Volgens Lukas 8:1-56

8  Kort daarna trok hij van stad naar stad en van dorp naar dorp om het goede nieuws van Gods Koninkrijk te prediken en bekend te maken.+ De twaalf gingen met hem mee,  en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten waren genezen: Maria die Magdale̱na wordt genoemd,+ bij wie zeven demonen waren uitgedreven,  Johanna,+ de vrouw van Chu̱zas (de rentmeester van Herodes), Suzanna en veel andere vrouwen, die hun eigen middelen gebruikten om hen van dienst te zijn.+  Uit de ene na de andere stad kwamen mensen bij hem en er verzamelde zich een grote menigte. Toen vertelde hij hun een illustratie:+  ‘Een zaaier ging op weg om te zaaien. Tijdens het zaaien vielen sommige zaadjes langs de weg en werden vertrapt, en ze werden opgegeten door de vogels van de hemel.+  Andere zaadjes kwamen op een rots terecht. Ze ontkiemden, maar verdorden door gebrek aan water.+  Er waren ook zaadjes die tussen de distels vielen. De distels kwamen tegelijk met het zaad op en verstikten het.+  Maar er waren ook zaadjes die in goede aarde vielen. Ze ontkiemden en brachten 100 keer zo veel vrucht op.’+ Daarna riep hij uit: ‘Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren.’+  Zijn discipelen vroegen hem wat die illustratie betekende.+ 10  Hij zei: ‘Jullie hebben het voorrecht* de heilige geheimen van Gods Koninkrijk te begrijpen, maar voor de anderen blijft het in illustraties,+ zodat ze kijken maar niets zien, en horen maar de betekenis niet begrijpen.+ 11  De illustratie betekent het volgende: Het zaad is het woord van God.+ 12  Het zaad langs de weg zijn degenen die het horen, maar dan komt de Duivel en neemt het woord uit hun hart weg om te voorkomen dat ze geloven en gered worden.+ 13  Het zaad dat op een rots valt, zijn degenen die het woord horen en met vreugde aannemen, maar het schiet geen wortel. Ze geloven een tijdje, maar als er beproevingen komen, vallen ze af.+ 14  Het zaad dat tussen de distels valt, zijn degenen die het woord horen maar worden meegesleept door zorgen, rijkdom+ en pleziertjes van dit leven.+ Daardoor worden ze volledig verstikt en brengen ze geen rijpe vruchten voort.+ 15  Het zaad dat in goede aarde valt, zijn degenen die het woord horen met een goed en oprecht hart,+ eraan vasthouden, volharden en vrucht dragen.+ 16  Als je een lamp aansteekt, zet je die niet onder een vat of onder een bed, maar je zet de lamp op een standaard, zodat iedereen die binnenkomt, het licht kan zien.+ 17  Want alles wat bedekt is, zal openbaar worden, en alles wat zorgvuldig verborgen is, zal bekend worden en aan het licht komen.+ 18  Let dus goed op hoe je luistert. Want wie heeft, zal meer krijgen.+ Maar van wie niets heeft, zal zelfs wat hij denkt te hebben, worden afgenomen.’+ 19  Zijn moeder en broers+ kwamen naar hem toe, maar vanwege de menigte konden ze niet bij hem komen.+ 20  Hij kreeg te horen: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en willen u zien.’ 21  Maar hij antwoordde: ‘Degenen die het woord van God horen en toepassen, dát zijn mijn moeder en mijn broers.’+ 22  Op een dag stapten hij en zijn discipelen in een boot. ‘Laten we naar de overkant van het meer gaan’, zei hij tegen ze en ze voeren weg.+ 23  Terwijl ze aan het varen waren, viel Jezus in slaap. Er kwam op het meer een zware storm opzetten. De boot maakte water en ze raakten in nood.+ 24  Ze maakten hem wakker en zeiden: ‘Meester, Meester, we vergaan!’ Hij stond op en sprak de wind en de woeste golven bestraffend toe. De storm ging liggen en het werd stil.+ 25  Toen zei hij tegen ze: ‘Waar is jullie geloof?’ Maar ze waren heel bang en stonden versteld. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie is dat toch? Zelfs de wind en het water geeft hij bevelen, en ze doen wat hij zegt.’+ 26  Ze legden aan in het gebied van de Gerasenen,+ dat tegenover Galilea ligt. 27  Toen Jezus aan land was gegaan, kwam hem een man uit de stad tegemoet die door demonen bezeten was. De man droeg al een hele tijd geen kleren meer en woonde niet in een huis maar tussen de graven.