16 Tsjwang-tse droeg ook tot zulke speculaties bij. In een dialoog in Tsjwang-tse vroeg één mythische figuur bijvoorbeeld aan een ander: „Gij hebt een hoge leeftijd, en toch hebt gij de gelaatskleur van een kind. Hoe komt dat?” De laatste antwoordde: „Ik heb Tau geleerd.” Over een andere tauïstische filosoof schreef Tsjwang-tse: „Lie-tse nu kon vrij zweven op de wind. Zalig voortglijdend in de koele bries bleef hij soms wel vijftien dagen voortzweven voordat hij terugkeerde. Onder stervelingen die geluk verwerven, is zo iemand zeldzaam.”

17. Welke tauïstische praktijken waren het resultaat van vroegere speculaties, en waartoe leidde dit? (Vergelijk Romeinen 6:23; 8:6, 13.)

17 Dergelijke verhalen spraken sterk tot de verbeelding van tauïsten, en zij begonnen te experimenteren met meditatie, onthouding van bepaald voedsel en ademgymnastiek, waardoor naar verondersteld werd het verval van het lichaam en de dood vertraagd konden worden. Weldra kwamen er legenden in omloop over onsterfelijken die op wolken konden vliegen en naar believen konden verschijnen en verdwijnen en die talloze jaren op heilige bergen of verafgelegen eilanden woonden, in het leven gehouden door de dauw of magische vruchten. De Chinese geschiedenis bericht dat de Tj’in-keizer, Sje Hwang-ti, in 219 v.G.T. een vloot van schepen met 3000 jongens en meisjes aan boord uitzond om het legendarische eiland P’eng-lai, de woonplaats van de onsterfelijken, te zoeken teneinde het onsterfelijkheidskruid mee terug te nemen. Het behoeft geen betoog dat zij zonder het elixer terugkeerden, maar de overlevering wil dat zij de eilanden bevolkten die als Japan bekend kwamen te staan.

18. (a) Welke tauïstische opvatting steekt achter de ’onsterfelijkheidspillen’? (b) Welke andere magische praktijken werden door het tauïsme ontwikkeld?

18 Tijdens de Han-dynastie (206 v.G.T.–220 G.T.) bereikten de magische praktijken van het tauïsme een nieuw hoogtepunt. Naar verluidt voelde keizer Woe-ti, hoewel hij het confucianisme als de officiële staatsleer propageerde, zich erg aangetrokken tot de tauïstische opvatting van fysieke onsterfelijkheid. Hij liet zich vooral in beslag nemen door het zoeken naar een formule voor het bereiden van ’onsterfelijkheidspillen’ met behulp van de alchemie. Volgens de tauïstische zienswijze ontstaat leven wanneer de tegengestelde krachten jin en jang (het vrouwelijke en het mannelijke element) zich verenigen. Derhalve imiteerden de alchemisten het natuurproces door lood (donker, of jin) samen te smelten met kwik (licht, of jang), en het produkt, zo dachten zij, zou een onsterfelijkheidspil zijn. Tauïsten ontwikkelden ook allerlei met yoga te vergelijken oefeningen, adembeheersingstechnieken, voedselrestricties en seksuele praktijken, waardoor naar men geloofde iemands levenskracht werd versterkt en zijn leven werd verlengd. Tot hun uitrusting behoorden magische talismans die iemand volgens zeggen onzichtbaar en onkwetsbaar voor wapens maakten of in staat stelden op water te lopen of door de ruimte te vliegen. Zij lieten ook magische zegels, waarop gewoonlijk het jin-jang-symbool stond, op gebouwen en boven deuropeningen aanbrengen om boze geesten en wilde dieren af te weren.

19. Hoe ontwikkelde het tauïsme zich tot een organisatie?

19 Tegen de tweede eeuw G.T. ontwikkelde het tauïsme zich tot een organisatie. Een zekere Tsjang-ling of Tsjang Tau-ling richtte in West-China een tauïstisch geheim genootschap op en beoefende magische geneeskunst en alchemie. Tsjang, die beweerde dat hij een persoonlijke openbaring van Lau-tse had ontvangen, werd de eerste „meester des hemels”. Ten slotte, zo werd beweerd, is hij erin geslaagd het levenselixer te maken en is hij levend ten hemel gevaren, rijdend op een tijger afkomstig van de berg Loeng-hoe (Draak-Tijgergebergte) in de provincie Tjiangsi. Met Tsjang Tau-ling begon een eeuwenlange erfopvolging van tauïstische „meesters des hemels”, die naar verluidt allen een reïncarnatie van Tsjang waren.

