Volgens Lukas 7:1-50

7  Toen hij dat allemaal tegen het volk had gezegd, ging hij Kape̱rnaüm binnen.  Er was daar een legerofficier die een slaaf had die veel voor hem betekende. Deze slaaf was ernstig ziek en lag op sterven.+  De legerofficier hoorde over Jezus en stuurde oudsten van de Joden naar hem toe met de vraag of hij wilde komen om zijn slaaf beter te maken.  Ze kwamen bij Jezus, deden hem een dringend verzoek en zeiden: ‘Hij is het waard dat u hem deze gunst bewijst,  want hij houdt van ons volk en heeft de synagoge voor ons laten bouwen.’  Jezus ging met ze mee. Maar toen hij niet ver meer van het huis was, stuurde de legerofficier vrienden naar hem toe met de boodschap: ‘Mijnheer, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt.+  Om die reden ben ik niet zelf naar u toe gekomen. U hoeft het alleen maar te zeggen en dan wordt mijn dienaar beter.  Want ook ik ben onder het gezag van anderen gesteld en ik heb soldaten onder me. Tegen de een zeg ik: “Ga!” en dan gaat hij, tegen een ander: “Kom!” en dan komt hij, en tegen mijn slaaf: “Doe dit!” en dan doet hij het.’  Jezus stond versteld toen hij die dingen hoorde. Hij draaide zich om naar de menigte die hem volgde en zei: ‘Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden.’+ 10  De mannen die gestuurd waren, gingen terug naar het huis en troffen daar de slaaf in goede gezondheid aan.+ 11  Kort daarna ging hij naar de stad Na̱ïn, en zijn discipelen en een grote menigte gingen met hem mee. 12  Toen hij in de buurt van de stadspoort kwam, werd er net een dode man naar buiten gedragen, de enige zoon van een weduwe.+ Er was ook een grote groep mensen uit de stad bij haar. 13  Toen de Heer haar zag, kreeg hij medelijden met haar+ en zei: ‘Huil maar niet.’+ 14  Hij kwam dichterbij en raakte de baar aan. De dragers bleven staan en hij zei: ‘Jongeman, ik zeg je: sta op!’*+ 15  De dode man kwam overeind en begon te praten, en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder.+ 16  Iedereen werd vervuld met ontzag. Ze loofden God en zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’+ en: ‘God heeft aan zijn volk gedacht.’+ 17  Dat nieuws over hem werd bekend in heel Judea en het gebied eromheen. 18  Johannes kreeg al die dingen te horen van zijn discipelen.+ 19  Daarom riep hij twee van zijn discipelen bij zich en stuurde ze naar de Heer met de vraag: ‘Bent u degene die zou komen+ of moeten we een ander verwachten?’ 20  Toen de mannen bij hem kwamen, zeiden ze: ‘Johannes de Doper heeft ons gestuurd met de vraag: “Bent u degene die zou komen of moeten we een ander verwachten?”’ 21  Jezus genas toen veel mensen van ziekten+ en ernstige kwalen en van boze geesten. Ook gaf hij veel blinden het gezichtsvermogen terug. 22  Hij antwoordde: ‘Ga naar Johannes en vertel hem wat jullie hebben gezien en gehoord: de blinden zien,+ de kreupelen lopen, de melaatsen worden rein, de doven horen,+ de doden worden opgewekt en aan de armen wordt het goede nieuws verteld.+ 23  Gelukkig is degene die geen aanstoot aan mij neemt.’*+ 24  Toen de afgezanten van Johannes waren weggegaan, begon Jezus tegen de menigte over Johannes te spreken: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken? Naar een rietstengel die heen en weer beweegt in de wind?+ 25  Waar zijn jullie dan naar gaan kijken? Naar iemand in kostbare* kleding?+ Mensen met prachtige kleding die in weelde leven, vind je alleen in paleizen. 