*+ 28  Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor hem neer en riep luid: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek je, doe me geen pijn.’+ 29  (Jezus had de onreine geest namelijk bevel gegeven om de man te verlaten. De geest had al vaak bezit genomen van de man,*+ die meerdere keren met kettingen en voetboeien was vastgebonden en ook werd bewaakt. Maar hij trok de boeien elke keer kapot en werd dan door de demon naar afgelegen plaatsen gedreven.) 30  Jezus vroeg hem: ‘Hoe heet je?’ Hij antwoordde: ‘Legioen’, want er waren veel demonen in hem gegaan. 31  En ze bleven hem smeken hen niet de afgrond in te sturen.+ 32  Nu werd daar op de berg een grote kudde varkens+ gehoed. De demonen vroegen hem dringend of ze in de varkens mochten gaan, en hij stond hun dat toe.+ 33  De demonen verlieten de man en gingen in de varkens, waarop de kudde van de steile helling af stormde, het meer in, en verdronk. 34  Toen de varkenshoeders zagen wat er was gebeurd, vluchtten ze en vertelden het in de stad en op het platteland. 35  De mensen gingen kijken wat er was gebeurd. Ze kwamen bij Jezus en zagen de man die door demonen bezeten was geweest. Hij had kleren aan, was goed bij zijn verstand en zat aan Jezus’ voeten.+ De mensen werden bang. 36  Degenen die hadden gezien wat er was gebeurd, vertelden hoe de bezeten man beter was gemaakt.* 37  Een grote menigte mensen uit het gebied van de Gerasenen vroeg Jezus om weg te gaan, want ze waren heel bang geworden. Hij stapte dus in de boot om te vertrekken. 38  De man uit wie de demonen waren weggegaan, smeekte hem of hij bij hem mocht blijven. Maar hij stuurde de man weg en zei:+ 39  ‘Ga naar huis en vertel alles wat God voor je gedaan heeft.’ Hij ging weg en maakte overal in de stad bekend wat Jezus voor hem had gedaan. 40  Toen Jezus terugkwam, wachtte er een menigte op hem, die hem vriendelijk ontving.+ 41  Er kwam een man naar hem toe die Jaï̱rus heette, een bestuurder van de synagoge. Hij viel aan Jezus’ voeten en smeekte hem naar zijn huis te komen,+ 42  omdat zijn enige dochter op sterven lag. Ze was ongeveer 12 jaar. Terwijl Jezus ernaartoe ging, verdrong de menigte zich rondom hem. 43  Nu was er een vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiingen leed,+ en niemand had haar kunnen genezen.+ 44  Ze kwam van achteren naar hem toe en raakte de franje* van zijn bovenkleed+ aan. Meteen hield de bloedvloeiing op. 45  Jezus zei: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Iedereen ontkende het en Petrus zei: ‘Meester, de mensen duwen en dringen van alle kanten tegen je aan.’+ 46  Maar Jezus zei: ‘Iemand heeft me aangeraakt, want ik merkte* dat er kracht+ uit me wegging.’ 47  De vrouw besefte dat haar aanraking was opgemerkt. Ze kwam bevend naar hem toe, knielde voor hem neer en legde in het bijzijn van alle mensen uit waarom ze hem had aangeraakt en dat ze meteen was genezen. 48  Hij zei tegen haar: ‘Je geloof heeft je beter gemaakt,* mijn dochter. Ga in vrede.’+ 49  Terwijl hij nog aan het praten was, kwam er iemand uit het huis van* de synagogebestuurder, die zei: ‘Uw dochter is gestorven. Val de Meester niet langer lastig.’+ 50  Jezus hoorde het en zei tegen Jaï̱rus: ‘Wees niet bang, maar heb geloof, dan zal ze worden gered.’+ 51  Toen hij bij het huis kwam, liet hij niemand met zich mee naar binnen gaan behalve Petrus, Johannes, Jakobus en de vader en moeder van het meisje. 52  Alle mensen huilden om haar en sloegen zich op de borst van verdriet. Daarom zei hij: ‘Houd op met huilen,+ want ze is niet gestorven, ze slaapt.’+ 53  Maar ze lachten hem uit, want ze wisten dat ze gestorven was. 54  Toen pakte hij haar hand en riep: ‘Kind, sta op!’*+ 55  Ze kwam weer tot leven+ en stond meteen op,+ en Jezus zei dat ze haar iets te eten moesten geven. 56  Haar ouders waren buiten zichzelf van blijdschap, maar hij zei dat ze aan niemand mochten vertellen wat er was gebeurd.+