Het hoofd bieden aan de uitdaging van het boeddhisme

20. Hoe trachtte het tauïsme een tegenwicht te vormen tegen de invloed van het boeddhisme?

20 Tegen de zevende eeuw, tijdens de T’ang-dynastie (618–907 G.T.), drong het boeddhisme het Chinese religieuze leven binnen. Als tegenmaatregel propageerde het tauïsme zichzelf als een religie van Chinese oorsprong. Lau-tse werd vergoddelijkt en tauïstische geschriften werden heilig verklaard. Er werden tempels en kloosters gebouwd en monniken- en nonnenorden gesticht, min of meer in de trant van het boeddhisme. Bovendien nam het tauïsme in zijn eigen pantheon ook veel van de goden, godinnen, feeën en onsterfelijken uit de Chinese folklore op, zoals de Acht Onsterfelijken (Pa-sjièn), de god van de huiselijke haard (Tsau-tsjiun), dorpsgoden (Tsj’eng-wang) en deurgoden (Men-tsjiun). Het resultaat was een mengelmoes die elementen bevatte van het boeddhisme, traditioneel bijgeloof, spiritisme en voorouderverering. — 1 Korinthiërs 8:5.

21. Welke gedaante nam het tauïsme uiteindelijk aan, en hoe ging dit in zijn werk?

21 Met het voortschrijden van de tijd ontaardde het tauïsme langzamerhand in een stelsel van afgoderij en bijgeloof. Elkeen aanbad eenvoudig zijn favoriete goden en godinnen in de plaatselijke tempels en smeekte hun om bescherming tegen kwaad en om hulp bij het verwerven van aardse rijkdom. De priesters konden gehuurd worden om begrafenissen te leiden, geschikte plaatsen uit te zoeken voor graven, huizen en het opzetten van een zaak, met de doden in contact te treden, boze geesten en spoken af te weren, feesten te leiden en diverse andere riten te verrichten. Aldus nam datgene wat begonnen was als een mystieke filosofische school de gedaante aan van een religie die diep weggezonken was in geloof in onsterfelijke geesten, hellevuur en halfgoden — opvattingen die waren ontleend aan de stilstaande wateren van valse geloofsovertuigingen uit het oude Babylon.

China’s andere vooraanstaande wijsgeer

22. Welke school ging een overheersende plaats innemen in China, en welke vragen moeten wij beschouwen?

22 Terwijl wij de opkomst, de ontwikkeling en het verval van het tauïsme zijn nagegaan, moeten wij bedenken dat het slechts één van de „honderd scholen” was die gedurende de periode van de Strijdende Staten een bloeiperiode doormaakten in China. Een andere school die uiteindelijk een vooraanstaande, ja zelfs overheersende plaats ging innemen, was het confucianisme. Maar waarom verwierf het confucianisme die vooraanstaande plaats? Van alle Chinese wijsgeren is Confucius buiten China ongetwijfeld de bekendste, maar wie was hij feitelijk? En wat leerde hij?

23. Welke persoonlijke details omtrent Confucius worden in de „Historische optekeningen” vermeld?

23 Met betrekking tot Confucius wenden wij ons wederom tot de Sje-tji (Historische optekeningen) van Se-ma Tj’ièn. In tegenstelling tot de beknopte beschrijving van Lau-tse vinden wij een uitgebreide biografie van Confucius. Hier volgen enkele persoonlijke details geciteerd uit een vertaling van de Chinese geleerde Lin Ju-t’ang:

