Volgens Markus 10:1-52

10  Hij ging daar weg en kwam in het grensgebied* van Judea aan de overkant van de Jordaan. Opnieuw verzamelden zich grote groepen mensen bij hem en zoals gewoonlijk ging hij hen onderwijzen.+  Er kwamen ook farizeeën naar hem toe om hem op de proef te stellen. Ze vroegen of het een man was toegestaan zich van zijn vrouw te laten scheiden.+  Hij antwoordde: ‘Wat heeft Mozes jullie geboden?’  Ze zeiden: ‘Mozes heeft toegestaan een echtscheidingsakte te schrijven en haar weg te sturen.’+  Maar Jezus zei: ‘Dat gebod heeft hij voor jullie opgeschreven omdat jullie hart zo ongevoelig is.+  Maar bij het begin van de schepping “maakte Hij hen als man en als vrouw.+  Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten,+  en de twee zullen één vlees worden.”+ Ze zijn dan niet langer twee, maar één vlees.  Wat God heeft verbonden,* mag geen mens scheiden.’+ 10  Toen ze weer in het huis waren, stelden de discipelen hem hier vragen over. 11  Hij zei tegen ze: ‘Wie zich van zijn vrouw laat scheiden en met een ander trouwt, pleegt overspel+ tegenover haar. 12  En als een vrouw die zich van haar man heeft laten scheiden ooit met een ander trouwt, pleegt ze overspel.’+ 13  De mensen kwamen kinderen bij hem brengen zodat hij ze zou aanraken, maar de discipelen wezen hen terecht.+ 14  Jezus zag dat en werd verontwaardigd. Hij zei: ‘Laat de kinderen bij me komen. Probeer ze niet tegen te houden, want Gods Koninkrijk is voor mensen die zijn zoals zij.+ 15  Ik verzeker jullie: wie Gods Koninkrijk niet aanvaardt als een kind, zal het zeker niet binnengaan.’+ 16  Hij sloeg zijn armen om de kinderen heen en zegende ze terwijl hij zijn handen op ze legde.+ 17  Toen hij verderging, kwam er een man naar hem toe rennen die voor hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?’*+ 18  Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noem je mij goed? Niemand is goed, behalve één, God.+ 19  Je kent de geboden: “Moord niet,+ pleeg geen overspel,+ steel niet,+ leg geen vals getuigenis af,+ bedrieg niemand,+ eer* je vader en je moeder.”’+ 20  De man zei: ‘Meester, van jongs af aan heb ik me aan al die dingen gehouden.’ 21  Jezus keek hem aan en voelde liefde voor hem. Hij zei: ‘Er is nog één ding dat je moet doen: verkoop wat je hebt en geef het aan de armen. Dan zul je een schat in de hemel hebben. Kom, wees mijn volgeling.’+ 22  Toen hij dat hoorde, werd hij verdrietig en ging hij bedroefd weg, want hij had veel bezittingen. 23  Jezus keek om zich heen en zei tegen zijn discipelen: ‘Wat zal het voor mensen die geld hebben moeilijk zijn om het Koninkrijk van God binnen te gaan!’+ 24  Maar de discipelen waren verbaasd over zijn woorden. Daarom zei Jezus: ‘Kinderen, wat is het toch moeilijk om het Koninkrijk van God binnen te gaan! 25  Het is voor een kameel makkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het Koninkrijk van God binnen te gaan.’+ 26  Dat verbaasde hen nog meer en ze zeiden tegen hem: ‘Wie kan er dan eigenlijk worden gered?’+ 27  Jezus keek ze aan en zei: ‘Bij mensen is het onmogelijk maar niet bij God, want bij God is alles mogelijk.’+ 28  Petrus zei toen tegen hem: ‘Maar wij hebben alles achtergelaten en zijn je gevolgd!’