26  Waar zijn jullie dan wel naar gaan kijken? Naar een profeet? Ja, zeg ik jullie, en veel meer dan een profeet.+ 27  Dit is degene over wie is geschreven: “Let op! Ik stuur mijn boodschapper voor je uit, die de weg voor je* zal banen.”+ 28  Ik zeg jullie: Onder degenen die uit een vrouw geboren zijn, is niemand groter dan Johannes. Toch is zelfs de kleinste in Gods Koninkrijk groter dan hij.’+ 29  (Toen de mensen dat hoorden, ook de belastinginners, erkenden ze dat God rechtvaardig was, want zij waren met de doop van Johannes gedoopt.+ 30  Maar de farizeeën en de wetgeleerden minachtten Gods raad* voor hen,+ want zij waren niet door Johannes gedoopt.) 31  ‘Met wie zal ik de mensen van deze generatie daarom vergelijken? Op wie lijken ze?+ 32  Ze zijn te vergelijken met kinderen die op een marktplein zitten en naar elkaar roepen: “Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld, maar jullie wilden niet dansen. Wij hebben een treurlied gezongen, maar jullie wilden niet huilen.” 33  Zo is ook Johannes de Doper gekomen. Hij at geen brood en dronk geen wijn,+ en toch zeggen jullie: “Hij is bezeten door een demon.” 34  De Mensenzoon is gekomen, en hij eet en drinkt wel, maar nu zeggen jullie: “Hij is een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en zondaars!”+ 35  Maar wijsheid blijkt uit de resultaten.’+ 36  Een van de farizeeën nodigde hem herhaaldelijk uit om bij hem te komen eten. Hij kwam dus in het huis van de farizeeër en ging aan tafel.*+ 37  Er was in die stad een vrouw die bekendstond als een zondares. Toen ze hoorde dat hij bij de farizeeër thuis at,* ging ze ernaartoe en nam een albasten kruikje met geurige olie mee.+ 38  Huilend knielde ze achter hem neer, bij zijn voeten. Ze maakte zijn voeten met haar tranen nat en droogde ze met haar haar af. Ook kuste ze zijn voeten teder en goot de geurige olie erover uit. 39  Toen de farizeeër die hem had uitgenodigd dat zag, zei hij bij zichzelf: ‘Als deze man echt een profeet was, zou hij weten wat voor vrouw het is die hem aanraakt, dat ze een zondares is.’+ 40  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Simon, ik wil je iets zeggen.’ Hij zei: ‘Wat dan, Meester?’ 41  ‘Twee mannen hadden geld geleend bij een geldschieter. De een had 500 denarii schuld en de ander 50. 42  Ze konden hun schuld niet terugbetalen, en hij schold ze allebei hun schuld kwijt.* Wie van de twee zal het meest van hem houden?’ 43  Simon antwoordde: ‘Ik denk de man aan wie hij het meest heeft kwijtgescholden.’ Hij zei: ‘Dat heb je goed gezien.’ 44  Jezus keek naar de vrouw en zei tegen Simon: ‘Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis gekomen en jij hebt me geen water voor mijn voeten gegeven. Maar deze vrouw heeft mijn voeten met haar tranen natgemaakt+ en ze met haar haar afgedroogd. 45  Jij hebt me geen kus gegeven, maar deze vrouw is er sinds ik hier ben niet mee opgehouden mijn voeten teder te kussen. 46  Jij hebt geen olie over mijn hoofd gegoten, maar deze vrouw heeft geurige olie over mijn voeten gegoten. 47  Ik zeg je: op grond hiervan zijn haar zonden vergeven,+ ook al zijn het er veel,* want ze heeft veel liefde getoond.+ Maar iemand die weinig wordt vergeven, toont weinig liefde.’ 48  Toen zei hij tegen haar: ‘Je zonden zijn je vergeven.’+ 49  De anderen aan tafel* zeiden tegen elkaar: ‘Wie is deze man, dat hij zelfs zonden vergeeft?’+ 50  Maar hij zei tegen de vrouw: ‘Je geloof heeft je gered.+ Ga in vrede.’