„Confucius werd geboren in de stad Tsj’oe, in het gewest Tsj’ang-ping, in de staat Loe. . . . [Zijn moeder] bad bij de heuvel Ni-tsj’ioe, en in antwoord op haar gebed werd zij in het tweeëntwintigste jaar van hertog Sjang van Loe (551 v.Chr.) zwanger van Confucius. Bij zijn geboorte vertoonde hij een opmerkelijke plooiing aan zijn hoofd, en daarom werd hij ’Tsj’ioe’ (wat „heuvel” betekent) genoemd. Zijn literaire naam was Tsjoeng-ni, en zijn bijnaam was K’oeng.” *

24. Wat gebeurde er in de vroege levensjaren van Confucius?

24 Kort na zijn geboorte stierf zijn vader, maar hoewel zijn moeder arm was, slaagde zij er toch in hem een goede opvoeding te geven. De jongen ontwikkelde een levendige belangstelling voor geschiedenis, dichtkunst en muziek. Volgens De gesprekken, een van de Vier boeken van het confucianisme, ging hij zich aan een wetenschappelijke studie wijden toen hij de leeftijd van 15 jaar had bereikt. Op 17-jarige leeftijd kreeg hij een ondergeschikte staatsfunctie in zijn geboortestaat Loe.

25. Welke uitwerking had de dood van Confucius’ moeder op hem? (Vergelijk Prediker 9:5, 6; Johannes 11:33, 35.)

25 Zijn financiële status verbeterde klaarblijkelijk, zodat hij op 19-jarige leeftijd trouwde en het jaar daarop een zoon kreeg. Toen hij 25 jaar was, stierf zijn moeder echter. Dat had kennelijk een vrij grote invloed op hem. Aangezien Confucius zich nauwgezet aan oude tradities hield, trok hij zich uit het openbare leven terug en rouwde 27 maanden bij zijn moeders graf, waarmee hij de Chinezen een klassiek voorbeeld van respect voor de ouders gaf.

Confucius de leraar

26. Welk beroep nam Confucius na de dood van zijn moeder op?

26 Daarna verliet hij zijn gezin en werd een rondtrekkend leraar. De onderwerpen die hij onderwees, waren onder meer muziek, dichtkunst, letterkunde, burgerplichten, ethiek en wetenschap, althans wat er destijds op dit gebied bestond. Hij moet zich wel een behoorlijke naam hebben gemaakt, want naar verluidt had hij op een bepaald tijdstip niet minder dan 3000 leerlingen.

27. Wat is over Confucius als leraar bekend? (Vergelijk Matthéüs 6:26, 28; 9:16, 17; Lukas 12:54-57; Johannes 4:35-38.)

27 In de Oriënt wordt Confucius voornamelijk als een meester-leraar vereerd. In feite wordt hij in het opschrift op zijn graf in Ch’oe Foe (provincie Sjan-toeng) eenvoudig „Oude, zeer heilige leraar” genoemd. Eén westerse auteur beschrijft zijn onderwijsmethode als volgt: „Hij trok van ’plaats tot plaats, vergezeld van degenen die zijn levensbeschouwingen in zich opnamen’. Wanneer de reis ver was, reed hij in een ossewagen. De langzame gang van het dier stelde zijn leerlingen in staat hem te voet te volgen, en klaarblijkelijk werd het onderwerp van zijn lezingen vaak ingegeven door gebeurtenissen die zich onderweg voordeden.” Het is interessant dat Jezus op een later tijdstip, en onafhankelijk van hem, een soortgelijke methode volgde.

28. Wat maakte Confucius volgens de Chinese schrijver Lin Ju-t’ang tot een vereerd leraar?

28 Wat Confucius onder de oosterlingen tot een vereerd leraar maakte, was ongetwijfeld het feit dat hij zelf een goede student was, vooral van geschiedenis en ethiek. „Mensen voelden zich niet zozeer tot Confucius aangetrokken omdat hij de wijste man uit zijn tijd was, maar veeleer omdat hij de meest geschoolde geleerde was, de enige in zijn tijd die hen kon onderwijzen omtrent de oude boeken en de oude wetenschap”, schreef Lin Ju-t’ang. De aandacht vestigend op deze liefde voor scholing als misschien de belangrijkste reden waarom het confucianisme de overhand kreeg op andere denkrichtingen, vatte Lin de kwestie als volgt samen: „De leraren van het confucianisme hadden iets concreets te onderwijzen en hun leerlingen hadden iets concreets te leren, namelijk in het verleden opgedane kennis, terwijl de andere scholen alleen maar hun eigen opinies konden verkondigen.”