+ 29  Jezus zei: ‘Ik verzeker jullie: er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of akkers voor mij en voor het goede nieuws heeft verlaten,+ 30  die niet nu, in deze tijd,* 100 keer meer zal krijgen — huizen, broers, zussen, moeders, kinderen en akkers, mét vervolging+ — en in het toekomstige tijdperk eeuwig leven. 31  Maar velen van de eersten zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten.’+ 32  Terwijl ze onderweg waren naar Jeruzalem, ging Jezus voor ze uit. De discipelen waren verbaasd, maar de mensen die hen volgden, werden ongerust. Opnieuw nam hij de twaalf apart en begon hun te vertellen wat hem allemaal zou overkomen:+ 33  ‘Luister! We gaan naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden worden overgeleverd. Ze zullen hem ter dood veroordelen en aan heidenen overleveren. 34  Die zullen hem bespotten, bespugen,+ geselen en doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan.’+ 35  Jakobus en Johannes, de zonen van Zebede̱üs,+ kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Meester, we willen graag dat je voor ons doet wat we je vragen.’+ 36  Hij vroeg: ‘Wat willen jullie dat ik voor je doe?’ 37  Ze antwoordden: ‘Laat ons in je glorie* naast je zitten, de een aan je rechter- en de ander aan je linkerhand.’+ 38  Maar Jezus antwoordde: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik drink of gedoopt worden met de doop waarmee ik word gedoopt?’+ 39  Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’ Toen zei Jezus: ‘De beker die ik drink, zullen jullie drinken, en met de doop waarmee ik word gedoopt, zullen jullie worden gedoopt.+ 40  Maar wie er aan mijn rechter- en aan mijn linkerhand mogen zitten, dat bepaal ik niet. Die plaatsen zijn voor degenen voor wie ze zijn bestemd.’ 41  Toen de tien anderen dat hoorden, werden ze verontwaardigd op Jakobus en Johannes.+ 42  Jezus riep ze bij zich en zei: ‘Jullie weten dat degenen die als regeerders van de volken gezien* worden over hen heersen en dat hun leiders hun gezag laten gelden.+ 43  Dat mag bij jullie niet zo zijn. Als iemand onder jullie groot wil zijn, moet hij jullie dienen,+ 44  en als iemand onder jullie de eerste wil zijn, moet hij de slaaf zijn van allen. 45  Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen+ en zijn leven te geven als een losprijs in ruil voor velen.’+ 46  Vervolgens kwamen ze in Jericho. Maar toen hij met zijn discipelen en een grote menigte uit Jericho wegging, zat er een blinde bedelaar langs de weg. Het was Bartime̱üs (de zoon van Time̱üs).+ 47  Hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was en begon te roepen: ‘Zoon van David,+ Jezus, heb medelijden met mij!’*+ 48  Veel mensen snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden. Maar hij riep nog harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’* 49  Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde man en zeiden: ‘Houd moed! Sta op, hij roept je.’ 50  Hij gooide zijn bovenkleed af, sprong overeind en ging naar Jezus toe. 51  Jezus zei tegen hem: ‘Wat wil je dat ik voor je doe?’ De blinde man antwoordde: ‘Rabboni,+ laat me weer zien.’ 52  Toen zei Jezus: ‘Ga, je geloof heeft je beter gemaakt.’*+ Meteen kon de man weer zien,+ waarna hij hem ging volgen.