Voetnoten

Of ‘word wakker!’
Of ‘die in mij geen aanleiding tot struikelen vindt’.
Of ‘zachte’.
Lett.: ‘je gezicht’.
Of ‘leiding’, ‘instructies’.
Of ‘lag aan tafel aan’.
Of ‘aan tafel aanlag’.
Of ‘hij vergaf beiden vrijelijk’.
Of ‘al zijn ze groot’.
Of ‘die aan tafel aanlagen’.

Aantekeningen

Kapernaüm: Van een Hebreeuwse naam die ‘dorp van Nahum’ of ‘dorp van troost’ betekent (Na 1:1, vtn.). De stad lag aan de NW-kust van het Meer van Galilea en werd in Mt 9:1 ‘zijn eigen stad’ genoemd. De stad speelde een grote rol in Jezus’ bediening op aarde.

Kapernaüm: Zie aantekening bij Mt 4:13.

legerofficier: Of ‘centurio’. Een centurio was iemand die in het Romeinse leger het bevel had over zo’n 100 soldaten.

stuurde oudsten van de Joden: Volgens het parallelverslag in Mt 8:5 ‘kwam er een legerofficier naar hem [Jezus] toe’. De Joodse oudsten traden blijkbaar op als bemiddelaar voor de legerofficier. Lukas is de enige die dat detail vermeldt.

Kort daarna: Hoewel in sommige oude manuscripten ‘de volgende dag’ staat, wordt deze weergave beter door de manuscripten ondersteund.

Naïn: Een Galilese stad zo’n 35 km ten ZW van de stad Kapernaüm, waar Jezus kennelijk vandaan kwam (Lu 7:1-10). In de Griekse Geschriften wordt Naïn alleen hier vermeld. De stad wordt in verband gebracht met het huidige dorp Nein aan de NW-kant van de heuvel Moré, zo’n 10 km ten ZZO van Nazareth. Tegenwoordig is het dorp vrij klein, maar de ruïnes in het gebied vormen een aanwijzing dat het vroeger groter was. Naïn ligt in een prachtige omgeving en kijkt uit over de Vlakte van Jizreël. Hier wekte Jezus voor het eerst iemand uit de dood op — de andere twee opgetekende gevallen waren in Kapernaüm en Bethanië (Lu 8:49-56; Jo 11:1-44). Zo’n 900 jaar eerder had de profeet Elisa in de nabijgelegen plaats Sunem de zoon van een Sunamitische vrouw opgewekt (2Kon 4:8-37).

een eniggeboren zoon: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘uniek’. Het wordt in de Bijbel gebruikt voor de relatie van een zoon of dochter tot zijn of haar ouders. (Zie aantekeningen bij Lu 7:12; 8:42 en 9:38.) In de geschriften van Johannes wordt deze term uitsluitend voor Jezus gebruikt (Jo 3:16, 18; 1Jo 4:9), maar nooit in verband met Jezus’ menselijke geboorte of zijn bestaan als mens. In plaats daarvan gebruikt Johannes de term voor Jezus in zijn voormenselijke bestaan als de Logos, het Woord, degene die ‘in het begin bij God was’, nog ‘voordat de wereld er was’ (Jo 1:1, 2; 17:5, 24). Jezus is de ‘eniggeboren zoon’ omdat hij Jehovah’s Eerstgeborene is en de enige die rechtstreeks door hem is geschapen. Andere geestelijke wezens worden wel ‘zonen van de ware God’ en ‘zonen van God’ genoemd (Ge 6:2, 4; Job 1:6; 2:1; 38:4-7), maar al die zonen zijn door Jehovah geschapen via die eerstgeboren Zoon (Kol 1:15, 16). Samenvattend kunnen we zeggen dat monogenes op twee dingen duidt: Jezus is ‘de enige in zijn soort’, ‘uniek’, ‘onvergelijkelijk’ en hij is de enige zoon die rechtstreeks en uitsluitend door God is gemaakt (1Jo 5:18; zie aantekening bij Heb 11:17).

eniggeboren Zoon: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘uniek’. In de geschriften van Johannes wordt deze term uitsluitend voor Jezus gebruikt (Jo 1:14: 3:18; 1Jo 4:9; zie aantekening bij Jo 1:14). Hoewel andere geestelijke wezens die door God zijn gemaakt wel zonen worden genoemd, wordt alleen Jezus de eniggeboren Zoon genoemd (Ge 6:2, 4; Job 1:6; 2:1; 38:4-7). Jezus, de eerstgeboren Zoon, is de enige rechtstreekse schepping van zijn Vader, dus hij was uniek, anders dan alle andere zonen van God. Zij waren door Jehovah geschapen via die eerstgeboren Zoon. Paulus gebruikt het Griekse monogenes op een vergelijkbare manier als hij Isaäk de ‘eniggeboren zoon’ van Abraham noemt (Heb 11:17, vtn.). Hoewel Abraham bij Hagar Ismaël kreeg en bij Ketura nog een aantal zonen (Ge 16:15; 25:1, 2; 1Kr 1:28, 32), was Isaäk ‘eniggeboren’ in een bijzondere betekenis. Hij was de enige zoon die Abraham door een belofte van God kreeg en ook de enige zoon van Sara (Ge 17:16-19).