Voetnoten

Of ‘het is jullie toegestaan’, ‘jullie mogen’.
Of ‘herinneringsgraven’.
Of mogelijk ‘de man gedurende lange tijd vastgehouden’.
Of ‘was gered’.
Of ‘zoom’, ‘rand’, ‘kwastjes’.
Lett.: ‘weet’.
Of ‘gered’.
Of ‘een vertegenwoordiger van’.
Of ‘word wakker!’

Aantekeningen

prediken: De grondbetekenis van het Griekse woord is ‘aankondigen als een openbare boodschapper’. De nadruk ligt op de methode van aankondigen: meestal een verklaring in het openbaar en geen preek gericht tot een groep.

prediken: Zie aantekening bij Mt 3:1.

Maria die Magdalena wordt genoemd: De vrouw die vaak Maria Magdalena wordt genoemd, wordt hier in het verslag over Jezus’ tweede predikingsjaar voor het eerst vermeld. Haar bijnaam Magdalena (betekent ‘uit of van Magdala’) komt waarschijnlijk van de plaats Magdala aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, ongeveer halverwege tussen Kapernaüm en Tiberias. Sommigen denken dat deze Maria uit Magdala kwam of er woonde. De naam Maria Magdalena komt vooral voor in de verslagen over de dood en opstanding van Jezus (Mt 27:55, 56, 61; Mr 15:40; Lu 24:10; Jo 19:25).

dient: Of ‘bedient’. Hier wordt het Griekse werkwoord diakoneo gebruikt, verwant aan het zelfstandig naamwoord diakonos (dienaar, bediende), dat wordt gebruikt voor iemand die voortdurend nederig diensten doet voor anderen. Het woord wordt toegepast op Christus (Ro 15:8), dienaren van Christus, zowel mannen als vrouwen (Ro 16:1; 1Kor 3:5-7; Kol 1:23), dienaren in de bediening (Fil 1:1; 1Ti 3:8) en ook bedienden (Jo 2:5, 9) en overheidsfunctionarissen (Ro 13:4).

Chuzas: De rentmeester van Herodes Antipas. Mogelijk had hij het beheer over het huishouden.

om hen van dienst te zijn: Of ‘om hen te ondersteunen’, ‘om voor hen te zorgen’. Het Griekse woord diakoneo kan slaan op het voorzien in de fysieke behoeften van anderen door eten te kopen, klaar te maken, te serveren, enzovoorts. De term wordt in een vergelijkbare betekenis gebruikt in Lu 10:40 (‘voor alles zorgen’), Lu 12:37 en Lu 17:8 (‘bedienen’), en Han 6:2 (‘voedsel verdelen’), maar kan ook slaan op alle andere vergelijkbare persoonlijke diensten. Hier wordt beschreven hoe de vrouwen die in vers 2 en 3 genoemd worden Jezus en zijn discipelen ondersteunden, zodat die de taak konden uitvoeren die ze van God gekregen hadden. Op die manier eerden de vrouwen God, die zijn waardering daarvoor toonde door in de Bijbel een verslag over hun vrijgevigheid te laten optekenen voor alle toekomstige generaties (Sp 19:17; Heb 6:10). Dezelfde Griekse term wordt voor vrouwen gebruikt in Mt 27:55 en Mr 15:41. (Zie aantekening bij Lu 22:26, waar het verwante zelfstandig naamwoord diakonos wordt behandeld.)

gebied van de Gadarenen: Een gebied aan de overkant (oostelijke oever) van het Meer van Galilea. Misschien ging het om het gebied tussen het meer en Gadara, dat op 10 km van het meer lag. Dat wordt ondersteund door munten uit Gadara, waarop vaak een schip staat afgebeeld. Markus en Lukas noemen deze regio ‘het gebied van de Gerasenen’. (Zie aantekening bij Mr 5:1.) Misschien overlapten deze regio’s elkaar. (Zie App. A7, kaart 3B, ‘Activiteit bij het Meer van Galilea’ en App. B10.)