Voetnoten

Of ‘grenzen’, ‘gebieden’.
Of ‘onder één juk heeft samengebracht’.
Lett.: ‘erven’.
Of ‘toon respect voor’.
Of ‘in de huidige tijdsperiode’.
Of ‘heerlijkheid’.
Of ‘erkend’.
Of ‘wees mij barmhartig’.
Of ‘wees mij barmhartig’.
Of ‘gered’.

Aantekeningen

het grensgebied van Judea aan de overkant van de Jordaan: Blijkbaar wordt hiermee Perea bedoeld, een gebied ten O van de Jordaan, en vooral het gedeelte van Perea dat aan Judea grensde. Jezus verliet Galilea nu en kwam daar pas na zijn opstanding terug. (Zie App. A7, kaart 5.)

het grensgebied van Judea aan de overkant van de Jordaan: Blijkbaar wordt hiermee Perea bedoeld, een gebied ten O van de Jordaan, en vooral het gedeelte van Perea dat aan Judea grensde. (Zie aantekening bij Mt 19:1 en App. A7, kaart 5.)

echtscheidingsakte: Of ‘certificaat van wegzending’. Door van een man die wilde scheiden te verlangen dat hij een officieel document opstelde en waarschijnlijk ook dat hij de oudsten raadpleegde, gaf de wet hem de tijd om zo’n ernstige beslissing te heroverwegen. De wet was blijkbaar bedoeld om te voorkomen dat huwelijken te snel werden verbroken en om vrouwen een mate van wettelijke bescherming te bieden (De 24:1). Maar in Jezus’ tijd hadden religieuze leiders het heel makkelijk gemaakt om te scheiden. De eerste-eeuwse geschiedschrijver Josephus, zelf een gescheiden farizeeër, stelde dat echtscheiding ‘om welke reden dan ook — en dat kunnen er vele zijn bij de mensen —’ geoorloofd was. (Zie aantekening bij Mt 5:31.)

echtscheidingsakte: Zie aantekening bij Mt 19:7.

het begin van de schepping: Dit duidt blijkbaar op de schepping van de mens. Jezus beschrijft hier hoe de Schepper het huwelijk instelde tussen een man en een vrouw en zo de kern vormde van de menselijke samenleving.

Hij: Sommige oude manuscripten maken het onderwerp expliciet en zeggen ‘God’.

één vlees: Deze uitdrukking is een letterlijke weergave in het Grieks van de Hebreeuwse term in Ge 2:24 en kan ook vertaald worden met ‘één lichaam’ of ‘één persoon’. Het beschrijft de hechtste band die tussen twee mensen mogelijk is. Het duidt niet alleen op seksuele gemeenschap maar op de relatie als geheel, waardoor twee individuen trouwe en onafscheidelijke vrienden worden. Zo’n eenheid kan niet verbroken worden zonder dat de partners schade oplopen.

één vlees: Zie aantekening bij Mt 19:5.

seksuele immoraliteit: Het Griekse porneia is een algemene term voor elke vorm van seksuele gemeenschap die volgens de Bijbel ongeoorloofd is. Het omvat overspel, prostitutie, seks tussen ongetrouwde personen, homoseksualiteit en bestialiteit. (Zie Woordenlijst.)

zich van zijn vrouw laat scheiden: Of ‘zijn vrouw wegstuurt’. Jezus’ woorden in Markus moeten begrepen worden in het licht van zijn volledige uitspraak in Mt 19:9, waar ook de woorden ‘behalve op grond van seksuele immoraliteit’ worden vermeld. (Zie aantekening bij Mt 5:32.) Wat Markus schreef toen hij Jezus’ woorden over echtscheiding aanhaalde, is van toepassing als er voor de scheiding een andere grond is dan ‘seksuele immoraliteit’ (Grieks: porneia) door de ontrouwe huwelijkspartner.

pleegt overspel tegenover haar: Jezus verwerpt hiermee de gangbare rabbijnse opvatting dat mannen ‘om wat voor reden maar ook’ van hun vrouw mochten scheiden (Mt 19:3, 9). Het idee dat een man overspel pleegt tegenover zijn vrouw was bij de meeste Joden onbekend. Hun rabbi’s leerden hun dat een man nooit ontrouw kon zijn aan zijn vrouw — alleen een vrouw kon ontrouw zijn. Jezus geeft vrouwen waardigheid en verhoogt hun positie door de man dezelfde morele verplichting op te leggen als de vrouw.

als een vrouw die zich van haar man heeft laten scheiden: Met die woorden erkent Jezus het recht van een vrouw om zich van haar ontrouwe man te laten scheiden, iets dat blijkbaar niet aanvaardbaar was voor de Joden in zijn tijd. Maar volgens Jezus zou onder het christelijke stelsel dezelfde norm gelden voor mannen en vrouwen.