De Hemel kent mij!”

29. (a) Wat was Confucius’ werkelijke streven in het leven? (b) Hoe trachtte hij zijn streven te verwezenlijken, en met welk resultaat?

29 Ondanks zijn succes als leraar beschouwde Confucius het geven van onderricht niet als zijn levenswerk. Hij was van mening dat zijn ideeën over ethiek en moraal de gekwelde wereld van zijn tijd konden redden als de vorsten ze maar zouden toepassen door hem of zijn leerlingen regeringsambten te geven. Hiertoe verlieten hij en een kleine groep van zijn naaste discipelen zijn geboortestaat Loe en reisden van staat tot staat op zoek naar de wijze vorst die zijn ideeën omtrent regering en sociale orde wilde aanvaarden. Wat was het resultaat? Sje-tji vermeldt: „Ten slotte verliet hij Loe, werd verzaakt in Tj’i, werd verdreven uit Soeng en Wéi en leed gebrek onderweg van Tsjeng naar Tsjau.” Na veertien jaar gereisd te hebben, keerde hij terug naar Loe, teleurgesteld maar niet gebroken.

30. Welke literaire werken vormen de grondslag van het confucianisme?

30 Gedurende zijn resterende levensdagen wijdde hij zich aan de letterkunde en het geven van onderricht. (Zie kader op blz. 177.) Ofschoon hij het ongetwijfeld betreurde dat hij op de achtergrond moest blijven, zei hij: „Ik murmureer niet tegen de Hemel. Ik mopper niet tegen de mens. Ik zet mijn studies hier op aarde voort, en ik sta in contact met de Hemel boven. De Hemel kent mij!” Ten slotte stierf hij in 479 v.G.T. op 73-jarige leeftijd.

De essentie van de confucianistische ideeën

31. Hoe kon er, zoals Confucius leerde, sociale orde bereikt worden?

31 Hoewel Confucius uitmuntte als geleerde en als leraar, was zijn invloed geenszins tot kringen van geleerden beperkt. In feite had Confucius zich niet alleen ten doel gesteld onderricht te geven in gedragsregels en ethiek, maar ook de vrede en de orde te herstellen in de maatschappij, die destijds verscheurd was door de voortdurende strijd tussen de leenheren. Om dat doel te bereiken, onderwees Confucius dat iedereen, van de keizer tot het gewone volk, moest leren welke plaats hij in de maatschappij behoorde in te nemen en dienovereenkomstig moest leven.

32, 33. (a) Wat was de confucianistische opvatting omtrent li? (b) Wat zou volgens Confucius het resultaat zijn van de beoefening van li?

32 In het confucianisme staat deze opvatting bekend als li, wat fatsoen, wellevendheid, de orde der dingen en, bij uitbreiding, riten, etiquette en eerbied betekent. In antwoord op de vraag „Wat is deze grote li?”, gaf Confucius de volgende verklaring:

„Van alle dingen waardoor de mensen zich in hun leven laten leiden, is li het grootst. Zonder li weten wij niet hoe wij de geesten van het heelal op juiste wijze moeten vereren; of hoe wij de juiste status van de koning en de ministers, de vorsten en hun onderdanen, en de ouderen en de jongeren moeten vaststellen; of hoe wij de morele verhoudingen tussen de seksen, tussen ouders en kinderen en tussen broers moeten vaststellen; of hoe wij de verschillende graden van familieverwantschap moeten onderscheiden. Daarom heeft een edelman zo’n hoge achting voor li.”

33 Derhalve is li de gedragslijn waardoor een ware edelman (tsjuun-tse, soms vertaald met „nobele mens”) zich in al zijn sociale betrekkingen laat leiden. Wanneer iedereen dit probeert te doen, „komt alles in het gezin, de staat en de wereld goed”, zei Confucius, en dan wordt Tau, of de weg des hemels, gedaan. Maar hoe moet li tot uitdrukking worden gebracht? Dat brengt ons bij nog een van de centrale opvattingen van het confucianisme — jen (of ren), medemenselijkheid of welwillendheid.