de stadspoort: Het Griekse woord polis (stad) wordt drie keer gebruikt in verband met Naïn. Meestal wordt dit woord gebruikt voor een ommuurde stad, maar het is niet zeker dat Naïn een stadsmuur had. Als er geen stadsmuur was, is de ‘stadspoort’ misschien gewoon een opening tussen de huizen geweest waardoor een toegangsweg naar Naïn liep. Maar er zijn archeologen die denken dat Naïn wel een stadsmuur had. In ieder geval zijn Jezus en zijn discipelen de begrafenisstoet misschien tegengekomen bij een ‘poort’ aan de oostkant van Naïn, richting de graven op de heuvelhelling ten ZO van het huidige dorp Nein.

enige: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘de enige of het enige lid van een klasse of soort’, ‘uniek’. Het wordt gebruikt voor de relatie van een zoon of dochter tot zijn of haar ouders. In deze context wordt het gebruikt voor een enig kind. Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor Jaïrus’ enige dochter en het enige kind van een man die door Jezus genezen werd (Lu 8:41, 42; 9:38). De Griekse Septuaginta gebruikt monogenes als het gaat om Jefta’s dochter, over wie wordt gezegd: ‘Ze was zijn enige kind. Hij had verder geen zonen of dochters’ (Re 11:34). In de geschriften van de apostel Johannes wordt monogenes vijf keer gebruikt in verband met Jezus. (Zie aantekeningen bij Jo 1:14 en 3:16 voor de betekenis van de term als die op Jezus wordt toegepast.)

kreeg hij medelijden: Of ‘kreeg hij compassie’. Het Griekse werkwoord splagchnizomai is verwant aan het woord voor ingewanden (splagchna). Het duidt op een diepgevoelde, intense emotie en is een van de krachtigste woorden in het Grieks voor het gevoel van medelijden.

twee van zijn discipelen: Het parallelverslag in Mt 11:2, 3 zegt alleen dat Johannes de Doper ‘zijn discipelen’ stuurde. Lukas vermeldt ook hoeveel het er waren.

een melaatse: Iemand met een ernstige huidziekte, zoals lepra. Als er melaatsheid bij iemand werd geconstateerd, werd hij buiten de samenleving gesloten totdat hij genezen was (Le 13:2, vtn., 45, 46; zie Woordenlijst).

doop jullie: Of ‘dompel jullie onder’. Het Griekse baptizo betekent ‘(zich) onderdompelen’. Uit andere Bijbelteksten blijkt dat het bij dopen om volledige onderdompeling ging. Bij één gelegenheid doopte Johannes mensen op een plek in het Jordaandal bij Salim, ‘omdat daar veel water was’ (Jo 3:23). Toen Filippus de Ethiopische eunuch doopte, ‘liepen [ze] allebei het water in’ (Han 8:38). Hetzelfde Griekse woord wordt in de Septuaginta gebruikt in 2Kon 5:14 als wordt gezegd dat Naäman ‘zich zeven keer onderdompelde’ in de Jordaan.

dopen als symbool van berouw: Lett.: ‘doop van berouw’. De doop waste geen zonden weg. Degenen die zich door Johannes lieten dopen, hadden berouw over hun zonden tegen de wet en toonden dat ze vastbesloten waren hun gedrag te veranderen. Die berouwvolle houding zou hen naar Christus leiden (Ga 3:24). Zo bereidde Johannes een volk erop voor ‘de redding’ te zien waarin God voorzag (Lu 3:3-6; zie aantekeningen bij Mt 3:2, 8, 11 en Woordenlijst ‘Berouw’ en ‘Doop, dopen’).

doop: Het Griekse woord baptisma betekent ‘onderdompeling’. (Zie aantekeningen bij Mt 3:11 en Mr 1:4.)

at en dronk niet: Blijkbaar duidt dit op Johannes’ leven van zelfverloochening. Hij vastte en hield zich aan het vereiste voor nazireeërs om zich te onthouden van alcohol (Nu 6:2-4; Mt 9:14, 15; Lu 1:15; 7:33).

at geen brood en dronk geen wijn: Zie aantekening bij Mt 11:18.

belastinginners: Veel Joden inden belasting voor de Romeinse overheid. Mensen hadden een hekel aan deze Joden omdat ze samenwerkten met een gehate overheerser en omdat ze meer geld afpersten dan het officiële belastingtarief. Belastinginners werden meestal door andere Joden gemeden en gelijkgesteld met zondaars en prostituees (Mt 11:19; 21:32).

belastinginners: Zie aantekening bij Mt 5:46.