kinderen: Dit kunnen kinderen van verschillende leeftijden zijn geweest. Het Griekse woord dat hier met ‘kinderen’ is vertaald, wordt namelijk gebruikt voor pasgeborenen en zuigelingen (Mt 2:8; Lu 1:59) maar ook voor Jaïrus’ dochter van 12 (Mr 5:39-42). In het parallelverslag in Lu 18:15, waar Jezus’ interactie met deze groep kinderen wordt beschreven, gebruikt Lukas echter een ander Grieks woord, dat alleen op kleine kinderen of baby’s slaat (Lu 1:41; 2:12).

als een kind: Duidt op de wenselijke eigenschappen van kleine kinderen, bijvoorbeeld dat ze nederig zijn, leergierig, goed van vertrouwen en ontvankelijk (Mt 18:5).

sloeg zijn armen om de kinderen heen: Dit detail wordt alleen in Markus’ verslag vermeld. Het Griekse woord voor ‘de armen om heen slaan’ komt alleen hier en in Mr 9:36 voor en kan ook vertaald worden met ‘in de armen nemen’ of ‘omarmen’. Jezus overtrof de verwachtingen van de mensen die deze kinderen bij hem brachten zodat hij ze alleen zou ‘aanraken’ (Mr 10:13). Als oudste in een gezin met minstens zeven kinderen begreep Jezus wat kinderen nodig hebben (Mt 13:55, 56). Hij zegende ze zelfs. Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt, is een versterkte vorm van ‘zegenen’ en kan betekenen dat hij ze teder en hartelijk zegende.

Goede Meester: Kennelijk gebruikte de man ‘Goede Meester’ als een vleiende aanspreektitel, aangezien de religieuze leiders er gewoonlijk op stonden zo te worden geëerd. Hoewel Jezus er geen bezwaar tegen had te worden geïdentificeerd als ‘Meester’ en ‘Heer’ (Jo 13:13), gaf hij alle eer aan zijn Vader.

Niemand is goed, behalve één, God: Jezus erkent Jehovah hier als de hoogste norm voor wat goed is, degene die het soevereine recht heeft om te bepalen wat goed en wat slecht is. Adam en Eva wilden zich dat recht toe-eigenen door opstandig van de boom van de kennis van goed en kwaad te eten. In tegenstelling tot hen laat Jezus het vaststellen van normen nederig aan zijn Vader over. God heeft door middel van de geboden in zijn Woord laten weten en beschreven wat goed is (Mr 10:19).

voelde liefde voor hem: Markus is de enige die vermeldt wat Jezus voelde voor de rijke, jonge bestuurder (Mt 19:16-26; Lu 18:18-30). Deze beschrijving van Jezus’ gevoelens was mogelijk afkomstig van Petrus, zelf een man met diepe gevoelens. (Zie Inleiding tot Markus.)

voor een kameel makkelijker om door het oog van een naald te gaan: Jezus gebruikt een hyperbool om een punt te illustreren. Zoals een kameel niet door het oog van een naainaald past, zo is het voor een rijke man onmogelijk het Koninkrijk van God binnen te gaan als hij zijn rijkdom vóór zijn band met Jehovah blijft stellen. Jezus bedoelde niet dat geen enkele rijke het Koninkrijk zou erven, want hij zei verder: ‘Bij God is alles mogelijk’ (Mr 10:27).

tegen hem: In sommige manuscripten staat ‘tegen elkaar’.

het toekomstige tijdperk: Of ‘komende samenstel van dingen’. Het Griekse woord aion kan slaan op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. Jezus heeft het hier over het toekomstige tijdperk onder het bestuur van Gods Koninkrijk, waarin eeuwig leven wordt beloofd (Lu 18:29, 30; zie Woordenlijst ‘Samenstel van dingen’).