34. Wat is de confucianistische opvatting omtrent jen, en hoe worden maatschappelijke euvelen erdoor verholpen?

34 Hoewel li de nadruk legt op beteugeling door uitwendige regels, houdt jen zich bezig met de menselijke natuur of de innerlijke persoon. De confucianistische opvatting, vooral zoals die door Confucius’ voornaamste discipel Mencius tot uitdrukking is gebracht, is dat de mens van nature goed is. Derhalve is de oplossing voor alle maatschappelijke euvelen gelegen in het cultiveren van een innerlijk adeldom, en dat begint met onderwijs en kennis. Het eerste hoofdstuk van De grote lering zegt:

„Wanneer men tot de ware kennis komt, wordt de wil oprecht; wanneer de wil oprecht is, wordt het hart rechtgemaakt . . .; wanneer het hart rechtgemaakt is, brengt men adeldom in zijn persoonlijke leven; wanneer men adeldom in zijn persoonlijke leven gebracht heeft, wordt het gezinsleven geregeld; wanneer het gezinsleven geregeld is, wordt het leven van de natie ordelijk; en wanneer het leven van de natie ordelijk is, dan is er vrede in deze wereld. Van de keizer tot het gewone volk moeten allen het brengen van adeldom in hun persoonlijke leven als de basis of grondslag beschouwen.”

35. (a) Hoe kunnen de principes van li en jen samengevat worden? (b) Hoe wordt dit alles weerspiegeld in de Chinese levensbeschouwing?

35 Zo zien wij dat volgens Confucius de beoefening van li mensen in staat zal stellen zich in elke situatie juist te gedragen, en het aankweken van jen zal hen ertoe brengen ieder ander vriendelijk te bejegenen. Het resultaat hiervan is, theoretisch gesproken, vrede en harmonie in de maatschappij. Het confucianistische ideaal, gebaseerd op de principes van li en jen, kan als volgt worden samengevat:

„Vriendelijkheid in de vader, respect voor de ouders in

de zoon

Welgemanierdheid in de oudste broer, nederigheid en

respect in de jongere

Rechtvaardig gedrag in de man, gehoorzaamheid in de

vrouw

Menslievende consideratie in de ouderen, eerbied in de

jongeren

Welwillendheid in vorsten, loyaliteit in ministers en

onderdanen.”

Dit alles helpt verklaren waarom de meeste Chinezen, en ook andere oosterlingen, zoveel nadruk leggen op gezinsbanden, op ijverig zijn, op onderwijs en op het kennen van ieders juiste plaats, waarnaar men dan ook dient te handelen. Hetzij ten goede of ten kwade, deze confucianistische opvattingen zijn door eeuwenlange inprenting diep in het Chinese bewustzijn verankerd.

Het confucianisme werd een staatsleer

36. Hoe werd het confucianisme tot staatsleer verheven?

36 Met de opkomst van het confucianisme kwam de periode van de „honderd scholen” tot een einde. Keizers van de Han-dynastie vonden in de confucianistische leer van loyaliteit aan de vorst precies de formule die zij nodig hadden om de macht van de troon te consolideren. Onder keizer Woe-ti, van wie wij reeds gewag hebben gemaakt in verband met het tauïsme, werd het confucianisme tot staatsleer verheven. Alleen degenen die goed vertrouwd waren met de confucianistische klassieken, werden als staatsambtenaren uitgekozen, en een ieder die hoopte in dienst van de regering te treden, moest eerst slagen voor landelijke examens die gebaseerd waren op de confucianistische klassieken. Confucianistische riten en ceremoniën werden de religie van het koninklijk huis.

37. (a) Hoe werd het confucianisme een religie? (b) Waarom is het confucianisme in werkelijkheid meer dan slechts een filosofie?