blijkt uit de resultaten: Lett.: ‘wordt gerechtvaardigd door al haar kinderen’. De wijsheid wordt hier gepersonifieerd en er wordt van gezegd dat ze kinderen heeft. In het parallelverslag in Mt 11:19 wordt in de oorspronkelijke taal gezegd dat de wijsheid ‘werken’ heeft. De kinderen of werken van wijsheid — oftewel de bewijzen die Johannes de Doper en Jezus laten zien — tonen aan dat de beschuldigingen tegen hen vals zijn. Jezus zegt eigenlijk: ‘Kijk naar de rechtvaardige werken en het gedrag, dan weet je dat de beschuldiging vals is.’

in het huis van de farizeeër: Lukas is de enige van de vier evangelieschrijvers die vermeldt dat Jezus door farizeeën werd uitgenodigd om bij hen te komen eten en daarop inging. Andere voorvallen staan in Lu 11:37 en 14:1.

een vrouw die bekendstond als een zondares: De Bijbel zegt dat alle mensen zondaars zijn (2Kr 6:36; Ro 3:23; 5:12). Het woord zondaar wordt hier dus specifieker gebruikt, kennelijk voor iemand die de reputatie had zonde te beoefenen, misschien een zonde van morele of criminele aard (Lu 19:7, 8). Alleen in Lukas staat dit verslag over de zondige vrouw, misschien een prostituee, die olie over Jezus’ voeten uitgoot. De Griekse uitdrukking die is vertaald met ‘die bekendstond als’ betekent letterlijk ‘die was’, maar in deze context verwijst de uitdrukking waarschijnlijk naar een kenmerkende eigenschap of karaktertrek van een persoon of naar de klasse waarbij iemand hoort.

schulden: Duidt op zonden. Als iemand tegen een ander zondigt, heeft hij een schuld of verplichting tegenover die persoon, en daarom moet hij hem om vergeving vragen. Of iemand door God vergeven wordt hangt ervan af of hij anderen hun schulden heeft vergeven, dat wil zeggen hun zonden tegen hem (Mt 6:14, 15; 18:35; Lu 11:4).

schold hem zijn schuld kwijt: Of ‘vergaf hem de schuld (lening)’. In figuurlijke zin kunnen schulden duiden op zonden. (Zie aantekening bij Mt 6:12.)

die bij ons in de schuld staat: Of ‘die tegen ons zondigt’. Als iemand tegen een ander zondigt, heeft hij een figuurlijke schuld of een verplichting tegenover die persoon, en daarom moet hij hem om vergeving vragen. In het voorbeeldgebed dat Jezus zijn discipelen in de Bergrede had geleerd, had hij het over ‘schulden’ in plaats van zonden. (Zie aantekening bij Mt 6:12.) Het Griekse woord voor vergeven betekent letterlijk ‘loslaten’, ‘laten gaan’, dat wil zeggen een schuld laten zitten door die kwijt te schelden.

Twee mannen hadden geld geleend: Lett.: ‘twee schuldenaars’. De verhouding van een schuldenaar tot zijn schuldeiser was voor de Joden in de eerste eeuw een bekend concept, en soms gebruikte Jezus dat voor illustraties (Mt 18:23-35; Lu 16:1-8). Alleen Lukas vermeldt deze illustratie van de twee mannen met een schuld, waarbij de een tien keer zo veel schuld had als de ander. Jezus vertelde deze illustratie vanwege de houding van zijn gastheer, Simon, tegenover de vrouw die binnenkwam en geurige olie over Jezus’ voeten uitgoot (Lu 7:36-40). Jezus vergelijkt zonde met een schuld die te groot is om terug te betalen en laat het principe uitkomen: ‘Iemand die weinig wordt vergeven, toont weinig liefde’ (Lu 7:47; zie aantekeningen bij Mt 6:12; 18:27 en Lu 11:4).

denarii: Een Romeinse zilvermunt van zo’n 3,85 g met op één kant een afbeelding van caesar. Zoals uit Mt 20:2 blijkt, kregen landarbeiders in Jezus’ tijd gewoonlijk een denarius voor een werkdag van 12 uur. (Zie Woordenlijst en App. B14.)

water voor mijn voeten: In de oudheid reisden mensen voornamelijk te voet, zoals in veel delen van de wereld nog steeds gebruikelijk is. Sommigen van het gewone volk liepen op blote voeten, maar velen droegen sandalen die uit weinig meer dan een zool en een paar leren riempjes bestonden. Als iemand een huis binnenging, deed hij zijn sandalen uit. Een belangrijk gebaar van gastvrijheid was dat de heer des huizes of een bediende de voeten van de gasten waste. In ieder geval werd er in water voor dit doel voorzien (Ge 18:4; 24:32; 1Sa 25:41; Lu 7:37, 38).