het grensgebied van Judea aan de overkant van de Jordaan: Blijkbaar wordt hiermee Perea bedoeld, een gebied ten O van de Jordaan, en vooral het gedeelte van Perea dat aan Judea grensde. (Zie aantekening bij Mt 19:1 en App. A7, kaart 5.)

onderweg waren naar Jeruzalem: Of ‘opgingen naar Jeruzalem’. De stad lag zo’n 750 m boven zeeniveau, dus in de oorspronkelijk tekst van de Bijbel wordt vaak gezegd dat aanbidders ‘opgingen naar Jeruzalem’ (Lu 2:22; Jo 2:13; Han 11:2). Jezus en zijn discipelen klommen omhoog vanuit het Jordaandal (zie aantekening bij Mr 10:1), waarvan het diepste punt zo’n 400 m beneden zeeniveau ligt. Ze moesten ruim 1000 m stijgen om Jeruzalem te bereiken.

bespugen: Iemand bespugen of in het gezicht spugen was een uiting van diepe verachting, vijandschap of verontwaardiging en was vernederend voor het slachtoffer (Nu 12:14; De 25:9). Jezus zei hier dat hij op zo’n manier behandeld zou worden, waarmee een profetie over de Messias in vervulling zou gaan: ‘Mijn gezicht hield ik niet verborgen voor vernederingen en speeksel’ (Jes 50:6). Hij werd bespuugd toen hij voor het Sanhedrin verscheen (Mr 14:65), en ook nog door de Romeinse soldaten nadat hij door Pilatus was verhoord (Mr 15:19).

Zebedeüs: Mogelijk was hij getrouwd met Salomé, de zus van Jezus’ moeder Maria. Dan zou hij een aangetrouwde oom van Jezus zijn en zouden Johannes en Jakobus neven van Jezus zijn (Mt 27:55, 56; Mr 15:40, 41; Jo 19:25).

Jakobus (...) en zijn broer Johannes: Jakobus wordt altijd samen met zijn broer Johannes genoemd, en meestal wordt hij als eerste genoemd. Dat kan erop wijzen dat hij de oudste van de twee was (Mt 4:21; 10:2; 17:1; Mr 1:29; 3:17; 5:37; 9:2; 10:35, 41; 13:3; 14:33; Lu 5:10; 6:14; 8:51; 9:28, 54; Han 1:13).

moeder van de zonen van Zebedeüs: Dat wil zeggen de moeder van de apostelen Jakobus en Johannes. Volgens het verslag van Markus zijn het Jakobus en Johannes die Jezus benaderen. Het is duidelijk dat het verzoek van hen komt, maar ze doen hun verzoek via hun moeder Salomé, die misschien een tante van Jezus was (Mt 27:55, 56; Mr 15:40, 41; Jo 19:25).

zonen: In enkele manuscripten staat ‘twee zonen’, maar ook de korte weergave wordt goed ondersteund door de manuscripten.

Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar hem toe: Volgens het verslag van Mattheüs is het de moeder van Jakobus en Johannes die Jezus met dit verzoek benadert, maar het verzoek komt kennelijk van haar twee zonen. Die conclusie wordt ondersteund door Mattheüs’ verslag over de reactie van de tien andere discipelen, die verontwaardigd werden ‘op de twee broers’ en niet op de moeder (Mt 20:20-24; zie aantekeningen bij Mt 4:21 en 20:20).

aan zijn rechterhand (...) aan zijn linkerhand: In sommige contexten duiden beide posities op eer en gezag (Mt 20:21, 23), maar de plaats met de grootste eer is altijd aan de rechterhand (Ps 110:1; Han 7:55, 56; Ro 8:34). Hier en in Mt 25:34, 41 bestaat echter een duidelijk contrast tussen de begunstigde plaats aan de rechterhand van de Koning en de niet-begunstigde plaats aan zijn linkerhand. (Vergelijk Pr 10:2, vtnn.)