37 Deze keer in de gebeurtenissen droeg er veel toe bij de positie van Confucius in de Chinese samenleving te versterken. De Han-keizers maakten een begin met de traditie om offers te brengen bij het graf van Confucius. Er werden hem eretitels verleend. Vervolgens gelastte de T’ang-keizer T’ai-tsoeng in 630 G.T. dat er in elke provincie en elk gewest in het hele rijk een staatstempel voor Confucius moest worden opgericht en dat er geregeld offers moesten worden gebracht. Feitelijk werd Confucius tot de status van een god verheven, en het confucianisme werd een religie die nauwelijks van het tauïsme of boeddhisme te onderscheiden was. — Zie kader op blz. 175.

De erfenis van de wijsheid van het Oosten

38. (a) Wat is er sinds 1911 met het tauïsme en het confucianisme gebeurd? (b) Maar wat is nog steeds waar met betrekking tot de basisopvattingen van deze religies?

38 Sedert het einde van de dynastieke heerschappij in China in 1911 zijn het confucianisme en het tauïsme aan veel kritiek bloot komen te staan, ja zelfs aan vervolging. Het tauïsme geraakte in diskrediet wegens zijn magische en bijgelovige praktijken. En het confucianisme is gekwalificeerd als feodaal, een slavenmentaliteit bevorderend met het doel mensen, vooral vrouwen, in onderworpenheid te houden. Ondanks zulke officiële veroordelingen zijn de basisopvattingen van deze religies echter zo diep verankerd in het Chinese denken dat velen onder het Chinese volk zich nog steeds krachtig in de greep ervan bevinden.

39. Wat zegt één krant over bijgelovige religieuze praktijken in China?

39 Onder de kop „Chinese religieuze riten zeldzaam in Beijing maar florerend in de kuststreken”, berichtte het Canadese nieuwsblad Globe and Mail in 1987 bijvoorbeeld dat er na bijna veertig jaar atheïstische heerschappij in China, op het platteland nog steeds begrafenisriten, tempeldiensten en vele bijgelovige gebruiken in zwang zijn. „De meeste dorpen hebben een fengsjwei-meester, gewoonlijk een oudere inwoner die weet hoe hij de krachten van de wind (feng) en het water (sjwei) moet lezen om voor alles, van het voorouderlijk graf en een nieuw huis tot het meubilair van de woonkamer toe, de meest geschikte plaats te bepalen”, aldus het kranteverslag.

40. Welke religieuze praktijken treft men op Taiwan aan?

40 Elders vindt men het tauïsme en het confucianisme overal waar de traditionele Chinese cultuur is blijven bestaan. Op Taiwan oefent iemand die een nakomeling van Tsjang Tau-ling beweert te zijn, gezag uit als „meester des hemels” die de macht bezit tauïstische priesters (Tau-sji) te ordineren. De populaire godin Matsoe, aangeduid als de „Heilige Moeder in de hemel”, wordt aanbeden als de beschermheilige van het eiland en van zeelieden en vissers. Wat het gewone volk betreft, dat houdt zich voornamelijk bezig met het brengen van offergaven en slachtoffers aan de geesten van de rivieren, de bergen en de sterren en aan de beschermgoden van alle ambachten en de goden van gezondheid, geluk en rijkdom. *

41. Hoe wordt het confucianisme als religie tegenwoordig beoefend?

41 Hoe staat het met het confucianisme? Zijn rol als religie is gereduceerd tot de status van een nationaal monument. In China houdt de Staat te Ch’oe Foe, de geboorteplaats van Confucius, de tempel van Confucius en familiedomeinen in stand als toeristische attracties. Volgens het tijdschrift China Reconstructs worden daar voorstellingen gegeven waarin „een ritueel van aanbidding voor Confucius opnieuw wordt opgevoerd”. En in Singapore, op Taiwan, in Hong Kong en andere plaatsen in Oost-Azië vieren mensen nog steeds Confucius’ verjaardag.

42. Hoe schieten het tauïsme en het confucianisme te kort als gids in de speurtocht naar de ware God?

42 In het confucianisme en het tauïsme zien wij hoe een op menselijke wijsheid en redenatie gebaseerd stelsel, hoe logisch en goed bedoeld ook, uiteindelijk te kort schiet als gids in de speurtocht naar de ware God. Waarom? Omdat het één essentieel element buiten beschouwing laat, namelijk de wil en de vereisten van een persoonlijke God. Het confucianisme keert zich tot de menselijke natuur als de motiverende kracht om het goede te doen, en het tauïsme keert zich tot de natuur zelf. Maar dit is een misplaatst vertrouwen omdat het er eenvoudig op neerkomt dat men het geschapene aanbidt in plaats van de Schepper. — Psalm 62:9; 146:3, 4; Jeremia 17:5.