Gerasenen: In de parallelverslagen (Mt 8:28-34; Mr 5:1-20; Lu 8:26-39) worden verschillende namen gebruikt voor de locatie van deze gebeurtenis. Voor elk verslag zijn de verschillende versies in oude manuscripten terug te vinden. Volgens de beste manuscripten die beschikbaar zijn, had Mattheüs het oorspronkelijk over ‘Gadarenen’ en hadden Markus en Lukas het over ‘Gerasenen’. Maar zoals wordt aangetoond in de aantekening bij gebied van de Gerasenen in dit vers, verwijzen beide termen globaal naar dezelfde streek.

gebied van de Gerasenen: Een gebied tegenover Galilea, dat wil zeggen aan de oostelijke oever van het Meer van Galilea. De exacte grenzen van dit gebied zijn nu niet meer bekend en ook niet met zekerheid vast te stellen. Sommigen brengen het gebied van de Gerasenen in verband met de streek rond Kursi, bij de steile hellingen aan de oostelijke oever van het meer. Anderen vermoeden dat het gaat om het grote district rondom de stad Gerasa (Jerash), ongeveer 55 km ten ZZO van het Meer van Galilea. Mt 8:28 noemt het ‘het gebied van de Gadarenen’. (Zie aantekening bij Gerasenen in dit vers en aantekening bij Mt 8:28.) Hoewel er verschillende namen worden gebruikt, verwijzen ze globaal naar dezelfde streek aan de oostelijke oever van het Meer van Galilea, en het kan zijn dat de regio’s elkaar overlapten. De verslagen spreken elkaar dus niet tegen. (Zie ook App. A7, kaart 3B, ‘Activiteit bij het Meer van Galilea’ en App. B10.)

Gerasenen: Zie aantekening bij Mr 5:1.

een man (...) die door demonen bezeten was: Mattheüs (8:28) heeft het over twee mannen, terwijl Markus (5:2) en Lukas er maar één noemen. Kennelijk spitst het verslag van Markus en van Lukas zich toe op één van hen omdat Jezus tot hem sprak en omdat zijn geval het opvallendst was. Misschien was deze man gewelddadiger of was hij langer in de macht van de demonen geweest. Het kan ook zijn dat alleen hij na de genezing van de twee mannen met Jezus mee wilde gaan (Lu 8:37-39).

Wat heb ik met jou te maken: Of ‘Wat hebben ik en jij gemeen?’ De letterlijke vertaling van deze retorische vraag is: ‘Wat voor mij en voor jou?’ Dit Semitische idioom komt voor in de Hebreeuwse Geschriften (Re 11:12, vtn.; Joz 22:24; 2Sa 16:10; 19:22; 1Kon 17:18; 2Kon 3:13; 2Kr 35:21; Ho 14:8), en in de Griekse Geschriften wordt een vergelijkbare Griekse uitdrukking gebruikt (Mt 8:29; Mr 1:24; 5:7; Lu 4:34; 8:28; Jo 2:4). De precieze betekenis verschilt, afhankelijk van de context. In dit vers (Mr 5:7) drukt het idioom vijandigheid en afkeer uit, en sommigen geven het weer met ‘Laat me met rust!’ of ‘Wat moet je van me?’ In andere contexten wordt er een verschil van mening mee uitgedrukt of een weigering om op een voorgestelde actie in te gaan, maar zonder minachting, arrogantie of vijandigheid. (Zie aantekening bij Jo 2:4.)

Wat heb ik met jou te maken: Zie aantekening bij Mr 5:7.

doe me geen pijn: In Mt 18:34 wordt een verwant Grieks woord gebruikt voor ‘de bewakers’. In deze context lijkt ‘pijn doen’ te duiden op het vasthouden in ‘de afgrond’ die in Lu 8:31 wordt genoemd.