Jij hebt me geen kus gegeven: In Bijbelse tijd gaven mensen een kus als teken van affectie of respect. Kussen kon inhouden dat iemand de lippen drukte op de mond (Sp 24:26), de wang of (in een uitzonderlijk geval) zelfs de voeten van een ander (Lu 7:37, 38). Kussen was niet alleen gebruikelijk tussen mannen en vrouwen die verwant waren (Ge 29:11; 31:28), maar ook onder mannen die verwant waren (Ge 27:26, 27; 45:15; Ex 18:7; 2Sa 14:33). Het was ook een uiting van genegenheid tussen goede vrienden (1Sa 20:41, 42; 2Sa 19:39).

Media

Paleizen
Paleizen

Toen Jezus het had over mensen die in ‘paleizen’ woonden (Mt 11:8; Lu 7:25), dachten de aanwezigen misschien aan de vele luxe paleizen die Herodes de Grote had laten bouwen. Op de foto zijn de restanten te zien van slechts een deel van het winterpaleis dat hij in Jericho liet bouwen. Het complex omvatte een door zuilen omgeven ontvangsthal van 29 bij 19 m, binnenplaatsen met zuilengangen en daaromheen talloze kamers, en een badhuis met verwarmings- en koelsystemen. Bij het paleis hoorde een tuin die uit meerdere niveaus bestond. Dit paleis is misschien afgebrand tijdens een opstand enkele tientallen jaren voordat Johannes de Doper met zijn bediening begon, en het werd herbouwd door Herodes’ zoon Archelaüs.

Marktplein
Marktplein

Sommige marktpleinen, zoals die op de afbeelding, lagen aan een straat. Verkopers zetten vaak zo veel koopwaar in de straat dat er geen verkeer meer langs kon. De inwoners konden huishoudelijke spullen, potten en duur glaswerk kopen, en ook verse producten. Omdat er geen koeling was, moesten mensen elke dag naar de markt om boodschappen te doen. Het was de plek waar je nieuwtjes hoorde via handelaars of bezoekers, waar kinderen speelden en waar werklozen wachtten op iemand die hen wilde inhuren. Op het marktplein genas Jezus zieken en predikte Paulus (Han 17:17). In contrast daarmee wilden de trotse schriftgeleerden en farizeeën op deze openbare plaatsen graag opgemerkt en begroet worden.

Fluit
Fluit

In Bijbelse tijden waren fluiten gemaakt van riet en zelfs van bot of ivoor. De fluit was een van de populairste muziekinstrumenten. Er werd op gespeeld bij feestelijke gelegenheden, zoals feestmaaltijden en bruiloften (1Kon 1:40; Jes 5:12; 30:29), een gewoonte die kinderen op de pleinen naspeelden. Er werd ook op de fluit gespeeld bij verdrietige gelegenheden, zoals begrafenissen. Beroepsklagers werden vaak begeleid door fluitspelers die droevige wijsjes speelden. Het stuk fluit op de afbeelding is in Jeruzalem gevonden in een laag puin die dateert uit de tijd dat de tempel door de Romeinen werd verwoest. Het is zo’n 15 cm lang en is waarschijnlijk gemaakt van een stuk bot uit de poot van een koe of een os.

Albasten kruikje
Albasten kruikje

Dit soort parfumkruikjes werd oorspronkelijk gemaakt van een steensoort die bij Alabastron (Egypte) werd gevonden. De steensoort, een vorm van calciumcarbonaat, kreeg de naam albast. Dit kruikje is in Egypte gevonden en wordt gedateerd tussen 150 v.Chr. en 100 n.Chr. Er werden vergelijkbare kruikjes gemaakt met minder kostbaar materiaal, zoals gips. Die werden ook alabastrons genoemd, omdat ze voor hetzelfde doel werden gebruikt. Maar echte albasten kruikjes werden gebruikt voor kostbare zalven en parfums zoals die waar Jezus bij twee gelegenheden mee werd gezalfd: één keer in het huis van een farizeeër in Galilea en één keer in het huis van Simon de melaatse in Bethanië.