43. Hoe hebben de religieuze tradities van de Chinezen hen over het algemeen gesproken belemmerd in de speurtocht naar de ware God?

43 De tradities van voorouderverering en afgodenaanbidding, eerbied voor een kosmische hemel en verering van geesten in de natuur, alsook de riten en ceremoniën die er verband mee houden, zijn echter zo diep verankerd in het Chinese denken dat ze als de impliciete waarheid worden aanvaard. Vaak is het heel moeilijk om aan een Chinees duidelijk te maken dat God of de Schepper een persoon is, omdat het denkbeeld hem vreemd is. — Romeinen 1:20-25.

44. (a) Hoe reageren nadenkende mensen op de wonderen van de weg der natuur? (b) Waartoe worden wij aangemoedigd?

44 Het valt niet te ontkennen dat de natuur een aaneenschakeling van grote wonderen is en van oneindige wijsheid getuigt, en dat wij mensen toegerust zijn met de wonderbaarlijke gave van het verstand en het geweten. Maar zoals in het hoofdstuk over het boeddhisme is uiteengezet, zijn nadenkende mensen door de wonderen die zij in de wereld om hen heen zien, tot de slotsom gekomen dat er een Ontwerper of Schepper moet zijn. (Zie blz. 151, 152.) Is het op grond daarvan dan niet logisch dat wij moeten proberen de Schepper te zoeken? In feite nodigt de Schepper ons hiertoe uit: „Heft uw ogen naar omhoog en ziet. Wie heeft deze dingen geschapen? Het is Degene die het heerleger daarvan zelfs naar het getal uitleidt, ze alle zelfs bij name roept” (Jesaja 40:26). Wanneer wij dit doen, zullen wij niet alleen te weten komen wie de Schepper is, namelijk Jehovah God, maar ook wat hij in de toekomst voor ons in petto heeft.

45. Welke andere oosterse religie zullen wij nu beschouwen?

45 Behalve het boeddhisme, het confucianisme en het tauïsme, die een belangrijke rol hebben gespeeld in het religieuze leven van de mensen in de Oriënt, is er nog een andere religie, een die uniek is voor het Japanse volk — het sjintô. Hoe verschilt die religie van de andere? Wat is haar oorsprong? Zijn mensen erdoor tot de ware God geleid? Dit zullen wij in het volgende hoofdstuk beschouwen.

[Voetnoten]

^ ¶15 Lin Ju-t’angs vertaling van deze passage luidt: „Is men in overeenstemming met Tau, dan is men eeuwig, en zijn hele leven wordt voor letsel behoed.”

^ ¶23 Het woord „Confucius” is een Latijnse translitteratie van het Chinese K’oeng Foe-tse, dat „Meester K’oeng” betekent. Jezuïetenpriesters die in de zestiende eeuw naar China kwamen, bedachten de verlatijnste vorm toen zij de paus van Rome de aanbeveling deden Confucius in de lijst der heiligen van de Rooms-Katholieke Kerk op te nemen.

^ ¶40 Eén tauïstische groep op Taiwan, T’ièn Tau (de weg des hemels) genaamd, beweert een samensmelting te zijn van vijf wereldreligies — het tauïsme, het confucianisme, het boeddhisme, het christendom en de islam.

[Studievragen]

[Kader op blz. 162]

De uitspraak van Chinese woorden

Om in overeenstemming te zijn met de meeste wetenschappelijke werken wordt in dit boek voor Chinese woorden het transcriptiesysteem van Duyvendak-Hulsewé gebruikt. Hieronder volgt de overeenkomende Nederlandse uitspraak:

tj dj, zoals in Tau-te-tjing (djing)

tj’ tsj, zoals in Tj’in-dynastie (tsjin)

k g, als in het Franse garçon, zoals in Kwan-jin

(guan-jin), een boeddhistische godin

k’ k, zoals in K’oeng Foe-tse (koeng-foe-tse), ofte wel

Confucius

t d, zoals in Tau (dau), de Weg

t’ t, zoals in T’ang-dynastie (tang)

[Kader op blz. 175]

Confucianisme — Filosofie of religie?