de een aan je rechter- en de ander aan je linkerhand: Hier duiden beide posities op eer en gezag, maar de plaats met de grootste eer is altijd aan de rechterhand (Ps 110:1; Han 7:55, 56; Ro 8:34; zie aantekening bij Mt 25:33).

de beker drinken: In de Bijbel wordt ‘beker’ vaak figuurlijk gebruikt voor Gods wil, ‘het toegemeten deel’, voor een persoon. ‘De beker drinken’ betekent hier zich aan Gods wil onderwerpen. In dit geval hield de ‘beker’ niet alleen in dat Jezus zou lijden en sterven omdat hij vals werd beschuldigd van godslastering, maar ook dat hij tot onsterfelijk leven in de hemel zou worden gewekt.

de beker drinken: Zie aantekening bij Mt 20:22.

gedoopt worden met de doop waarmee ik word gedoopt: Of ‘ondergedompeld worden met de onderdompeling die ik onderga’. Jezus gebruikt hier het woord ‘doop’ parallel aan ‘beker’. (Zie aantekening bij de beker drinken in dit vers.) Deze doop ondergaat hij al tijdens zijn bediening. Hij zal volledig in de dood worden gedoopt (of ondergedompeld) als hij op 14 nisan 33 aan een martelpaal wordt gehangen. Deze doop wordt voltooid door zijn opstanding, want een doop houdt ook in dat je weer omhoogkomt (Ro 6:3, 4). Tussen Jezus’ doop in de dood en zijn waterdoop bestaat een duidelijk onderscheid, want zijn waterdoop was aan het begin van zijn bediening voltrokken en afgesloten, terwijl zijn doop in de dood toen pas begon.

over hen heersen: Of ‘hen overheersen’, ‘meesters over hen zijn’. Dit Griekse woord wordt in de Griekse Geschriften maar vier keer gebruikt (Mt 20:25; Mr 10:42; 1Pe 5:3; en in Han 19:16, waar het met ‘overmeesterde’ is weergegeven). Jezus’ raad deed denken aan het gehate Romeinse juk en de onderdrukking door de Herodes-dynastie (Mt 2:16; Jo 11:48). Petrus begreep kennelijk waar het om ging, want hij spoorde ouderlingen later aan om niet te heersen maar leiding te geven door hun voorbeeld (1Pe 5:3). Een verwant werkwoord in het parallelverslag van Lukas (Lu 22:25) wordt ook gebruikt in 2Kor 1:24, waar Paulus zegt dat christenen geen ‘meesters over’ het geloof van andere christenen mogen zijn.

leven: Het Griekse psuche, traditioneel weergegeven met ‘ziel’, wordt hier in de betekenis ‘leven’ gebruikt. (Zie Woordenlijst ‘Ziel’.)

Jericho: De eerste Kanaänitische stad ten W van de Jordaan die door de Israëlieten werd ingenomen (Nu 22:1; Joz 6:1, 24, 25). Tegen Jezus’ tijd was er een nieuwe stad gebouwd zo’n 2 km ten Z van de oude stad. Dat verklaart misschien waarom Lu 18:35 over hetzelfde voorval zegt dat Jezus ‘in de buurt van Jericho kwam’. Het kan zijn dat Jezus het wonder deed terwijl ze uit de Joodse stad vertrokken en richting de Romeinse stad gingen of andersom. (Zie App. B4 en B10.)

Jericho: Zie aantekening bij Mt 20:29.

een blinde bedelaar: Mattheüs heeft het in zijn verslag (20:30) over twee blinden. Markus en Lukas (18:35) hebben het over één blinde. Blijkbaar richten ze zich op Bartimeüs, die alleen in Markus’ verslag bij zijn naam wordt genoemd.

Hij zal een Nazarener worden genoemd: Blijkbaar wordt hier verwezen naar het boek dat de profeet Jesaja heeft geschreven, waarin de beloofde Messias ‘een spruit [Hebr.: netser] uit de wortels van Isaï’ wordt genoemd (Jes 11:1). Omdat Mattheüs het over profeten in het meervoud heeft, kan hij ook hebben verwezen naar Jeremia, die sprak over ‘een rechtvaardige spruit’ als een scheut of afstammeling van David (Jer 23:5; 33:15), en naar Zacharia, die het heeft over een koning-priester ‘die Spruit heet’ (Za 3:8; 6:12, 13). De term Nazarener werd een bijnaam voor Jezus en later ook voor zijn volgelingen.