Legioen: Waarschijnlijk was dit niet de echte naam van de bezeten man. Het geeft aan dat hij bezeten was door een groot aantal demonen. Mogelijk was het de aanvoerder van deze demonen die de man liet zeggen dat zijn naam Legioen was. In de eerste eeuw bestond een Romeins legioen meestal uit zo’n 6000 soldaten. Dat kan erop duiden dat het om heel veel demonen ging. (Zie aantekening bij Mt 26:53.)

Legioen: Zie aantekening bij Mr 5:9.

pijn te doen: In Mt 18:34 wordt een verwant Grieks woord gebruikt voor ‘de bewakers’. In deze context lijkt ‘pijn doen’ te duiden op het vasthouden in ‘de afgrond’ die in het parallelverslag in Lu 8:31 wordt genoemd.

de afgrond: Of ‘de diepte’. Het Griekse woord abussos, dat ‘buitengewoon diep’ of ‘onpeilbaar, grenzeloos’ betekent, duidt op een plaats of toestand van gevangenschap. Het komt in de Griekse Geschriften negen keer voor: hier, in Ro 10:7 en zeven keer in het boek Openbaring. Het verslag in Opb 20:1-3 beschrijft hoe Satan in de toekomst voor duizend jaar in de afgrond zal worden gegooid. Het legioen demonen dat Jezus smeekte om hen ‘niet de afgrond in te sturen’, dacht misschien aan die toekomstige gebeurtenis. In vers 28 vraagt een van de demonen Jezus om hem geen pijn te doen. In het parallelverslag in Mt 8:29 vragen de demonen Jezus: ‘Ben je hier gekomen om ons vóór de vastgestelde tijd pijn te doen?’ De ‘pijn’ waar de demonen bang voor waren, lijkt dus te duiden op hun gevangenschap in ‘de afgrond’. (Zie Woordenlijst en aantekening bij Mt 8:29.)

vertel alles wat God voor je gedaan heeft: Hoewel Jezus gewoonlijk de instructie gaf om zijn wonderen niet rond te vertellen (Mr 1:44; 3:12; 7:36; Lu 5:14), gaf hij deze man de opdracht zijn familie te vertellen wat er was gebeurd. Misschien maakte Jezus een uitzondering omdat hem gevraagd was het gebied te verlaten en hij ze niet persoonlijk getuigenis zou kunnen geven. Het zou ook een tegenwicht vormen tegen eventuele ongunstige berichten over het verlies van de varkens.

overal in de stad: Het parallelverslag in Mr 5:20 zegt ‘in de Dekapolis’. Blijkbaar wordt hier dus een van de steden in het gebied van de Dekapolis bedoeld. (Zie Woordenlijst.)

een eniggeboren zoon: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘uniek’. Het wordt in de Bijbel gebruikt voor de relatie van een zoon of dochter tot zijn of haar ouders. (Zie aantekeningen bij Lu 7:12; 8:42 en 9:38.) In de geschriften van Johannes wordt deze term uitsluitend voor Jezus gebruikt (Jo 3:16, 18; 1Jo 4:9), maar nooit in verband met Jezus’ menselijke geboorte of zijn bestaan als mens. In plaats daarvan gebruikt Johannes de term voor Jezus in zijn voormenselijke bestaan als de Logos, het Woord, degene die ‘in het begin bij God was’, nog ‘voordat de wereld er was’ (Jo 1:1, 2; 17:5, 24). Jezus is de ‘eniggeboren zoon’ omdat hij Jehovah’s Eerstgeborene is en de enige die rechtstreeks door hem is geschapen. Andere geestelijke wezens worden wel ‘zonen van de ware God’ en ‘zonen van God’ genoemd (Ge 6:2, 4; Job 1:6; 2:1; 38:4-7), maar al die zonen zijn door Jehovah geschapen via die eerstgeboren Zoon (Kol 1:15, 16). Samenvattend kunnen we zeggen dat monogenes op twee dingen duidt: Jezus is ‘de enige in zijn soort’, ‘uniek’, ‘onvergelijkelijk’ en hij is de enige zoon die rechtstreeks en uitsluitend door God is gemaakt (1Jo 5:18; zie aantekening bij Heb 11:17).