Omdat Confucius zich weinig uitliet over God, bezien velen het confucianisme als louter een filosofie en niet als een religie. Toch blijkt uit wat hij zei en deed, dat hij religieus was. Dit valt in tweeërlei opzicht waar te nemen. Ten eerste had hij een eerbiedige vrees voor een hoogste kosmische geestelijke macht, door de Chinezen T’ièn, of de Hemel, genoemd, die hij als de bron van alle deugd en morele goedheid beschouwde en wiens wil, zo meende hij, alle dingen bestuurde. Ten tweede legde hij veel nadruk op de nauwgezette naleving van de riten en ceremoniën in verband met de aanbidding van de hemel en de geesten van overleden voorouders.

Hoewel Confucius deze zienswijzen nooit als een vorm van religie heeft gepropageerd, zijn ze voor generaties van Chinezen zo’n beetje de essentie van religie geworden.

[Kader/Illustraties op blz. 177]

De confucianistische Vier boeken en Vijf klassieken

De Vier boeken

1. De grote lering (Ta-sjwé), de basis voor de opvoeding van een edelman, het eerste lesboek voor schooljongens in Oud-China

2. De leer van het midden (Tsjoeng-joeng), een verhandeling over de ontwikkeling van de menselijke natuur door matiging

3. De gesprekken (Loen-ju), een verzameling uitspraken van Confucius, beschouwd als de voornaamste bron van het confucianistische denken

4. Het boek van Mencius (Meng-tse), geschriften en uitspraken van Confucius’ belangrijkste discipel, Meng-tse of Mencius

De Vijf klassieken

1. Het boek der oden (Sje-tjing), 305 gedichten die een beeld geven van het dagelijks leven in de vroege Tsjow-tijd (1000–600 v.G.T.)

2. Het boek der oorkonden (Sjoe-tjing), bevat vier boeken over de Chinese geschiedenis, van de periode van Yu tot de Zhou-dynastie

3. Het boek der veranderingen (I-tjing), een wichelboek, gebaseerd op interpretaties van de 64 mogelijke combinaties van zes hele of gebroken lijnen

4. Het boek der riten (Li-tsji), een verzameling richtlijnen over ceremoniën en riten

5. De lente- en herfstannalen (Tsj’oen-tsj’ioe), een kroniek van Confucius’ geboortestaat Loe over de periode van 722–481 v.G.T.

[Illustraties]

Vijf klassieken (boven) en een gedeelte (links) van De grote lering (een van de Vier boeken), aangehaald op blz. 181

[Illustratie op blz. 163]

Tau, ’de weg die men dient te gaan’

[Illustratie op blz. 165]

Lau-tse, filosoof van het tauïsme, rijdt op een waterbuffel

[Illustratie op blz. 166]

Tauïstische tempel voor Matsoe, „Heilige Moeder in de hemel”, op Taiwan

[Illustratie op blz. 171]

In nevelen gehulde bergen, stille wateren, wuivende bomen en geleerden in ruste — geliefde thema’s in de Chinese landschapschilderkunst — weerspiegelen het tauïstische ideaal: in harmonie met de natuur leven

[Illustraties op blz. 173]

Oude tauïstische sculptuur van de god van het Lange Leven met de Acht Onsterfelijken.

Rechts: tauïstische priester in vol ornaat bij een begrafenisdienst

[Illustratie op blz. 179]

Confucius, China’s belangrijkste wijsgeer, wordt vereerd als een leraar van moraal en ethiek

[Illustratie op blz. 181]

Vieringen, met muziek, te Sung Kyun Kwan, een 14de-eeuws confucianistisch onderwijscentrum in Seoel (Korea), houden confucianistische riten in stand

[Illustraties op blz. 182]

De doorsnee-Chinees, of hij nu boeddhist, tauïst of confucianist is, bewijst thuis eer aan voorouders, aanbidt de god van Rijkdom en offert op feestdagen in tempels