Nazareth: Betekent waarschijnlijk ‘spruitstad’. Nazareth was de plaats in Beneden-Galilea waar Jezus het grootste deel van zijn aardse leven heeft gewoond.

zoon van David: Dit laat uitkomen dat Jezus de erfgenaam is van het Koninkrijksverbond dat door iemand in de afstammingslijn van David vervuld zou worden.

David, de koning: Hoewel er meerdere koningen in deze afstammingslijn zijn opgenomen, is David de enige die met de titel koning wordt genoemd. De koninklijke dynastie van Israël stond ook bekend als ‘het huis van David’ (1Kon 12:19, 20). Door Jezus in vers 1 de ‘zoon van David’ te noemen, beklemtoont Mattheüs het Koninkrijksthema en laat hij zien dat Jezus de erfgenaam is van het koningschap dat was beloofd in het verbond met David (2Sa 7:11-16).

hem eer bewijzen: Of ‘zich voor hem neerbuigen’, ‘hem hulde brengen’. Door Jezus de ‘Zoon van David’ (Mt 15:22) te noemen, erkent deze niet-Joodse vrouw hem blijkbaar als de beloofde Messias. Ze bewijst hem eer, niet als een god of godheid maar als een vertegenwoordiger van God. (Zie aantekeningen bij Mt 2:2; 8:2; 14:33 en 18:26.)

de Nazarener: Een bijnaam voor Jezus en later ook voor zijn volgelingen (Han 24:5). Omdat de naam Jezus veel voorkwam onder de Joden, werd er vaak een aanduiding aan toegevoegd. In Bijbelse tijden was het heel gebruikelijk om de naam van mensen te verbinden aan de plaats waar ze vandaan kwamen (2Sa 3:2, 3; 17:27; 23:25-39; Na 1:1; Han 13:1; 21:29). Jezus woonde het grootste deel van zijn aardse leven in Nazareth in Galilea, dus het was niet vreemd om die term in verband met hem te gebruiken. Jezus werd vaak ‘de Nazarener’ genoemd, in verschillende situaties en door verschillende personen (Mr 1:23, 24; 10:46, 47; 14:66-69; 16:5, 6; Lu 24:13-19; Jo 18:1-7). Jezus zelf aanvaardde en gebruikte die naam (Jo 18:5-8; Han 22:6-8). Pilatus liet op de martelpaal een opschrift bevestigen met in het Hebreeuws, Latijn en Grieks de woorden: ‘Jezus de Nazarener, de Koning van de Joden’ (Jo 19:19, 20). Vanaf Pinksteren 33 spraken zowel de apostelen als anderen vaak over Jezus als de Nazarener of als degene die uit Nazareth kwam (Han 2:22; 3:6; 4:10; 6:14; 10:38; 26:9; zie ook aantekening bij Mt 2:23).

Zoon van David: Door Jezus de ‘Zoon van David’ te noemen, erkent de blinde Bartimeüs hem openlijk als de Messias. (Zie aantekeningen bij Mt 1:1, 6 en 15:25.)

Rabboni: Een Semitisch woord dat ‘Mijn Meester’ betekent. Het kan zijn dat Rabboni oorspronkelijk meer respect of meer warmte overbracht dan de vorm rabbi, een aanspreektitel die ‘meester’ betekent (Jo 1:38). Maar toen Johannes zijn evangelie schreef, had het achtervoegsel van de eerste persoon (-i, dat ‘mijn’ betekent) misschien zijn bijzondere betekenis in de titel verloren, want hij vertaalt het woord eenvoudig met ‘Meester’ (Jo 20:16).

Media