enige: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘de enige of het enige lid van een klasse of soort’, ‘uniek’. Het wordt gebruikt voor de relatie van een zoon of dochter tot zijn of haar ouders. In deze context wordt het gebruikt voor een enig kind. Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de enige zoon van een weduwe in Naïn en het enige kind van een man bij wie Jezus een demon uitdreef (Lu 7:12; 9:38). De Griekse Septuaginta gebruikt monogenes als het gaat om Jefta’s dochter, over wie wordt gezegd: ‘Ze was zijn enige kind. Hij had verder geen zonen of dochters’ (Re 11:34). In de geschriften van de apostel Johannes wordt monogenes vijf keer gebruikt in verband met Jezus. (Zie aantekeningen bij Jo 1:14 en 3:16 voor de betekenis van de term als die op Jezus wordt toegepast.)

dochter: Het enige opgetekende geval waar wordt vermeld dat Jezus een vrouw rechtstreeks aansprak met ‘dochter’, misschien vanwege de gevoelige situatie en omdat ze beefde (Mr 5:33; Lu 8:47). Met deze uitdrukking van genegenheid, die niets zegt over de leeftijd van de vrouw, gaf Jezus blijk van zijn tedere zorg voor haar.

hij gaf de geest: Of ‘hij blies de laatste adem uit’, ‘hij hield op met ademen’. Het woord geest (Grieks: pneuma) kan hier worden opgevat als de ‘adem’ of ‘levenskracht’, wat wordt ondersteund door het gebruik van het Griekse werkwoord ekpneo (lett.: ‘uitademen’) in het parallelverslag in Mr 15:37 (waar het wordt weergegeven met ‘blies de laatste adem uit’). Sommigen denken dat het gebruik van het Griekse woord dat met ‘geven’ is vertaald erop duidt dat Jezus vrijwillig zijn doodsstrijd opgaf, aangezien alles was volbracht (Jo 19:30). Bereidwillig ‘heeft hij zijn leven uitgestort in de dood’ (Jes 53:12; Jo 10:11).

Ze kwam weer tot leven: Of ‘haar geest (levenskracht, adem) kwam terug’. Het Griekse woord pneuma duidt hier waarschijnlijk op de actieve levenskracht in een aards wezen of gewoon op de adem. (Zie aantekening bij Mt 27:50.)

Media

Lampenstandaard
Lampenstandaard

Deze tekening van een lampenstandaard (1) is gebaseerd op vondsten uit de eerste eeuw in Efeze en Italië. Een lampenstandaard zoals deze werd waarschijnlijk in rijke huishoudens gebruikt. In armere huishoudens werden lampen aan het plafond gehangen, in een nis in de muur gezet (2) of op een standaard van aardewerk of hout geplaatst.

Vissersboot
Vissersboot

Deze tekening is gebaseerd op de resten van een vissersboot uit de eerste eeuw die bij de oever van het Meer van Galilea in de modder gevonden is en op een mozaïek dat gevonden is in een eerste-eeuws huis in Migdal, dat aan het Meer van Galilea lag. Zo’n boot was waarschijnlijk uitgerust met een mast en zeil(en) en had misschien een vijfkoppige bemanning: vier roeiers en een stuurman, die op een klein dek op de achtersteven stond. De boot was zo’n 8 m lang, in het midden zo’n 2,5 m breed en 1,25 m hoog. Waarschijnlijk pasten er 13 of meer personen in.

Resten van een Galilese vissersboot
Resten van een Galilese vissersboot

In 1985/1986 zakte het waterpeil van het Meer van Galilea door droogte, waardoor een deel bloot kwam te liggen van de romp van een oude boot die verborgen lag in de modder. De resten van de boot zijn 8,2 m lang, 2,3 m breed en maximaal 1,3 m hoog. Archeologen dateren de boot ergens tussen de eerste eeuw v.Chr. en de eerste eeuw n.Chr. De boot is nu in een museum in Israël te zien. In de animatie wordt een reconstructie van de boot getoond, die een beeld geeft van hoe het eruit gezien kan hebben toen de boot zo’n 2000 jaar geleden over het water voer.

Kliffen aan de oostkant van het Meer van Galilea
Kliffen aan de oostkant van het Meer van Galilea

Langs de oostelijke oever van het Meer van Galilea dreef Jezus bij twee mannen demonen uit en stuurde die demonen in een kudde varkens.